Profiel: Frida Kahlo

Intens individualistische, tragische kunstenares

Iedere vijf jaar barst de «Fridamania» los. De Mexicaanse kunstenares Frida Kahlo (1907-1954) is al bijna een halve eeuw dood, maar over haar leven raakt niemand uitgepraat. Dit keer staat zij wederom volop in de belangstelling dankzij de (Mexicaanse) actrice Salma Hayek, die alles op alles zette — zelf nam ze een deel van de financiering op zich — om de rol van Frida te kunnen spelen in de gelijknamige film en de felle strijd won van grotere sekssymbolen als Jennifer Lopez en Madonna. Alledrie even gretig om de vertolking van een sterke, onafhankelijke bohémienne op hun naam te hebben staan.

Arme Frida. Dat haar levensverhaal moet worden verteld door Hollywood, symbool van het land dat zij weerzinwekkend vond en bevolkt zag door vervelende mensen met gezichten als «ongare koekjes». Maar Frida is, sinds Madonna haar ongegeneerde zelfportretten ontdekte en zich zei te identificeren met «haar pijn en verdriet», niet meer wie ze echt was. Ze is een fotogeniek embleem geworden dat het goed doet in elke museumwinkel. Een schilderachtige vrouw die staat voor de internationaal verder weinig bekende Mexicaanse cultuur. Verscheurd door pijn en verraad maar met ongekende levenslust, geeft Frida’s exotisch temperament kleur aan de bleekheid van het westerse bestaan, wanneer dat weer eens nodig is.

In eigen land werd de film nauwelijks geapprecieerd. De Mexicaanse actrice Ofelia Medina, die Frida speelde in Paul Leducs versie uit 1984, bedankte voor de eer aanwezig te zijn op de première van Frida: «Het lijkt me een lichte versie die correspondeert met een lichte wereld», zei ze. Ook de Mexicaanse critici zagen hun nationale flamboyante heldin liever niet in de gelikte versie van regisseur Julie Taymor. «Ze hebben niet alleen haar karakteristieke snor geëpileerd maar ook haar ideeën.»

Frida Kahlo mag door niemand worden ingelijfd. Dat zou haar onrecht doen. De cultus rond Frida is echter allang niet meer te stoppen. De merchandising van haar zelfportretten levert miljoenen op. Haar eens lang vergeten werk doet het inmiddels goed onder verzamelaars en celebrities, en wordt verkocht voor woekerprijzen. Frida prijkte zelfs al eens op een Amerikaanse postzegel en haar afbeelding werd door het automerk Volvo gebruikt om de belangstelling te trekken van Latijnse potentiële kopers. Ze concurreert als icoon de ene keer met Che Guevara, dan weer met Evita Perón en ze is vergeleken met Vincent van Gogh omdat haar leven minstens zo veel en in haar geval misschien nog wel meer tot de verbeelding spreekt dan haar werk.

Maar alle parafernalia terzijde, Frida Kahlo was een dappere, intens individualistische kunstenares. En dat is wat telt. Haar zelfportretten zijn uniek, door niemand, nergens ter wereld zo op het canvas gezet.

Magdalena Carmen Frida Kahlo, dochter van portretfotograaf Guillermo Kahlo, werd allereerst bekend als de veel jongere vrouw van de destijds al zeer beroemde «muralist» Diego Rivera (1898), el sapo, de pad genoemd.

Tijdens de Mexicaanse Revolutie woonde Rivera in Parijs en ontwikkelde zich als kunstenaar in de richting van het kubisme. Pas in 1922 kon hij terugkeren naar Mexico waar ondertussen de aanzet was gegeven om door middel van muurschilderingen in openbare gebouwen de bevolking historisch besef bij te brengen. Met zijn heroïsche sociaal-realistische taferelen veranderde Rivera het gezicht van de nationale kunst en werd de belangrijkste schilder van Mexico.

Hij was een kolossaal, grillig genie met uitpuilende ogen. Zij was een opvallende schoonheid met ravenzwarte haren en doorlopende wenkbrauwen, behangen met sieraden en gehuld in enkellange traditionele gewaden uit Tehuantepec. Samen vormden zij het middelpunt van de Mexicaanse artistieke intelligentsia, in de nadagen van de Revolutie onlosmakelijk verbonden met de politiek. Beiden sloten zich met andere vooraanstaande kunstenaars aan bij de internationale communistische beweging en sympathiseerden met Stalin, nadat zijn terreur tegen de boeren en de eigen partijgenoten al bekend was geworden.

Maar op verzoek van Rivera kreeg ook de Russische revolutionair Leon Trotski asiel in Mexico en werd met open armen ontvangen in Het Blauwe Huis van de Rivera’s, destijds aanlegsteiger voor iedere buitenlandse gast van enige betekenis, nu omgebouwd tot museum en bedevaartsoord. De Partij royeerde hem later wegens contrarevolutionair gedrag.

Hun weerbarstige huwelijksleven speelde zich af in het publieke domein. Voor Diego was iedere mooie vrouw een begeerde prooi. Frida, in het hart getroffen door het frequente overspel, legde het op haar beurt aan met vrouwen en mannen (onder wie Trotski). Na een kortstondige scheiding, veroorzaakt door Diego’s affaire met Frida’s zuster Christina, keerde zij op doktersadvies — «accepteer hem zoals hij is want je kunt toch niet zonder die man» — bij hem terug nadat zij woedend over het verraad haar weelderige haardos had afgeknipt (waar hij zo van hield) en een mannenpak aantrok (wat hij verafschuwde).

Iedereen kende hen bij hun voornaam. En zij kenden iedereen. Overal waar ze verschenen, ontstond commotie. Anders zorgden zij daar zelf wel voor.

Een jaar voor haar dood in 1953 — ze was 46 jaar oud — kreeg Kahlo haar eerste grote tentoonstelling in Mexico-stad. Ze was gesloopt door fysieke pijnen en verslaafd aan de morfine; haar gezondheid was zo ernstig verslechterd dat niemand de kunstenares verwachtte. Vijf minuten na de opening kwam een ambulance met gillende sirene de hoek om en werd de kunstenares op een brancard de zaal binnen gedragen, waar zij tot na middernacht audiëntie hield.

Het is een exemplarische anekdote, omdat hij Frida Kahlo’s ontembare levensdrang illustreert en haar voortdurende zucht zich van alles en iedereen te willen onderscheiden. Maar boven alles verwijst het verhaal naar haar dramatisering van het centrale thema op die tentoonstelling: Frida Kahlo zelf.

In de jaren tachtig werd uiteindelijk niet Diego maar Frida herontdekt als een kunstenares wier onversaagde schildering van haar eigen fysieke en emotionele leed niet alleen een nieuwe generatie aansprak, maar ook naadloos aansloot bij een tijd waarin ideologie plaats moest maken voor «het gevoel».

Diego Rivera werd toen Frida’s echtgenoot, vooral buiten Mexico. Niet dat hij tijdens hun leven haar kunst ontkende, maar zijn grootheid in leven en werk dimde toen nog bijna alle andere Mexicaanse lichten.

In tegenstelling tot Diego, die de Mexicaanse Revolutie (1910-1917) als muze gebruikte, keek Frida naar binnen en herleefde al schilderend de gevolgen van een verschrikkelijk ongeluk dat haar lichaam had verbrijzeld en haar verdere levensloop in grote mate zou bepalen.

Dat was in september 1925. De toen achttienjarige Frida zat in een bus die werd aangereden door een tram. Een leuning drong haar rug binnen en kwam door haar vagina naar buiten. «Ik verloor mijn maagdelijkheid», zei Frida spottend over de aanrijding. Dertig operaties volgden, ze bracht jaren in bed door, opgehangen aan katrollen om vergroeiing van haar in stukken gebroken wervelkolom tegen te gaan. Ze versleet 28 verschillende gipskorsetten en moest tot overmaat van ramp een door gangreen afgestorven voet laten amputeren.

«Ik desintegreer», schreef zij in haar dagboek (uiteraard ook gepubliceerd). Su majestad es coja: «Hare majesteit is kreupel.» Maar onmiddellijk relativerend: «Waar heb ik een voet voor nodig. Ik kan toch zeker vliegen!»

Vurig verlangend naar het nageslacht kreeg ze talloze miskramen en rouwde altijd om de niet en dood geboren kinderen van Diego en haar. Wat nog de meeste bewondering afdwong, is dat zij in plaats van weg te teren op haar eindeloze ziekbed letterlijk van de nood een deugd maakte. Boven haar bed liet zij een spiegel monteren en ze schilderde haar autobiografie. «Ik schilder mijzelf omdat het een onderwerp is wat ik het beste ken.»

Aanvankelijk haalde Frida haar inspiratie uit de kleuren en vormen van de Mexicaanse volkskunst, de kleine religieuze gedenkplaatjes en ex-votos. Ze doorbrak die traditie door zich te richten op een soort briefwisseling met de toeschouwer en de schilderkunst niet als metafoor te gebruiken maar als letterlijke verbeelding van een smartelijk leven.

Frida’s schilderijen werden steeds intiemer, gefixeerd op haar verminkte lichaam en haar verdriet over de onmogelijkheid van een voldragen zwangerschap. Wreed en delicaat schilderde zij zichzelf als hert doorzeefd met pijlen. In het prachtige De gebroken zuil huilt ze boven een naakt bovenlichaam beslagen met spijkers met in het midden een gebroken Griekse zuil. «Mijn werk», zei ze, «is de meest complete biografie die er over mij gemaakt zou kunnen worden.»

Ondertussen droeg haar losbandige levensstijl bij aan de mythe Frida die zij op eigen kracht tot stand bracht. De Franse kunstenaar André Breton, op bezoek in Mexico, claimde haar voor het surrealisme en noemde haar werk een «strik om een bom». Maar daar wilde ze niets van weten. «Ik ben geen surrealist», zei ze, «ik heb nooit dromen geschilderd, alleen mijn eigen werkelijkheid.»

Breton introduceerde haar bij andere surrealisten in Parijs, zoals Max Ernst, Marcel Duchamp en de dichter Paul Eluard. Ook Picasso bewonderde de directheid van haar schilderijen. Maar Frida was niet onder de indruk. Haar werk was geen product van wat zij een gedesillusioneerde Europese cultuur noemde, die zich noodgedwongen moest ontdoen van opgelegde beperkingen en het onderbewustzijn tot onderwerp maakte. «Artistieke hoerenlopers zijn het. Ik verkoop nog liever tortilla’s op de markt in Toluca dan dat ik naar hun oeverloze gezever over kunst en de revolutie moest luisteren.»

Een jaar voor haar waarschijnlijk zelf gekozen dood in 1954 zei Diego Rivera met vooruitziende blik tegen een kunstcritica: «Frida Kahlo is de grootste Mexicaanse schilder. Haar werk is voorbestemd zich te vermenigvuldigen door reproducties en zal de hele wereld aanspreken. Het is een schitterend artistiek document en de meest intense, persoonlijke getuigenis van onze tijd.» Rivera voorzag eveneens de huidige status van zijn vrouw als feministisch boegbeeld: «Het is de eerste keer in de kunstgeschiedenis dat een vrouw zo gruwelijk eerlijk, zo kalm maar onbarmhartig, uiting heeft gegeven aan de algemene en specifiek vrouwelijke levenservaring.»

Frida draait vanaf 30 januari in de Nederlandse bioscopen