De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Economie

Internet-monopolisten

Volgens Compete, een Amerikaans web analytics-bureau, waren de tien grootste websites in 2001 verantwoordelijk voor 31 procent van het websitebezoek. In 2010 absorbeerde deze toptien ruim 75 procent van al het websitebezoek. De chaotische begindagen van het internet hebben plaatsgemaakt voor een geplaveide digitale infrastructuur.

85 procent van alle Europese zoekopdrachten loopt via Google en ruim de helft van alle online advertenties wordt door Google geplaatst. Apple’s iTunes heeft 63 procent van de digitale muziekverkoop in handen. Tussen de zeventig en tachtig procent van alle online boekverkoop in de Verenigde Staten loopt via Amazon. Facebook trekt 57 procent van al het bezoek aan sociale-mediawebsites. En ga zo maar door.

Er zijn goede redenen waarom het internet, schijnbaar zo open en toegankelijk, zo’n sterke neiging tot monopolievorming heeft. Voor veel digitale infrastructuur gelden ‘netwerkeffecten’. De gebruikswaarde is afhankelijk van het aantal gebruikers. Een telefoon zonder andere telefoongebruikers heeft nul gebruikswaarde. Naarmate er meer mensen een telefoonaansluiting krijgen, neemt de waarde van de telefoon toe. Zo ook met sites als Facebook en Marktplaats. Hoe meer gebruikers er op Facebook komen en hoe meer verkopers en kopers op Marktplaats, hoe aantrekkelijker het is om er ook gebruik van te maken.

Als de netwerkeffecten groot genoeg zijn, is monopolievorming de natuurlijke uitkomst. Grote netwerken worden groter en wie niet groot genoeg is sterft af. Hyves, tot twee jaar geleden de grootste sociale-mediasite van Nederland, werd in 2010 voor 44 miljoen euro gekocht door Telegraaf Media Groep (TMG). Drie jaar na de desastreuze aankoop heeft TMG ruim negentig procent moeten afschrijven op de investering. Nog maar twee procent van de Nederlanders maakt dagelijks gebruik van Hyves. 38 procent zit dagelijks op Facebook.

Een tweede reden voor monopolievorming zijn doodordinaire schaalvoordelen. Google is inmiddels zo groot en weet zoveel van haar gebruikers dat ze adverteerders diensten kan bieden die voor de concurrentie en voor nieuwe bedrijven vrijwel onmogelijk zijn te repliceren. Op zoek naar een vrouwelijk publiek tussen de 35 en 40 jaar met een voorliefde voor lederen broeken en Shetland-pony’s? Google kent ze. Op zoek naar een economisch georiënteerd publiek dat vermoedt dat de wereld spoedig in een hyperinflatoire dodenspiraal ten onder gaat? Google weet ze te bereiken.

Om dit soort schaalvoordelen te behalen zijn enorme investeringen in servers, netwerkapparatuur en opslagsystemen vereist. Vorig jaar alleen al investeerde Google ruim 3,27 miljard dollar in internet-infrastructuur. Zulke investeringen zijn voor beginnende concurrenten niet op te brengen.

Als klap op de vuurpijl beschermen de internetmonopolisten hun imperia door zich in te dekken tegen de ontregelende werking van nieuwe intreders. Er bestaat natuurlijk altijd de mogelijkheid dat een stel bleke, bebrilde figuren in hun moeders kelder een product ontwikkelt dat hun verdienmodel kan ondermijnen. De beste verzekering tegen dit soort onwelkome innovatie is een oorlogskas. Apple had in 2013 zo’n 137 miljard dollar aan cash, Microsoft 68 miljard en Google 48 miljard. Met zulke reserves hebben de internetgiganten genoeg middelen om vrijwel elke beginnende concurrent over te nemen.

Vorig jaar kocht Facebook voor een miljard dollar Instagram, een populaire dienst waarop gebruikers foto’s met elkaar delen. Het bedrijf had tot dan toe geen dollar winst gemaakt. Waarom zou Facebook een bedrijf overnemen dat verlies draait? De primaire reden is defensief. Instagram groeide zo snel dat het bedrijf in de toekomst wel eens een bedreiging kon vormen voor Facebook. Een terechte zorg, want sinds de overname is het gebruikersbestand van Instagram bijna verdriedubbeld.

Dat internetmonopolisten steeds meer knooppunten op de digitale snelweg controleren, roept vragen op. De exploitatie van de digitale infrastructuur geeft enorme macht. Niet alleen kunnen bedrijven die zo’n knooppunt controleren, zoals het elk monopolie betaamt, exorbitante winst maken. Ook hebben ze de mogelijkheid om de regels van het internet te dicteren.

Hoeveel willen we over onszelf prijsgeven? Hoeveel commercialisering zijn we bereid te accepteren? Maar ook – disclaimer: eigen belang – hoe gaan bedrijfstakken als de journalistiek gefinancierd worden in een tijd waarin Google en Marktplaats hun traditionele, door advertenties gedreven verdienmodel ondermijnen? Het antwoord op al deze vragen is afhankelijk van het beleid van de monopolisten.

Hoe sympathiek Google en Apple ook zijn, zoveel geconcentreerde macht biedt reden tot zorg. Het internet is geen competitief, open walhalla. Het is een monopolie­machine.