Begin van het studiejaar 2006-2007 aan de Universiteit Leiden, 4 september © Lex van Lieshout / ANP

Zet je het bijvoeglijk naamwoord ‘academische’ voor het begrip ‘vrijheid’, dan helpt dat maar weinig; het blijft een containerbegrip waarachter werelden van betekenis schuilgaan. Of gewoon misverstanden. Als achttienjarige verheugde ik me mateloos op wat ik zag als academische vrijheid. Het viel vies tegen. De eerste colleges die ik volgde als student aan de universiteit van Leiden vonden plaats in het zogenoemde Gorlaeus Laboratorium. Kwam je te laat, dan mocht je de zaal niet meer in. Geen nood, je kon het college ook volgen op de gang, via hoog hangende televisieschermen. In de zaal pasten zevenhonderd studenten. Hutjemutje in de gang voelde ik heimwee naar dat ene jaartje dat ik in Amerika had gestudeerd. Daar was ik, bij het overslaan van een college, of les, vroeg op de ochtend bang dat ik de docent die middag tegen het lijf zou lopen, in kantine of sportveld. Hier wist ik zeker dat geen docent me zou herkennen.

Na enkele maanden Leiden kwam het enige ritme in de dag van de vaste tijdstippen waarop sbs6 het programma van Jerry Springer uitzond (wie het niet kent: laat maar). Of nee, ook door telefoontjes van medestudenten die me op gezette tijden vergeefs probeerden mee te krijgen naar ‘borrels’ bij Minerva, een studentenvereniging die, vooral buiten het Zuid-Hollandse studentenstadje, wel het Leids studentencorps wordt genoemd. Intussen zakte ik weg in mijn academische vrijheid. Geen uitgestrekte hand in zicht. De tempobeurs bestond nog niet.

Na een jaar of twee werd ik toch nog gered, door een docent met een angstaanjagende uitstraling. Andreas Kinneging gaf werkgroepen voor maximaal twintig studenten. Hij liet ons wekelijks een stevig politiek-filosofisch boek lezen én zinvol samenvatten. Liet je blijken, in zo’n samenvatting, dat je de portee niet helemaal had begrepen, dan kon je rekenen op een vervelende tijd.

Tegelijk waren zijn werkgroepen allesbehalve schools: de man daagde zijn studenten uit, al was het maar door opvattingen te verkondigen die niet onweersproken konden blijven. In feite gaf hij je, als student, een week de tijd om te bedenken en te formuleren (tenminste voor jezelf) waarom je het niet met hem eens was. Of wilde zijn. (Natuurlijk, er waren ook studenten die alles klakkeloos van hem overnamen, sycofanten die decennia later hun eigen Kinneging-pluimstrijkers-partij oprichtten en die daarmee zelfs in de Tweede en Eerste Kamer kwamen, maar dat is een ander verhaal.)

De terreur van deze docent verkoos ik zonder enige aarzeling boven de mateloze vrijheid die de rest van de universiteit leek te bieden. Verrast was ik dus niet toen de NRC onlangs in een knap onderzoekstuk meldde dat maar liefst vier klachten van studenten jegens docent Kinneging gegrond waren verklaard, door een commissie die in opdracht werkte van het college van bestuur en de rector magnificus. Kinneging had zich ‘intimiderend’ gedragen en een ‘onveilige situatie’ gecreëerd voor zijn studenten.

Daar kan ik me iets bij voorstellen. Kinneging is een levend anachronisme, nu nog meer dan destijds. Zijn archaïsche denkbeelden over de rol van man en vrouw staan, zacht uitgedrukt, haaks op de tijdgeest. Bovendien is soms onduidelijk, bij een docent als Kinneging, waar provocatie overloopt in intimidatie.

Natuurlijk, de universiteit heeft zich ontwikkeld sinds ik er begin jaren negentig in de collegebanken zat. Over die ontwikkeling publiceerde de Leidse onderwijshistoricus Pieter Slaman De glazen toren: De Leidse universiteit 1970-2020. Slaman zet vooreerst uiteen hoe het ivoor van de universitaire toren al voor mijn komst allengs werd vervangen door glas, aangedreven door een maatschappijbreed verlangen naar transparantie en verantwoording. De onderwijshistoricus, zelf in dienst bij de Universiteit Leiden, beschrijft tegelijk de effecten van de stormachtige groei van studenten, van de dertienduizend uit mijn tijd (ik vond dat astronomisch veel) tot de 31.000 van nu (gaat mijn bevattingsvermogen te boven). De overheid bezuinigde, vertelt hij, door het aantal docenten niet mee te laten groeien met het aantal studenten. Die honderden studenten in het Gorlaeus toonden destijds slechts een glimp van een nabije toekomst. Het woord ‘onderwijslast’ kwam in zwang. (Slaman is ook niet voorzichtig in het gebruik.) Net als de woorden ‘diversiteit’ en ‘inclusie’. (Slaman is daar wat zuiniger mee.) Intussen wonnen evaluaties aan belang, door studenten ván docenten. Academische vrijheid of niet (de Leidse universiteit geeft er hoog van op), docenten zijn eindeloos veel tijd kwijt met bureaucratische klussen om aan hun verantwoordingsplicht te voldoen – en die zijn zeker niet facultatief.

In hoeverre moest het vrije woord altijd voorrang hebben op diversiteit en inclusiviteit?

De veeleisende Kinneging wist zijn hoekje met maximaal twintig studenten overeind te houden – zo bleek uit het artikel in de NRC – maar de studentenpopulatie veranderde wel, en fors. Inmiddels heeft één op de vijf Leidse studenten een buitenlands paspoort. De Leidse studentenpopulatie telt 123 nationaliteiten. Slaman, die ondanks de nadruk die hij legt op het bestuur van de universiteit een leesbaar boek heeft geschreven, doordringt de lezer van zijn belangrijkste punt: dat de universiteit in Leiden pionierde. Op deze universiteit werd beleid ontwikkeld dat de politiek landelijk overnam. Neem de zogenoemde ‘output-financiering’: overheidssteun afhankelijk van het aantal studenten dat een universiteit aflevert. Of het bindend studieadvies, in Leiden al in 1994 ingevoerd. Ook kwamen er zogenoemde honoursprogramma’s, met extra uitdaging voor de beste studenten. Maar gelukkig, in de schaduw van deze bewering en de onderbouwing ervan, besteedt Slaman eveneens aandacht aan de wijze waarop de universiteit probeert (en heeft geprobeerd) om te gaan met de groeiende diversiteit onder de studenten.

Hij haalt een debatavond op de juridische faculteit erbij, in 2005, waarop rector en collegevoorzitter Carel Stolker goedgemutst een publiek toesprak met daarin zowel de islam-kritische docent Afshin Ellian als tientallen salafisten. Op de gang stonden politieagenten; het was in de dagen rond de Mohammed-cartoon-rel. Slaman noemt een toespraak van Stolker, drie jaar later, waarin de rector dieper inging op de vraag of, in Slamans woorden, ‘het vrije woord altijd voorrang moet hebben op diversiteit en inclusiviteit’.

En? De rector bewandelde een middenweg. De universiteit was een vrijplaats, zei Stolker. Iedere vraag moet er gesteld kunnen worden en in alle vrijheid worden beantwoord. Maar, zei Stolker ook, goede onderlinge omgangsvormen zijn daarbij ‘een noodzakelijke voorwaarde’.

Je kunt in het eerste deel van deze opvatting een verdediging van Kinnegings didactiek horen. Die bestaat immers uit een doelbewuste provocatie van zijn studenten, jongvolwassenen die ondanks alle vrijheid (sorry, academische vrijheid) doorgaans nog zelden in aanraking zijn gekomen met een serieuze, intellectuele onderbouwing van radicale, verlopen of zelfs abjecte ideeën. Kinneging rekte de bandbreedte van het denken op. Het tweede deel, die noodzakelijke voorwaarde, kun je daarentegen zien als een veroordeling van Kinnegings didactiek. Want ja, als tact en inlevingsvermogen het cement vormen van een internationale gemeenschap, is het slechts een kwestie van tijd geweest voordat een docent als Kinneging werd geconfronteerd met gegrond verklaarde klachten.

Het is volstrekt onduidelijk hoe Kinneging in de toekomst klachten gaat voorkomen. Zeker als hij doorgaat om, zoals bleek in het NRC-artikel, studenten ‘a pain in the ass’ te noemen en ‘een irritant mannetje’. Het irritante mannetje ontnam hij zelfs het recht om nog langer vragen te stellen – iets wat erop wijst dat niet alleen de universiteit een ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar Kinneging zelf eveneens, want zoiets heb ik hem in mijn tijd als student nooit horen zeggen. Toen kon iedereen nog alles vragen – met het risico genadeloos in je hemd te worden gezet; wat voor veel van zijn studenten de aantrekkingskracht van zijn werkgroepen en colleges aanzienlijk verhoogde, niet verlaagde.

Slaman noemt Kinneging maar één keer in zijn boek, in een passage waarin hij beschrijft hoe aan de universiteit ‘de gematigde, progressief liberale sfeer van de jaren negentig onder vuur kwam’. Enkele Leidse juristen, schrijft hij, ‘namen daarbij het voortouw’. Slaman geeft nauwelijks tot geen duiding aan die ontwikkeling – hij constateert die slechts. Toch is het moeilijk niet aan Kinneging te denken als hij, in zijn passage over debatvrijheid versus omgang met diversiteit concludeert: ‘De spreker mag niet op de persoon spelen, de toehoorder de boodschap niet direct op zichzelf betrekken.’

Slaman onderschrijft de scheiding die Stolker wilde aanbrengen tussen persoon en inhoud. Maar hij zegt ook dat dit onderscheid moeilijk is te hanteren, omdat het niet ‘cultureel neutraal’ is. ‘Het is een constructie met een fundament in de Europese Verlichting. Steeds minder mag de universiteit er blind op vertrouwen dat al haar leden met die oude spelregels vertrouwd zijn. Natuurlijk omdat zij uit alle delen van de wereld komen, maar ook omdat in Nederland directheid regelmatig hoger wordt aangeslagen dan hoffelijkheid.’

Wie iets verder durft te gaan dan Slaman of Stolker zal zeggen dat het verkennen van de grenzen van het weten – toch een academisch ideaal – juist gebaat is bij provocatie en misschien zelfs afschrikking. Dat betekent dat persoonlijke krenkingen onontbeerlijk zijn, en intellectuele intimidatie begerenswaardig is. Voor de intellectuele beul die mij dertig jaar geleden uit mijn lethargie verloste is te hopen dat deze gedachte niet te ver uit beeld raakt in het goedbedoelde streven naar ‘een veilige leeromgeving’. Voor de studenten is tegelijk te hopen dat docenten als Kinneging blijven luisteren naar de tegenwerpingen waar die studenten wellicht net een week op hebben zitten broeden – hun eerste ontwaken uit diepe vrijheid, academisch of niet. ‘Irritant mannetje.’