Intellectuele icoon

Michel van Nieuwstadt, De verschrikkingen van het denken: Over Menno ter Braak. Historische Uitgeverij, 377 blz., 365,-
Vrijwel onmiddellijk na zijn dood werd Menno ter Braak een icoon, in de tegenwoordige betekenis: een symbooltje op het computerscherm. Hij werd het archetype van een in Nederland zeldzame diersoort, de onafhankelijke intellectueel met even erudiete als tegendraadse denkbeelden. Nu had hij ook zijn uiterlijk mee - met dat bleke, ovale, later wat pafferige gezicht -, maar boven alles was het de onstuitbare stroom essays en kritieken, die hem zijn faam bezorgde.

In een tijd waarin velen nog vasthielden aan oude zekerheden en waarin de meeste intellectuelen zich dienstbaar opstelden aan een of andere levensbeschouwing, waren de eigenwijze beschouwingen van Ter Braak een verademing. Hij leek ongrijpbaar, was niet in te lijven bij een politieke stroming, en vormde het ideale rolmodel voor een generatie van intellectuelen die opgroeide in een periode waarin het crisisgevoel alle terreinen des levens had aangetast. Zijn zelfgekozen dood in mei 1940, geïnterpreteerd als het protest van de Geest tegen het Beest, droeg hier stevig aan bij, zodat Ter Braak in de onderduik door nogal wat jongeren werd verslonden.
Na de oorlog werd zijn Verzameld werk uitgegeven en zijn stijl veelvuldig nagevolgd. Begin jaren zestig dreef Henk Hofland de spot met alle ‘Terbrakianen’, de intellectuele icoon zelf bleef echter onaantastbaar. De aanvallen van W.F. Hermans, die Ter Braaks zelfmoord ridiculiseerde, keerden zich tegen de auteur zelf, die werd uitgekreten voor 'fascist’. Ook Jeroen Brouwers’ opvatting dat de Duitse inval de aanleiding vormde voor de zelfmoord van een schrijver die 'uitgeschreven’ was, werd als misplaatst gezien. Men moest van Ter Braak afblijven.
Dit werd echter zo serieus opgevat dat deze exemplarische essayist heden ten dage nog slechts door een enkeling gelezen wordt. In 1980 verscheen de tweede druk van het Verzameld Werk, die nog volop leverbaar is. De door Eep Francken samengestelde bloemlezing De draagbare Ter Braak (1992) belandde al snel in de ramsj.
Die handzame bloemlezing werd in HP/De Tijd besproken door de historicus E.H. Kossmann, behorend tot de generatie die voor en tijdens de oorlog beïnvloed werd door Ter Braak. Kossmann herlas delen van Ter Braaks oeuvre, herkende wat toentertijd zo'n indruk op hem maakte, maar moest tevens constateren dat veel van het geschrevene 'vrijwel onleesbaar’ was. Naast de omslachtige stijl was het vooral Ter Braaks redeneertrant die 'dodelijk vermoeiend’ was.
Het 'draagbaar’ maken van Ter Braak is, gezien de verkoopcijfers, op een mislukking uitgelopen. Misschien is het daarom tijd voor het 'leesbaar’ maken van deze intellectueel, die in het intellectuele wereldje van de jaren dertig een spoor van, broodnodige, vernielingen heeft achtergelaten, en die ondanks zijn thans antiquarische stijl een scherpzinnig cultuurcriticus was. Een poging hiertoe is onlangs ondernomen door Michel van Nieuwstadt, die, na een Ter Braak-studie van ruim dertig jaar, promoveerde op De verschrikkingen van het denken.
Het gaat hier niet om een biografie - daaraan werkt Léon Hanssen - maar om een 'intellectuele monografie’ die 'meandert’ langs twee hoofdlijnen. De eerste is de vraag waarom in de literatuur Ter Braaks eerste grote essay, Het Carnaval der Burgers (1930), nagenoeg verzwegen wordt. Tevens concentreert Van Nieuwstadt zich op de betekenis van Nietzsche voor het werk van Ter Braak.
Mooie, overzichtelijke vragen, zou men denken. Van Nieuwstadt koos echter voor een - door Benjamin, Barthes, Adorno, Derrida en Cacciari geïnspireerde - 'op de letter van de tekst gerichte taalfilosofische aanpak’, die onder meer moest leiden tot het 'opnieuw leesbaar’ maken van Het carnaval der burgers. Als gevolg hiervan staat dit boek vol met zinnen als: 'Zelfs in het geprivilegieerde geval van de monoloog waarin het subject zichzelf aan zichzelf representeert, brengt de uitdrukking “ik” een scheiding teweeg in de schoot zelf van de aanwezigheid-aan-zichzelf.’ En over het boek dat 'opnieuw leesbaar’ gemaakt moet worden lezen we: 'Hoewel er op het zinnelijke niveau van de taal, in de omkleding van het abstracte skelet van de polariteit burger-dichter, in Het carnaval der burgers veel meer aan dichterlijkheid valt te ervaren dan meestal wordt toegegeven, hoort het tot het eindeloos gevarieerde, overwegend anti-burgerlijke schematisme van deze polariteit en tot haar slotsom, dat er in de taal voor Ter Braak geen ander onderkomen meer voorstelbaar is - dan het burgerlijke zelf.’
Op waarlijk dialectische wijze slaagt Van Nieuwstadt er inderdaad in Ter Braak weer 'leesbaar’ te maken. Niet dat wij door zijn uitleg nu beter begrijpen wat Ter Braak bedoeld heeft, dat zou veel te simpel, te weinig dialectisch, te weinig postmodernistisch zijn. Nee, Van Nieuwstadt voert de lezer terug - beter nog: hij schopt hem terug - naar Ter Braak. Na dit proefschrift, dat ook De verschrikkingen van het schrijven had kunnen heten, is het lezen van Ter Braak zelf een verademing. Vóór Van Nieuwstadt had ik grote moeite met het Carnaval, daarna las ik het boek met plezier.
Het is niet dat Van Nieuwstadt niets zinnigs te melden heeft. Vooral zijn analyse van Carnaval als het overgangsmoment tussen expressionisme en nieuwe zakelijkheid, en van Nietzsches invloed op de stijl en cultuurkritiek van Ter Braak, getuigen van inzicht en eruditie. Maar het is net alsof achter dat moeizame postmoderne taalfilosofische jargon Ter Braak zich uit de voeten maakt.
Een van de belangrijkste motieven in Ter Braaks werk is de tegenstelling tussen geest en macht. Dat werk werd dan ook geschreven in een tijd dat de laatste de eerste naar het leven stond. Die tegenstelling werd echter door Ter Braak, evenals door Jacques de Kadt, op een volstrekt non-conformistische, onorthodoxe wijze benaderd. Beide intellectuelen waren sterk beïnvloed door Nietzsche en schopten zoveel heilige huisjes omver dat het etiket 'nihilist’ bijna gerechtvaardigd leek. Een analyse van Ter Braaks worsteling met deze materie zou een heel wat spannender en relevanter boek hebben opgeleverd dan de onnavolgbare excursies van Van Nieuwstadt. In een dertien bladzijden tellend essay (Tirade, november-december 1996) geeft de historicus André Otto een zeer verhelderende aanzet tot zo'n onderzoek. In dat artikel kwam Ter Braak veel 'dichterbij’ dan in dit dertig keer dikkere proefschrift.