Historische non-fictie

Intellectuele hoerenkast

Sinds de negentiende eeuw duiden denkers maatschappelijke verschijnselen in medische of biologische termen. De samenleving werd gezien als een lichaam waarin verschillende groepen en klassen een hiërarchisch bepaalde functie hadden. Zowel marxisten als liberalen en nationaal-socialisten bedienden zich van deze metaforen.

In onze zorgvuldig georganiseerde en volledig gepamperde samenleving staat bij rampspoed een heel legertje hulpverleners klaar om slachtoffers op te vangen en tijdens het herstel te begeleiden. Een ontploffende vuurwerkfabriek, een brandend café vol dronken pubers, een dubbeldeksbus die onder een te laag viaduct door wilde — voor de betrokkenen zijn het uiterst traumatische gebeurtenissen, waaraan zij geen schuld hebben en waarvan de gevolgen zo goed mogelijk worden behandeld. Niemand zal de overlevenden verwijten maken als ze na geruime tijd nog steeds last hebben van slapeloosheid, nachtmerries, concentratiestoornissen of andere problemen.

Een kleine eeuw geleden lag dat heel anders. Dat merkten vooral de soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, die werden blootgesteld aan verschrikkingen waarbij bovengenoemde rampen volledig in het niet vallen. Aan het front in Vlaanderen en Frankrijk werden massale infanterieaanvallen meestal voorafgegaan door artilleriebombardementen die soms dagen konden duren. Bij de inleidende beschietingen van het Duitse offensief bij Verdun vielen op een bepaald stuk bos ter grootte van een halve vierkante kilometer in acht uur tijd naar schatting tachtigduizend granaten. Al die tijd zaten de soldaten in hun vaak schamele schuilplaatsen ineengedoken, door het helse kabaal niet in staat te communiceren, voortdurend door elkaar geschud en blootgesteld aan een hagelbui van aardkluiten, stenen, brokken hout, granaatsplinters en afgerukte lichaamsdelen. Ernst Jünger heeft deze beproeving vergeleken met het lot van een man die is vastgebonden aan een ijzeren paal, die met een heiblok in de grond wordt geramd. Anderen vergeleken een dergelijk bombardement met een orkaan op zee, terwijl men zich niet op een schip maar op een wankel vlot bevond. Uit Ian Ousby’s De weg naar Verdun wordt duidelijk dat woorden te kort schieten om inzicht te geven in wat deze soldaten keer op keer moesten doormaken.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat van de soldaten die het overleefden nogal wat mannen, waaronder ook de grootste en stoerste kerels, veranderden in psychische wrakken, in deerniswekkende creaturen die geen enkele controle meer hadden over hun lichaam en geest. De Franse poilus noemden deze geestesgesteldheid le cafard, die kon variëren van de betrekkelijk onschuldige «grijze» tot de gevreesde «groene» of hypercafard. Tegenwoordig zouden we deze verschijnselen aanduiden met het begrip «Post-Traumatic Stress Disorder» (PTSD), maar leger artsen en bevelhebbers spraken toen van «neurasthenie». Het in 1897 verschenen Franse standaardwerk over neurasthenie was geschreven door Gilbert Ballet en Adrien Proust, de vader van Marcel, en omschreef de symptomen van deze aandoening als algehele zwakte, suggestibiliteit, een verlaagde weerstand en het onvermogen tot geconcentreerde en doelgerichte activiteit. De oorzaak was de druk die op het zenuwstelsel werd gelegd door de strijd om het bestaan. Aangezien de patiënt blijkbaar niet voldoende weerstand kon bieden tegen die druk werd neurasthenie gezien als een eerste teken van degeneratie. Over de oorzaken van die degeneratie liepen de meningen sterk uiteen — linkse auteurs wezen meestal op de beroerde sociale omstandigheden, cultuur pessimisten gaven het bedenkelijke morele peil van de hele samenleving de schuld, terwijl medici de verklaring vooral zochten in erfelijke factoren — maar opvallend was dat het dus niet de extreme omstandigheden in de loopgraven waren waardoor een soldaat «neurasthenicus» werd, maar dat het aan de patiënt zelf lag.

Toch was er in deze jaren ook het besef dat de patiënt een onderdeel van de maatschappij was en nogal wat commentatoren waren van mening dat de gehele maatschappij ziek was. Nu is ziekte een verschijnsel dat alleen voorkomt bij organismen, zodat een dergelijke visie erop wijst dat het sinds de Verlichting dominerende maatschappijbeeld een verandering had ondergaan. In de achttiende eeuw gebruikte men als metafoor voor de maatschappij graag mechanische begrippen als «machine» of «uurwerk».

Gedurende de negentiende eeuw maakte deze voorliefde voor mechanistische beeldspraak in toenemende mate plaats voor de gewoonte om de samenleving te zien als een organisme, als een lichaam waarin verschillende groepen en klassen een hiërarchisch bepaalde functie hadden.

Deze omslag in het denken staat centraal in De zieke natie, een bundel bijdragen aan een symposium dat eind 2000 in Leuven werd gehouden en dat gewijd was aan de «medicalisering» van het wereldbeeld in de jaren 1860-1914. Vooral sinds het werk van Foucault bestaat de indruk dat medici in de negen tiende eeuw steeds meer invloed kregen op zowel de politiek als op wetenschap en cultuur. Allerlei onwenselijke verschijnselen — zoals pauperisme, alcoholisme, criminaliteit, prostitutie — werden gezien als ziektes waarvan het maatschappelijk lichaam genezen diende te worden. Begin negentiende eeuw ontstond in met name Engeland, Frankrijk en Duitsland een zogeheten «hygiënistische» beweging die ijverde voor bestrijding van de bovengenoemde kwalen. Omdat de hygiënisten er al spoedig achter kwamen dat veel ellende aantoonbare sociale oorzaken had, kwamen zij dikwijls met radicale maatschappijkritiek.

In Nederland kwam deze beweging pas veel later van de grond, en werd zij uiteindelijk grotendeels geïncorporeerd in het overheidsstreven om door middel van sociale wetgeving radicale maatschappijkritiek in te dammen. Bovendien maakte medische beeldspraak steeds meer plaats voor biologische metaforiek. De veelvuldig gehanteerde begrippen «diagnose» en «therapie» worden onder invloed van de theorieën van Darwin verdrongen door termen als «evolutie», «selectie» en «degeneratie». Veel medici, politici, sociologen en filosofen raken in de ban van het zogenoemde sociaal-darwinisme, een denktrant die door Frank Kalshoven ooit is aangeduid als een «intellectuele hoerenkast» waarin zowel marxistische socialisten, Historische School-liberalen en neoklassieke reactionairen aan hun gerief konden komen. Om toch nog even terug te vallen op de medische beeldspraak: velen liepen er een ongeneeslijke aandoening op die het denkvermogen in ernstige mate aantastte.

Zo maakte de meest vulgaire vorm van het sociaal-darwinisme, waarbij het idee van natuurlijke selectie werd gereduceerd tot de verheerlijking van het recht van de sterkste, deel uit van de ideologische grabbelton van het fascisme en nationaal-socialisme. Overigens was de rol van de medische metaforiek nog niet geheel uitgespeeld, zoals blijkt uit de bijdrage van Arnold Labrie. Deze vat de thematiek uit zijn vorig jaar verschenen boek Zuiverheid en decadentie samen en laat zien hoe de medische obsessie met hygiëne levensgevaarlijke vormen kon aannemen zodra «vuil» en «onzuiverheid» werd geassocieerd met «de ander» en dus de legitimatie vormde voor uitsluiting en uiteindelijk zelfs uitroeiing van een ieder die niet tot de eigen groep behoorde.

Het werd eind negentiende eeuw in brede kring mode om individuen die geen positieve bijdrage aan de samenleving leverden aan te duiden als parasieten. Dit kwam echter niet alleen voor bij nationalistische en racistische reactionairen, maar ook onder socialisten, die in de adel en bourgeoisie weinig anders konden zien dan onverzadigbare uitzuigers en nutteloze opvreters. Voor socialisten die een stapsgewijze, geweldloze overgang naar de klasseloze maatschappij prefereerden boven een bloedige omwenteling, was het sociaal-darwinisme aantrekkelijk omdat het uitging van een geleidelijke evolutie in plaats van een bloedige revolutie. Door Darwin met Marx te verzoenen was het mogelijk de komst van de socialistische samenleving af te schilderen als een onvermijdelijk maar tevens geleidelijk proces. Hierdoor werd het minder bedreigend en kon men in de praktijk dikwijls samenwerken met vooruitstrevende liberalen en hervormingsgezinde christenen.

Socialisten zagen zich als de vertegenwoordigers van de toekomst, als de herauten van de nieuwe dageraad die een meer rechtvaardige en mooiere wereld zou brengen. Ook hier zien we een kenmerkende trek van de sociaal-darwinistische invloed. Stond voorheen de door ervaring en kennis verkregen wijsheid van de oudere generatie op een voetstuk, nu was het de kracht en de vitaliteit van de jeugd die werd verheerlijkt. In evolutionaire termen is het nieuwe geslacht per definitie verder ontwikkeld dan voorgaande geslachten, en is de jeugd dus automatisch beter dan de oudere garde. De jeugd was niet langer de voorbereiding op de volwassenheid, maar een levensfase die verreweg superieur was. Uit dit plotse zelfbewustzijn van veel jongeren ontstond rond 1900 in veel landen een massale jeugdbeweging, waarvan de leden zich afzetten tegen de benepen, rationalistische en materialistische wereld van de oudere generatie. Zij zagen zich als de dragers van een nieuwe, blijde wereld, waarin de levensdrang en het instinct zouden zegevieren over de steriele ratio, waarin de Geest het zou winnen van de materie. Lang niet alle aanhangers van deze jeugdbeweging voelden zich aangetrokken tot het socialisme, en velen van hen zouden zich ontpoppen tot nihilistische esthetici, nationalisten, racisten en militaristen. Een groot deel van deze generatie zou zich trouwens helemaal niet verder ontplooien, aangezien dat de geest gaf in de Materialschlachten bij Verdun, Ieper en de Somme. Hoewel in sociaal-darwinistische theorieën de strijd als leidend beginsel, als ultieme levenskracht werd gezien, waarbij in de jeugdbeweging aan deze toch al troebele soep ook nog een flinke scheut Nietzsche werd toegevoegd, bleek de praktijk heel wat minder fraai.

In zijn essay over het gebruik van organische metaforen in de politiek wijst Ido de Haan op de intellectuele inconsistenties van het sociaal-darwinisme. Om te beginnen was het doel van sociaal-darwinistische politiek het bereiken van maatschappelijke harmonie, van een samenleving waarin een ieder zijn eigen plaats zou hebben en zich zou schikken in deze ordening. Tegelijkertijd ging men ervan uit dat deze harmonie zou ontstaan vanuit de strijd om het bestaan. Op de vraag waarom de sociale strijd op zeker moment zou overgaan in permanente sociale vrede, werd ondanks alle dialectisch gegoochel nimmer een adequaat en aanvaardbaar antwoord geformuleerd. Alleen de nazi’s, met hun vernietiging van alle «minder waardige» en «levensonwaardige» elementen, waren wat dit betreft consequent.

Het tweede probleem van het sociaal-darwinisme komt voort uit het feit dat het geloof in een wetmatige ontwikkeling van de maatschappij zich nauwelijks laat verenigen met het idee dat bewuste interventie mogelijk is. De vrije wil speelt dus vrijwel geen rol, in ieder geval maakt het geen moer uit wat het individu wil.

In het voorgaande is aandacht besteed aan het politieke, sociologische en filosofische gebruik van zowel de medische als de organische beeldspraak. Veel denkers gebruikten die dan ook door elkaar, en sommigen maakten er helemaal een potje van. Zo wijst Jo Tollebeek op het werk van de Belgische katholieke historicus Kurth, die soms op één bladzijde metaforen gebruikte uit de geneeskunde, biologie, dramaturgie, en de krijgskunde. Hoewel de metaforenziekte dus af en toe bizarre vormen aannam, en een bewijs vormde voor de intellectuele armoede van dergelijke denkbeelden, maakte het volgens De Haan toch veel uit welke beeldspraak men koos. Wie de maatschappij trachtte te ontleden als een arts, en dus een diagnose stelde en vervolgens een therapie voorschreef, gaf er blijk van te willen ingrijpen in het maatschappelijk proces. Over het algemeen was dit dan ook de houding van het vooruitstrevende deel van de elite. Zij die metaforen ontleenden aan de biologie, en dus spraken van «groei» en «degeneratie», vervielen dikwijls tot «amoreel objectivisme en politiek fatalisme».

Hiermee in strijd lijkt het artikel van Jessica Slijkhuis over de rol van de psychiatrie rond 1900. Daaruit blijkt immers dat ook de medische aanpak tot dubieuze praktijken kon leiden. Slijkhuis signaleert enerzijds de criminalisering van allerlei stoornissen, waardoor psychiatrische patiënten dikwijls als misdadigers werden gezien, terwijl tegelijkertijd sprake was van een medicalisering van criminaliteit. Ook politieke delinquenten, zoals de in die tijd nogal actieve anarchistische bommengooiers, werden gezien als zwakzinnigen. Wie zich verzette tegen de maatschappelijke orde kon ze immers niet allemaal op een rijtje hebben. Een opvatting die ook in de Sovjet-Unie nog werd gehuldigd.

Er zijn in deze bundel meer bijdragen die elkaar lijken tegen te spreken. Deels komt dat doordat de ene auteur de nadruk legt op de medische praktijk, terwijl de andere vooral de biologische metaforiek tot onderwerp heeft gekozen. In zijn slotessay poneert Piet de Rooy zelfs de stelling dat er veel te veel aandacht is besteed aan de «medicalisering» van het politieke en maatschappelijke debat omdat tegenwoordig over alles de schaduw van het nazisme ligt en historici nu eenmaal een hang naar het excentrieke en bizarre hebben. Volgens hem namen veel auteurs hun eigen beeldspraak helemaal niet zo serieus, en gaven zij in ieder geval altijd aan dat het om metaforen en niet om de werkelijkheid zelf ging.

Dit mag zo zijn voor het werk van de meer serieuze auteurs, maar veel van deze denkbeelden sijpelden door in het bewustzijn van het grote publiek door middel van de geschriften van allerlei minder scrupuleuze popularisators en vulgarisators. Zo laat Ousby zien dat bijvoorbeeld in Frankrijk het organische denken voor de Eerste Wereldoorlog sterk wortel had geschoten. Veel Fransen zagen hun land als een organische eenheid waarin alle delen een specifieke functie vervulden en Parijs als het hoofd fungeerde. De na de Frans-Duitse Oorlog geannexeerde provincies Elzas en Lotharingen werden dan ook gezien als geamputeerde ledematen. Door het Franse territorium te zien als een levend lichaam, werd elke vierkante centimeter Franse grond van vitaal belang, en was het noodzakelijk om die ten koste van alles te verdedigen of te heroveren. Hierbij smolten het bloed van de soldaten en de aarde van het moederland samen, op een organische, maar tevens wel erg dramatische wijze.

Ian Ousby

De weg naar Verdun: Frankrijk en de Eerste Wereldoorlog

Uitg. Anthos, 390 blz., € 24,90

Liesbet Nys, Henk de Smaele, Jo Tollebeek & Kaat Wils (red.)

De zieke natie: Over de medicalisering van de samenleving 1860-1914

Historische Uitgeverij, 414 blz., € 39,95

Raoul C. van Caenegem e.a. 1302: Feiten en mythen van de Gulden sporenslag

Op 11 juli was het zevenhonderd jaar geleden dat het superieur geachte ridderleger van de Franse koning Filips de Schone bij Kortrijk werd verslagen door een bijeengeraapte legermacht van boeren en burgers uit Brugge, Gent, Rijsel en Ieper. De goede organisatie van de Vlamingen en de drassige grond zorgden ervoor dat het grootste deel van de drieduizend zwaarbewapende Franse ridders het loodje legde, waarna hun gouden sporen werden verzameld om in de kerk van Kortrijk als trofeeën te worden opgehangen. Dit prachtig uitgegeven boek gaat niet alleen in op het verloop en de achtergronden van de slag, maar besteedt tevens aandacht aan de belangrijke rol die de Guldensporenslag de afgelopen twee eeuwen heeft gespeeld in het Vlaamse nationalisme.

Uitg. Amsterdam University Press / Mercatorfonds, 301 blz., € 50,-

Marie-Ange Delen

Het hof van Willem van Oranje

Wie Le Roy Laduries Het leven aan het Franse hof heeft gelezen, moet zich voorbereiden op een volstrekt andersoortig werk. Is dat eerste boek voornamelijk gebaseerd op de memoires van de hoveling Saint-Simon, het materiaal voor deze studie bestond uit personeelslijsten, menu’s, etiquetteboeken, huishoudelijke memo’s et cetera. Dat levert minder sappige verhalen op, maar geeft wel een interessant en boeiend beeld van de hoge adel in de Nederlanden tijdens de Renaissance. Voor de Willem van Oranje uit dit boek was verkwisting een way of life. Hij verschilt daarmee nogal van die ascetische en onbaatzuchtige held uit de calvinistische geschiedenisboekjes.

Uitg. Wereldbibliotheek,

400 blz., € 29,90

T.C.W. Blanning, The Culture of Power and the Power of Culture

Werd in de zestiende en zeventiende eeuw, net als in het vorige boek, het centrum van de cultuur gevormd door het hof, in de achttiende eeuw verschuift het zwaartepunt naar het publieke domein. Vorsten en kerken boeten als opdrachtgevers in aan belang, ten gunste van de burgerij. Er ontstaan openbare bibliotheken en auteurs gaan direct voor de boekenmarkt schrijven. Ze hoeven niet langer op zoek naar hooggeplaatste personen aan wie ze hun werk kunnen opdragen. De «cultuur van de macht» wordt tot op zekere hoogte afgelost door de «macht van de cultuur». Uiteraard is dit verschijnsel al eerder geanalyseerd, onder meer in Habermas’ Strukturwandel der Öffentlichkeit. Maar waar de Duitse filosoof vooral theoretiseert, geeft de Britse historicus Blanning kleurrijke en meeslepende beschrijvingen.

Uitg. Oxford University Press, 479 blz.,

€ 46,50

Montesquieu, Perzische brieven

De achttiende-eeuwse burgers waren verzot op imaginaire reisverslagen. In één variant bezochten schrijvers een verafgelegen land, zogenaamd, waarna zij verslag deden van volstrekt andere, voornamelijk bizarre zeden en gebruiken. In een andere variant werd Europa bezocht door exotische vreemdelingen, die commentaar leverden op de voor de lezer vertrouwde werkelijkheid. Beide varianten waren bij uitstek geslaagd om ondanks de censuur maatschappijkritiek te leveren. Montesquieus Lettres persanes uit 1721 is het geestigste en leesbaarste voorbeeld van de tweede categorie. De lotgevallen van Usbek en Rica vormen niet alleen een pleidooi voor rationalisme, tolerantie en vrijheid, maar in hun brieven vinden we tal van interessante observaties. Zo zijn ze zeer te spreken over het in Perzië onbekende fenomeen van het tijdschrift, dat een lezer in staat stelt om in een kwartier kennis te nemen van de inhoud van dertig boeken.

Uitg. Wereldbibliotheek, 317 blz., € 22,50

Joost Kloek en Karin Tilmans (red.) Burger

Als er, althans volgens gezaghebbende cultuurdragers als Huizinga en zijn neefje Ter Braak, één burgerlijk land is, dan is dat wel Nederland. Over wat hieronder moet worden verstaan, bestaat echter nogal wat onduidelijkheid. Nadat in Duitsland begripsgeschiedenis al enkele decennia een aparte discipline is, verschijnt nu ook in Nederland sinds enige tijd een serie boeken waarin de evolutie van enkele, voor onze geschiedenis essentiële, begrippen wordt behandeld. Na de delen over «vaderland», «vrijheid» en «beschaving» is er nu een bundel waarin het begrip «burger» wordt geanalyseerd vanaf de Middeleeuwen tot op heden. Ook afgeleide begrippen als «burgerlijk», «burgerschap» en «burgerzin» komen aan de orde.

Uitg. Amsterdam University Press, 388 blz., € 36,-

Saskia Asser en Liesbeth Ruitenberg (red.), De keizer in beeld: Wilhelm II en de fotografie als pr-instrument

De man die de negentiende eeuw hoogst persoonlijk de nek heeft omgedraaid, doordat hij de hoofdverantwoordelijke voor de Eerste Wereldoorlog was, verzamelde niet alleen paleizen, uniformen en snuifdozen, maar ook foto’s. Bovendien had hij als weinig tijdgenoten door hoe de fotografie gebruikt kon worden als propagandamiddel. De foto’s uit zijn collectie tonen ons naast portretten en veel militair vertoon ook het beeld van een monarch on the road, tijdens eindeloze staatsbezoeken en vakanties. Bijzonder fraai zijn de twee foto’s van de verzoening tussen Wilhelm en de in 1890 aan de dijk gezette Otto von Bismarck. Politiek als operette. Tweetalige uitgave.

Uitg. Europese Bibliotheek, 191 blz., € 25,-

Ben Macintyre

De dochter van de Engelsman

Het drama dat mede veroorzaakt werd door de wereldvreemde politiek van Wilhelm bestond niet alleen uit de grote drama’s uit de geschiedenisboeken, zoals de slagen bij Verdun, de Somme en Ieper, maar ook uit ontelbare kleine drama’s. In augustus 1914 werd het inderhaast in de strijd geworpen Engelse expeditieleger teruggedrongen door de oprukkende Duitsers. In de chaos en paniek verdwaalden vier Britse soldaten en belandden achter de Duitse linies. Ze doken onder in een Frans dorpje. Een van hen werd verliefd op de dochter van een van de beschermers en werd uiteindelijk vader van een dochter. Verraad was er de oorzaak van dat de vier in Duitse handen vielen en als spionnen werden gefusilleerd. Aangrijpende reconstructie van een enorm drama in een kleine gemeenschap.

Uitg. Mets en Schilt, 334 blz., € 22,50

Werner Maser, Herman Göring

Dat in de Eerste Wereldoorlog wellicht de verkeerden sneuvelden, wordt duidelijk uit deze biografie van een gelauwerde oorlogsvlieger die zich ontpopte tot een van de grootste politieke gangsters die Europa heeft voortgebracht. Samen met de «Boheemse korporaal», die 14-18 ook al ten onrechte had overleefd, en enkele andere engerds vormde Göring Duitsland om tot een roofriddersstaat. Als meedogenloos soldaat en groot kunstliefhebber waande deze verslaafde vetzak zich een echte Renaissancevorst. Zijn carrière is inderdaad even boeiend als die van de Borgia’s, maar in tegenstelling tot de meedogenloze Italiaanse vorsten lieten Göring en de zijnen slechts ruïnes na.

Uitg. Aspekt, 453 blz., € 42,98