Essay over heersers in het rijk der ideeën

Intellectuelen schaken

Een intellectueel mag aan wetenschap doen, aan politiek en zelfs aan seks. Maar als hij als intellectueel in functie treedt, krijgt hij iets van een schlemiel. Alleen als hij schaakt, is hij koning in het rijk der ideeën.

Karel wilde wel. Maar Elsje niet. Althans, vandaag niet. Er waren van die dagen dat ze niks kon velen, al wilde Karel nog zo graag. Kon hij niet gewoon gaan schaken met zijn interlec tuelen? De boodschap, subtiel verpakt in de woorden van Annie M.G. Schmidt, was duidelijk: intellectuelen doen niet aan seks. Intellectuelen schaken.

Die woorden vielen in het revolutiejaar 1968 in de revue Met man en muis en weerklonken vervolgens maandenlang als polderhit van Elsje de Wijn door heel Nederland. Het had kennelijk wel iets: zo'n uitval van een struise meid, die alleen vandaag even niet wilde, en de ernst van ingewikkelde figuren die hun dagen achter al even ingewikkelde bordspelen sleten. Kort daarna zou Nederland trouwens een kortstondige Anti-doctorandussen-partij kennen, waaruit een nog veel venijniger afkeer sprak van heel- en halfafgestudeerde types, zoals Wim Kan ze ooit noemde.

Hoewel die partij zo roemloos ten onder ging dat nog maar weinigen zich haar bestaan herinneren, zijn intellectuelen nooit populair geweest. Er heeft om hen altijd de sfeer van betweterigheid en een onmiskenbaar uitvreterschap gehangen. Zij waren «de nieuwe vrijgestelden», zoals de Haagse Post hen, met enig boter op het hoofd, betitelde. Vanuit hun beschermde banen in de luwte van de samenleving orakelden zij over diezelfde samenleving, waarover ze zelden iets goeds te melden hadden. De Telegraaf wist dat ressentiment gewiekst aan te wenden toen het zichzelf als de gezond-verstandkrant omschreef en later, nog gewiekster, als de krant van wakker Nederland.

Die krant werd in de kantines van de doctorandussenopleidingen dan ook zelden gelezen, behalve op die faculteiten waar het topsalaris ook toen al hoger werd geacht dan de koestering van visioenen en ideeën. Niet dat in die laatste sfeer het woord «intellectueel» automatisch een hoge status genoot. Dat klonk dan weer te veel naar een leven van vrijblijvende beschouwingen zonder politiek of sociaal engagement, en vervolgens naar een nostalgische gehechtheid aan een culturele traditie van dead white males. Wie wilde er eigenlijk wél «intellectueel» zijn?

Lang niet alle doctorandussen, of zij die dat hoopten te worden, behoorden daartoe. Het was zo'n beetje als met Karel, die schaken kon maar ook zo graag wilde en dat was volgens Elsje nu juist weer niet des intellectueels. Karel was een randgeval, en zo was het ook met doctorandussen. Bijna alle intellectuelen waren doctorandus, maar niet alle doctorandussen waren intellectueel. Dat vonden ze zelf, en dat vonden gelukkig ook anderen — zij het vaak niet om dezelfde reden.

Ooit had een hogere vorming bijna vanzelfsprekend voor een intellectuele status garant gestaan, al hoefde die niet per se universitair te zijn. De achttiende eeuw, die nog de illusie kon koesteren al het menselijk weten in één Encyclopédie te verzamelen, maar daartoe tegelijk ook de behoefte voelde omdat die kennis steeds omvangrijker werd, was er de gouden tijd van. En zonder kennis kon de intellectueel het net zo min stellen als zonder weerklank in de samenleving, al bood hogere zelfstudie daartoe vaak een beter brevet dan de door de kerk gedomi neerde universiteiten.

De achttiende-eeuwse publicisten waren de eersten die leefden van én voor de ideeën waarover zij schreven, en ook onder de encyclopedisten waren de amateurs opvallend aanwezig. Daardoor drong het publieke debat veel sterker door in de kolommen van de Encyclopédie dan we nu van naslagwerken gewend zijn. Wie de bijdragen van Diderot of Rousseau leest, vindt niet alleen een weergave van de feiten, maar ook een hoogstpersoonlijk verhaal dat niet terugschrikt voor opinies en morele oordelen. De stijl doet soms verdacht veel aan een column denken.

Vandaag de dag worden columns zelden door wetenschapslieden geschreven, of het moet in de beschermde binnentuin van de wetenschapsbijlagen van kranten zijn. Er is een diep wantrouwen ontstaan tussen het publieke domein en de wetenschappelijke wereld. De vergaarde kennis is te omvangrijk geworden voor mensen die zich niet in hoge mate hebben gespecialiseerd en daardoor heeft het academische klimaat, zoals René Gabriëls in zijn recente studie Intellectuelen in Nederland laat zien, een sterke professionalisering doorgemaakt. Wie wetenschappelijk wil meetellen, kan zich de lossere stijlvormen van de intellectueel, waarvan het persoonlijke en morele gehalte vaak op gespannen voet staan met de wetenschappelijke waardevrijheid, niet goed veroorloven.

Dat wantrouwen wordt aan beide zijden van de kloof halfhartig betreurd. Wetenschappers beklagen zich bitter over het onbegrip van de samenleving voor hun werk, maar zijn aan de andere kant als de dood voor de popularisering daarvan, omdat de zuiverheid en strengheid van hun kennis daarin onvermijdelijk verwaterd raakt. De veelbecommentarieerde kritiek van de fysici Sokal en Bricmont op het gebruik van natuurwetenschappelijke termen in de filosofie had — naast hun onaanvechtbare gelijk — ook iets van die koudwatervrees.

Van zulke gevoelens hebben de menswetenschappen en letterenfaculteiten van oudsher minder last. Iedereen meent van die gebieden wel iets af te weten, zodat de beoefenaars ervan niet zo vreemd opkijken van lekenvolk dat met hun kennis en vocabulaire aan de haal gaat — inclusief natuurwetenschappers, die hen vanwege hun «onwetenschappelijkheid» tegelijk een beetje verachten. Op die manier herhaalde de kloof tussen samenleving en wetenschap zich nog een keer binnen de wetenschap, waar C.P. Snow aan het eind van de jaren vijftig al van Twee Culturen kon spreken. Het woord «intellectueel» werd daarbij, zo stelde hij met verwondering vast, vrijwel uitsluitend aan een van beide kampen toegedicht.

Toch was het niet zo vreemd dat intellectuelen hun natuurlijke habitat vonden in wetenschapsgebieden die voor de samenleving nog enigszins toegankelijk waren. De klassieke intellectueel was in de twintigste eeuw een letterenman, soms een socioloog, een psycholoog en een enkele keer een econoom. De natuurwetenschappers beklaagden zich daar bitter om, alsof hun kennis intellectueel niet voor vol werd aangezien. Maar hun recht van spreken was beperkt, omdat het bij «de intellectueel» nu eenmaal niet alleen om kennis gaat, maar ook om de aanwending daarvan in het publieke debat. En dat was — op een enkele uitzondering na — niet direct hun fort.

Maar hun wraak dreigt zoet te worden. De internationalisering die door de universiteiten als het nieuwste wondermiddel is omhelsd, dwingt ook de «intellectuele» faculteiten ertoe steeds meer — internationaal — voor eigen parochie te preken. Daarmee is de cirkel van professionalisering en specialisering rond, en resten er van de academische intellectueel alleen nog een paar filosofen, sociologen en een enkele medewerker binnen de letterenfaculteiten die nog met literatuur is begaan.

Karel staat nu dus op straat, maar hoort hij daar eigenlijk ook niet? Tenslotte is hij pas in het openbare forum in zijn element, en dat betekent tegenwoordig dat hij vooral op de media is aangewezen. Dat was al zo bij Zola, met wie het woord «intellectueel» ingang kreeg, en bleef zo tot Sartre, die wel «de laatste intellectueel» is genoemd — al probeert Noam Chomsky de fakkel manmoedig hoog te houden. Zijn Franse tegenhangers waren al geen academici meer, maar vrije schrijvers wier universi taire accreditatie zich beperkte tot Sartres agrégation de philosophie — toch al niet de meest wetenschappelijke van alle academische disciplines.

Zonder de nodige vorming kon geen intellectueel het stellen, maar zich ophoudend in het grensgebied tussen kennis en samenleving kon hij zijn tenten even gemakkelijk aan de ene als aan de andere kant van de scheidslijn opslaan. De ongemakkelijke verhouding die de academische intellectueel met de samenleving onderhield, spiegelde zich in de even ongemakkelijke verhouding van de literaire of artistieke intellectueel tot de wereld van het weten. Als het erop aan kwam, stonden zij overal buiten. Voor de wetenschap waren hun aanspraken te allesomvattend en voor de samenleving te eigenwijs en te spitsvondig, en beide namen hen dat kwalijk.

Als het niet primair kennis was waarop intellectuelen zich konden beroemen, waarop dan wel? Misschien heeft de Duits-Nederlandse revolutionair Anacharsis Cloots, die zich aan het eind van de achttiende eeuw enthousiast bij de jakobijnen aansloot, dat het best onder woorden gebracht toen hij zich trots tooide met de eretitel orateur du genre humain: redenaar van en voor het hele mensenras. Intellectuelen hebben van de algemeenheid altijd hun eerste agendapunt gemaakt. Zij spraken voor het algemeen belang en uit naam van algemene principes, die geacht werden naadloos op elkaar aan te sluiten. Als de wereld eenmaal in haar natuurlijke en zedelijke orde was doorgrond, zou ook de mensheid kunnen leven in harmonie daarmee én met elkaar, en zou iedereen gelukkig zijn.

Met dat visioen voor ogen zagen intellectuelen voor zichzelf een dubbele taak weggelegd. Ze moesten de mensheid ervan overtuigen dat dat doel bestond en haar de weg wijzen die naar dat geluk zou leiden. Daarvoor was niet alleen kennis nodig, maar ook een krachtige filosofische overtuiging. Dat gaf hun inslag al snel iets radicaals en verklaart waarom sommigen van hen zo gemakkelijk zwichtten voor de politiek van de houwdegen. Ongelukken konden, van Anacharsis Cloots tot Jean-Paul Sartre, dan ook niet uitblijven. Cloots kwam al na een paar jaar onder de guillotine terecht; hij compromitteerde zich graag met regimes die even «totalitair» waren als zijn eigen filosofie «alomvattend» wilde zijn.

Die twee laatste begrippen zijn dan ook nauw aan elkaar verwant. Wie meent de wereld als geheel te kunnen doorvorsen, zal er geen moeite mee hebben haar ook als geheel te willen manipuleren. Aan goede bedoeldingen schort het daarbij meestal minder dan aan gevoel voor de beperktheid van het eigen inzicht, of dat nu ethisch, metafysisch of wetenschappelijk gemotiveerd is. Ook denkers die pretendeerden op louter wetenschappelijke gronden een marsroute voor de mensheid te kunnen uitstippelen, zouden meestal eerder de hel dan de hemel op aarde hebben gebracht.

Het is dan ook niet vreemd dat Sartre niet alleen «de laatste intellectueel» maar ook «de laatste filosoof» genoemd is. Het soort wereldsystemen waarmee dit soort filosofen de mensheid verrijkte, is met hem uit de gratie geraakt. Waarin Hegel rond 1800 al nauwelijks meer slaagde, daarin moest Sartre anderhalve eeuw later reddeloos falen. Tot een allesomvattende greep op de werkelijkheid is niet alleen geen mens meer in staat, maar langzamerhand wordt ook betwijfeld of zo'n totaalvisie wel mogelijk is. Coherent is de wereld misschien nog wel op natuurkundig vlak, maar in de verhouding tussen natuur en cultuur of moraal is dat al veel twijfelachtiger. (Ethische problemen ontstaan pas uit afwijzing van de natuur, die er met haar «recht van de sterkste» korte metten mee zou maken.) En binnen de cultuur, die in een onoverzichtelijk veelvoud van leefwijzen en (sub-)culturen is uiteengevallen, is die coherentie al helemaal verdwenen.

Daarmee stond de intellectueel, die zich altijd onder de banier van de algemeenheid had geschaard, plotseling verloren. Het postmoderne evangelie waarin het einde van de «grote verhalen» werd verkondigd, had hem verweesd en verward achtergelaten. Vrijwel van de ene dag op de andere was er uglier intellectual denkbaar dan dezelfde Sartre die een paar jaar eerder nog de hoop op radicale verandering had belichaamd maar die nu model stond voor een verleden waarop met een mengsel van meewarigheid en afschuw werd teruggekeken. Zijn begrafenis in mei 1980 was tegelijk het afscheid van een tijdperk en van «de laatste intellectueel».

«Rechter en moralist» noemt Gabriëls dit type intellectuelen, dat vanuit een hogere gezichtspunt de wereld kapittelde en onrecht veroordeelde. Het beroep op de algemeenheid waaraan ze altijd hun status hadden ontleend, begon nu tegen hen te werken. In een wereld die steeds meer de onherleidbare verschillen tussen de culturen beklemtoonde, klonk die pretentie als een vorm van intellectueel imperialisme of zelfs kolonialisme.

De ironie dat diezelfde intellectuelen het (Amerikaans) imperialisme en (Europees) kolonialisme juist bestreden hadden, nam niet weg dat ook hun kennissurplus bij lange na niet meer zo indrukwekkend was als dat waarop de encyclopedisten nog konden bogen. Steeds talrijker werden de kennisgebieden die intellectuelen nauwelijks nog beheersten. Naast de deskundigen en wetenschappelijke specialisten die alles afwisten van bijna niets, stak het nogal pover af dat zij vrijwel niets wisten van bijna alles. En het aplomb weermee zij hun onkunde achter grote woorden maskeerden, maakte steeds minder indruk op een publiek dat zelf almaar beter gevormd en geïnformeerd raakte.

Specialisatie en kennisdemocratisering leidden, aldus Gabriëls, voor intellectuelen tot een verregaand gezagsverlies, en daarmee dreigde hun speciale status eenvoudigweg door de intellectueel geëmancipeerde burgers te worden verzwolgen. In Nederland bleken de heren Jacobse en Van Es dat bij het opstellen van het beginselprogramma van de Tegenpartij al vroeg te hebben aangevoeld:

« ‹En wordt programmapunt twee: Weg met de intellectuele!›

‹Weg met de wat?›

‹Met de intellectuele. Voortaan krijgt elke Nederlander bij zijn geboorte docterandus voor zijn naam.› »

Het afkappen van alles wat de pretentie had boven het maaiveld van de common sense uit te steken, paste goed in de sfeer van cultureel relativisme dat op de ineenstorting van de Grote Verhalen was gevolgd. Als er geen allesomvattende visie meer mogelijk was, had in principe elke mening evenveel gelding. In de praktijk graviteerde dat vanzelf naar de laagstvliegende vanzelfsprekendheid die zichzelf als «nuchter» omschreef en nooit om een kwinkslag verlegen zat. Voor intellectuelen braken de dagen van onzekerheid en low profile aan. Wat hadden zij eigenlijk nog te zeggen dat anderen ook al niet konden formuleren? Voor zover intellectuelen hun mond nog durfden opendoen, zetten zelfrelativering en ironie de toon en leken zij zich voor iedere bewering die de simpelste huis-, tuin- en keukenlogica oversteeg bij voorbaat te verontschuldigen.

Die ironie, die in de jaren zeventig en tachtig onder de columnisten van NRC Handelsblad tot bloei kwam en in de filosofie door Richard Rorty tot de nieuwe levenswijsheid werd gebombardeerd, vond grif onthaal als reactie op de grote woorden uit het verleden. Maar op den duur pakte die vederlichte leukigheid nogal vermoeiend uit en inmiddels is de charme er wel vanaf. In columns, essays en beschouwingen gaat het er (van Dave Eggers tot Willem Jan Otten) inmiddels weer uitgesproken serieus aan toe. Onder de nieuwe columnisten van NRC Handelsblad (Bas Heijne, Marjoleine de Vos en Sjoerd de Jong) heerst een post-ironische ernst die even ver afstaat van de debunking van de vorige generatie als van de veeleer pre-ironische, «sartriaanse» ernst van Elsbeth Etty.

Was dit een ander weekblad geweest, dan zou het nu tijd geworden zijn voor de aankondiging van een generatie «nieuwe intellectuelen». Maar in plaats van een happy ending te zijn, zouden daarmee de problemen pas goed aanbreken. Want wat moeten die ernstige intellectuelen beginnen in een cultuur die hun kennissurplus niet meer erkent, niet meer gelooft in alomvattende wereldvisies en moralen, en een diep-egalitair wantrouwen koestert tegen geestelijke leidslieden? Als de mondige burger iets wil weten, vraagt hij het de specialist wel, en als hij ergens een mening over moet vormen, doet hij dat het liefst zelf.

Toch is het opvallend dat dit soort columns grif gelezen wordt, dat lezingen waarin breeduit over de wereld wordt gefilosofeerd een groot publiek trekken en steeds meer kranten daaraan in hun bijlagen aandacht geven. Als er naar intellectuelen al geen vraag meer is, dan is er in ieder geval wel behoefte aan de vervulling van een intellectuele functie.

De professionalisering en specialisering van de deskundigen en de toename van kennis en informatie in de samenleving hebben immers één probleem onopgelost gelaten. Al die stukjes kennis, versnipperde culturen, morele of politieke hoofdbrekens en botsende deelproblemen vragen er uiteindelijk toch weer om tegen elkaar te worden afgewogen en op overzichtelijkheid te worden afgestemd. Wellicht is de wereld uiteen gevallen, maar we ontkomen er op cruciale momenten niet aan te doen alsof ze een geheel vormt. Waar verschillende politieke claims in het geding zijn, een juridische strijd wordt uitgevochten en subculturen elkaar niet verstaan, is een bemiddeling nodig die probeert de verschillen te overkoepelen, ook al worden ze daarmee nog niet weggestreken.

Dat geldt niet alleen voor maatschappelijke conflicten, maar ook voor het bewustzijn. Hoe «nomadisch» en verbrokkeld mensen inmiddels ook mogen leven, uiteindelijk wil iedereen toch een zekere coherentie in dat leven ontdekken. Veel verder dan een streven daarnaar komt het vaak niet, maar zo'n middelpuntzoekende illusie is al voldoende. De perplexiteit die iedere onoverzichtelijkheid oproept, moet worden bedwongen door het vermoeden dat ze minstens vatbaar is voor integratie, wil de verwarring niet de overhand krijgen.

En daarmee komt die vermaledijde algemeenheid weer om de hoek kijken, zij het in een minder imperialistische vorm dan voorheen. Ze is niet meer iets dat militant als een hogere waarheid aan de wereld moet worden opgelegd, maar eerder een voorwerp van verlangen waar het menselijk verkeer nu eenmaal niet buiten kan. Zoals ieder verlangen houdt het altijd iets ontsnappends en illusoirs. Zodra het begeerde er is, is het verlangen weg en het begeerde iets anders geworden: een simpel feit, een tastbaar voorwerp zonder magie of een harde ideologie die de wereld tot eenheid dwingt en elk verschil vernietigt.

Dat maakt intellectuelen in zekere zin handelaren in illusies. Zij brengen ideeën aan de man die iets van die verlangde coherentie of overbrugging naderbij kunnen brengen. Soms zullen maatschappelijke problemen daardoor wat leefbaarder worden of zal iemands levensperplexiteit een beetje worden gekalmeerd. Intellectuelen staan, met andere woorden, niet langer boven de verzamelde kennis en de maatschappelijke conflicten, maar daartussenin. Ze proberen de voegen en lege plekken tussen de gespecialiseerde inzichten en maatschappelijke partijen te vullen met een specie die ongetwijfeld niet tot in de eeuwigheid stand zal houden, maar die de chaos wel in een enigszins coherent en houdbaar geheel kan samenbrengen.

Dat betekent allerminst dat zij alles weten. Ze weten van veel dingen misschien minder dan veel burgers, en zeker minder dan de specialist. Dat is in sommige opzichten hun voordeel, want het geeft hun wellicht wat meer vrijheid en verbeeldingskracht. Terwijl de specialist zich richt op wat is, houden intellectuelen zich bij voorkeur bezig met wat niet is (de ontbrekende samenhang van wat is) of wat zou moeten zijn (de politieke en ethische lading daarvan). Van feiten hebben ze vaak maar een middelmatige kennis en daarop zullen ze soms hardhandig worden afgerekend. Hoe pijnlijk dat ook kan zijn, het is voor hun rol niet catastrofaal. Het herinnert hen, integendeel, aan hun eigen feilbaarheid en behoedt hen daardoor wellicht voor de hoogmoed die op brede perspectieven en grootse ideeën gemakkelijk meelift.

Dat intellectuelen in de toekomst ooit geliefd zullen worden, valt dan ook niet te verwachten. In een kennissamenleving laat de burger zich door intellectuele glitter niet zo snel verblinden en zal al snel een zeker wantrouwen voelen. Toch heeft hij de glans daarvan vroeg of laat onherroepelijk nodig. Ook kan hij het niet stellen zonder de leveranciers daarvan. Voor het ontwerpen van ideeën van algemeenheid is een zekere vorming en oefening nodig die niet iedereen uit zijn mouw schudt. De intellectuele functie zal ook in de toekomst waarschijnlijk voornamelijk worden uitgeoefend door mensen die beroepshalve met die algemeenheid al op vertrouwde voet staan. Het zullen eerder schrijvers zijn dan academici, eerder filosofen dan scheikundigen en eerder columnisten dan beursverslaggevers — al is er geen enkele reden waarom de laatsten zich zouden laten weerhouden.

Maar ook in dat geval blijft de intellectueel altijd een amateur en een beetje een standwerker. De scheikundige die over zijn vak morele uitspraken doet, liefhebbert als moralist net zozeer als de professionele bestuurder die zich opwerpt als politiek denker. De ideeën die hij slijt, kunnen nooit meer zijn dan suggesties, want hoe groot ook de feitenkennis mag zijn waarop hij kan bogen, zijn status wordt onherroepelijk dubieus zodra hij zich als intellectueel opwerpt.

Een intellectueel hoeft zijn functie dus niet fulltime uit te oefenen. Hij mag aan wetenschap doen, aan politiek en zelfs aan seks. Maar als hij als intellectueel in functie treedt, krijgt hij onvermijdelijk iets van een schlemiel. Koning mag een intellectueel zich in de republiek van de ideeën in ieder geval nooit wanen. Er is maar één moment waarop hij zijn lot mag verbinden aan het koningschap.

Wanneer hij schaakt.