Media

Intellectuelen & media

Op het omslag van Vrij Nederland stond afgelopen week weer eens een fraaie tekening van Peter Pontiac. Hij toont een in zwart geklede man die met een van pijn vertrokken gezicht op een terrasje een boek probeert te lezen.

Hij is omgeven door een kwebbelende, lachende horde kleurige mannen en vrouwen. Sommigen bladeren door een tijdschrift, anderen koesteren de laatste aankoop, een derde zit luidruchtig te bellen. In de verte komt een paparazzo aanlopen met een joekel van een fototoestel. Achter hem blokkeren een hummer en een sportwagen de tramlijn. Daar weer achter zien we een klassiek Amsterdams pand.
De tekening is gemaakt naar aanleiding van een artikel in datzelfde tijdschrift over Oud-Zuid, ‘waar oude intellectuelen botsen op nieuw geld’. Een dergelijke botsing vindt echter niet alleen in Amsterdam plaats. Het speelt overal, niet alleen in wijken maar ook in andere sociale verbanden én in de media zelf. Het is telkens hetzelfde verhaal: 'intellectuelen’ worden verdreven door mensen met andere interesses. Lezers maken plaats voor kwebbelaars, geschreven media vervangen letters door plaatjes, televisie- en radioprogramma’s vervangen inhoud door show; artikelen worden korter, 'leuker’ en sneller, inhoud wordt teruggebracht tot een aangeklede oneliner die ook nog eens uitentreuren herhaald wordt; goed is wat scoort, slecht wat geen aandacht krijgt; mooi is wat glimt, lelijk wat doffer oogt; snel is in, langzaam uit; nieuw is gewenst, oud wekt weerzin. Interessant vooral zijn de gadgets die met de snelheid van het licht op de markt worden gebracht en een onevenredige hoeveelheid aandacht krijgen. Dat die mobieltjes, tablets, applicaties en andere speeltjes ook nog een of andere inhoud zouden kunnen of moeten hebben, is volstrekt ondergeschikt. Ze draaien, ploppen, zoomen, zenden, croppen, bliepen, shufflen en blenden. Dat is het enige wat ertoe doet.
Ik overdrijf. Zo vreselijk is het niet. Bovendien is dergelijke a-intellectuele aanstelleritis allerminst van vandaag en is het communicatielandschap, om dat vreselijke woord maar eens te gebruiken, zo breed dat iedereen altijd voldoende van zijn gading kan vinden. Meer nog: door de digitalisering kunnen zelfs de aller-intellectueelste intellectuelen in een half uur meer van hun gading vinden dan tien jaar geleden in een maand bijeen gesprokkeld kon worden. Klassieke Latijnse teksten bijvoorbeeld, van de Praelectionum philosophiae scholasticae van Simon van der Aa tot de Subsidium sive coronis de eucharistia van Ulrich Zwingli. Beide werken zijn slechts in een klein aantal Nederlandse bibliotheken voorradig en worden bovendien niet snel uitgeleend. Tegenwoordig kunnen ze in een handomdraai in huis worden gehaald.
Zo is er ontzettend veel, en in 99 van de honderd gevallen heeft de getergde intellectueel van Pontiacs plaatje zijn stekje dan ook al lang verlaten. Hij zit thuis, achter de computer of met twee, drie vrienden rond een stille tafel en denkt: barst maar. Het probleem is daarom niet dat het gekwebbel de intellectueel, zoals op de tekening, geen ruimte laat voor reflectie, het probleem is dat reflectie nauwelijks in aanzien staat en dat mensen met geld, macht en roem de boventoon voeren. Maar is ook dat niet altijd zo geweest? Hoe belangrijk voor zijn tijd was een man als Erasmus eigenlijk, hoe belangrijk waren Voltaire, Nietzsche, Sartre? Als je de verhalen over hen terugleest, zou je denken dat de halve wereld rond hén draaide.
Neem Erasmus. Geen verhaal over Europa aan het begin van de zestiende eeuw of zijn naam valt. Tegelijkertijd kan een kind bedenken dat zijn in het Latijn geschreven, veelal ingewikkelde en relatief kostbare werk voor 99,999 procent van de bevolking ontoegankelijk en onbereikbaar was en dat de verhalen dus betrekking hebben op de resterende 0,001 procent, één op de honderdduizend mensen dus. Dat lijkt weinig maar komt aardig overeen met de oplagen van Erasmus’ boeken. De overgrote meerderheid van de bevolking had andere zaken aan het hoofd: de meesten zorg voor het dagelijks brood, enkelen geld, macht en roem. Laatstgenoemden hadden het ook voor het zeggen, zo sterk zelfs dat Erasmus en de zijnen volstrekt van hen afhankelijk waren. Zo bezien hebben moderne intellectuelen het stukken beter. Ze zijn hoogstens afhankelijk van fondsen.
Toch is er een verschil en dat verklaart de eventuele ontevredenheid van die intellectuelen: ze zijn hun monopolie op de media kwijt. Met het groeiend aantal media en de toename van het publiek is almaar sterker en duidelijker geworden wat sinds de komst van internet onmogelijk nog te ontkennen valt: intellectuelen, mensen die in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in de analyse van natuurlijke, maatschappelijke of psychologische problemen, vormen niet meer dan één van de vele groeperingen die in de media actief zijn. Ze zijn zelfs een van de kleinste. Macht hebben ze nauwelijks. Aanzien evenmin. Geld hoogstens een beetje. Dat steekt.