Expositie: Hiwa K. vs. Bakir Ali

Intervallen die een noot kunnen worden

Een kunstenaar en een filosoof nemen het tegen elkaar op. In de ring rijst de vraag: moet Koerdistan een land zijn?

Medium day 01 rough cut.00 06 52 18.still004
Hiwa K., Pin-Down, 2017 © Daniel van Hauten en Veronika Schoberer

Op een recente woensdagmiddag op de rode vloer van een boksring in vechtsportschool El Otmani Gym in Slotervaart, Amsterdam, vliegen twee mannen elkaar aan. Niet ongewoon, op deze plek tussen de touwen, en toch komt de aanval volledig uit de lucht vallen, want midden in een beschaafd gesprek tussen een filosoof en een beeldend kunstenaar. De twee mannen hadden op hun knieën tegenover elkaar rustig zitten converseren, in het Koerdisch. Maar hier is het publiek rond de ring voor gekomen: hun was door de organisatie, kunstcentrum de Appel, een ‘intellectuele’ worstelsessie beloofd en de intellectuele kant van de ontmoeting tot dusver was voor de meesten onnavolgbaar, want onverstaanbaar geweest. Op een paar woorden na die uit de stroom Koerdisch oplichtten: context, post modern, zero-dimension, curator, internationaal kunstjargon dat in elke taal overeind blijft. Mensen lachen als de filosoof de naam van Boris Groys laat vallen.

Na een eerste ronde hebben de twee elkaar nu klemvast, Hiwa K. en Bakir Ali. De kunstenaar, die rond het nieuwe millennium op 25-jarige leeftijd naar Duitsland kwam, was in Irak een schilder van realistische kunst geweest. Inmiddels gaat het hem om echte ontmoetingen, oog om oog, tand om tand, en om het destilleren van ware kennis uit het dagelijks leven. Naast kunstenaar is hij musicus en toen hij erachter kwam dat hij zijn gitaardocent deelde met Tony Blair nodigde hij de oud-premier uit om samen eens te spelen, op hun flamencogitaren. Het is er tot op heden niet van gekomen, want Blair ging niet op de uitnodiging in, maar het zou wat zijn. In 2015 vertegenwoordigde Hiwa K. Irak op de Biënnale van Venetië met een bel in een Italiaanse kerk die hij had laten gieten uit metaal met een militair verleden. Oorlogen genoeg die dat afval in zijn land hadden achtergelaten. Ook die van Tony Blair.

Met Bakir Ali heeft hij wat hij noemt een ‘thinking affair’, samen denken ze al vele jaren. Ali is de vertaler van een aantal boeken van Peter Sloterdijk van het Duits naar het Koerdisch en oprichter van een Koerdisch magazine over filosofie genaamd Bunn. Vandaag worstelen ze zich samen door hun onderwerpen. De ontmoeting heet Pin-Down.

Bakir Ali ligt bovenop en houdt zijn handen om de polsen van de kunstenaar gevouwen. Hiwa K. richt zich in het Engels tot zijn publiek. Het gesprek gaat een andere richting op dan hij had verwacht, vertelt hij, anders dan de tekst die de mensen in een boekje uitgereikt hadden gekregen. Hij zal proberen tussen het worstelen door wat te vertalen. Het gesprek wordt hervat. Ali vraagt hem naar een nieuw kunstwerk dat te zien was op Documenta 14. Onder de trap in het conservatorium in Athene draaide de video waarin Hiwa K. met een lange stok met spiegels op zijn neus door Griekenland liep, stap voor stap, zoals zovelen het land op hun reis naar West-Europa te voet doorkruisen. Om de stok op zijn neus in balans te houden moest hij achterover leunen en omhoog kijken, naar de lucht waar de grond onder zijn voeten door de spiegels werd gereflecteerd. Hij liep vooruit, keek omhoog, maar zag het landschap. Als Ali hem vraagt of hij dat soms deed omdat hij zelf vluchteling was, vliegt Hiwa K. op hem af en geeft dan hijgend antwoord. In de vluchtelingencrisis is hij eigenlijk niet geïnteresseerd – ‘vluchtelingen maken zo’n twee procent van de bevolking uit, laten we het hebben over de mensen die het zich niet kunnen veroorloven om te verdrinken’.

Het spiegelwerk gaat voor hem over een manier van kijken. Toen hij in Europa asiel aanvroeg moest hij zijn stad zo nauwkeurig mogelijk omschrijven als bewijs voor de echtheid van zijn verhaal. Maar de rechter ging er niet in mee, die kende de stad alleen van de kaart, keek er met een ‘verticale’ blik op en vond geen houvast in Hiwa K.’s ‘horizontale’ omschrijving. ‘Vijf jaar lang werd ik niet geaccepteerd als vluchteling omdat ik mijn stad omschreef zoals die is.’ Zoveel ogen verschillen op eenzelfde manier van het perspectief van de rechter, zij moeten wachten, tien tot vijftien jaar lang in vluchtelingenkampen tot ze langzaam gek worden, antidepressiva slikken en soms zelfmoord plegen. Hiwa K. spreekt aan een stuk door, alleen steeds wat zachter, en zonder een punt te laten bij het ultieme dieptepunt – deportatie en executie – vliegt Ali op hem af, een attack in zijn buik, en blijft er even niets dan gekreun en genade over.

Je gebruikt je spiegels dus als een truc, zegt Ali, een westerse truc om het westerse oog te krijgen. Het doet hem denken aan Odysseus en hoe hij op zijn reis zijn mannen bijenwas in hun oren liet stoppen om hen te beschermen tegen het gezang van de Sirenen. Hij spreekt met Adorno wanneer hij zegt dat dat de eerste rationele truc van het Westen was en dat de kunstenaar diezelfde truc nu tegen het Westen gebruikt. Hiwa K. lacht, zegt dat hij nog nooit een taxichauffeur over Adorno heeft horen spreken. Sinds zijn vlucht uit Irak werkt Bakir Ali als taxichauffeur in Berlijn.

Hiwa K. vertaalt – ‘Hij zegt dat Koerden een truc gebruiken uit het dierenrijk’ – en plots zit Ali weer rechtop

Een uur lang verplaatsen hun lichamen zich door de ring en daarmee ook hun woorden, die dan weer van boven, dan weer van beneden klinken, afwisselend vanuit de positie van de sterkste en die van de zwakkere. Het vertalen halveert Hiwa K.’s spreektijd en dwingt hem met minder adem tot de kern van het gesprek te komen. Net als in eerder werk werpt hij zichzelf in de ring en belichaamt zijn kunst een strijd.

Het gaat over manieren om van a naar b te komen en om de gereedschappen, de trucs, die daarvoor nodig zijn. Hiwa K. bezocht eens de poort van Ishtar, de oudste poort van Babylon, maar in Irak is dat een kopie want het origineel staat in Berlijn. Hij reisde toen van die neppe poort in Irak naar de echte in Duitsland om gestalte te geven aan een reis die geen sporen naliet. Hij noemt het symptomatisch voor de cultuur in zijn regio: het lijden aan een vorm van ‘spoorloosheid’ dat dwingt tot doen alsof, ‘zoals ik doe alsof ik kunstenaar ben’. Langzaam raakt hij uitgeput van de worsteling met Ali, hijgt als iemand die na een lange tocht zijn verhaal doet.

Het referendum van de Koerden, waarbij een deel van een volk van veertig miljoen de gelegenheid krijgt om zich uit te spreken of het een land wil zijn of niet, is die middag nog ruim een week weg. Koerd zijn, zegt Hiwa K., betekent uitgestrekt zijn, naar Deleuze: het begint vanuit het midden zonder begin en zonder eind. Hij ziet het als een muziekstuk. ‘Ik denk dat de landen die ons omringen, Turkije, Syrië, Irak en Iran als de officiële klanken zijn, als de noten c en d, en wij zijn de intervallen. We bestaan, maar we staan niet officieel op de kaart. En mijn vraag aan Bakir is of het belangrijk is dat wij een noot worden, want nu zijn we als een vallei waar de klanken en afbeeldingen in kunnen sijpelen.’

Ali antwoordt dat hij ‘Kurdishness’ ziet als een ‘akoestische’ fenomenologie. Veertig miljoen mensen zonder land betekent veertig miljoen mensen zonder een kader. Dat de Koerden het in de geschiedenis niet is gelukt om een duidelijk beeld van zichzelf te scheppen is volgens hem de reden dat ze nu in deze situatie verkeren. Hiwa K.: ‘Mijn relatie met geschiedenis, of beter gezegd mijn affaire – ik heb alleen affaires, met kunstgeschiedenis, met muziek et cetera – komt voort uit de vreemde positie van Koerd-zijn. De grenzen lopen niet langs mijn periferie of door mijn centrum, want ik ben opgedeeld in vier delen. Dat is interessant want mijn grenzen zíjn zo het centrum en tegelijkertijd ligt Koerdistan niet aan een grens omdat het verdeeld is over vier landen.’ Ali oppert het beeld van een kruisiging, er wordt gelachen en de mannen worstelen verder. Ali noemt het woord Scheintod, uit een titel van Sloterdijk, spreidt zijn armen uit in de greep van de ander en laat zijn hoofd slap één kant op hangen. Hiwa K. vertaalt – ‘Hij zegt dat Koerden een truc gebruiken uit het dierenrijk’ – en plots zit Ali weer rechtop. ‘Voor dood spelen om te overleven.’

Met de tentoonstelling van Hiwa K. opent de Appel deze week een nieuwe plek in de stad. Eerder nog werd door de directeur, Niels Van Tomme, een nomadisch bestaan omarmd toen ze de Prins Hendrikkade verlieten. Ze zouden kunst laten opduiken op verschillende plekken in de stad maar hebben nu toch voor één plek gekozen. Een registratie van de worstelwedstrijd zal er als een van twee nieuwe kunstwerken van Hiwa K. gepresenteerd worden, naast ander werk onder de overkoepelende titel To remember, sometimes you need different archeological tools.

Het geduw en getrek en het gesprek gingen nog even door maar met steeds minder kracht voor vertaling. Tegen het eind zei Hiwa K. nog dat Ali beweerde dat westerlingen meer als Shylock uit The Merchant of Venice zijn, de geldverstrekker die zijn deel opeist, dan als Hamlet. Wat denken jullie, vroeg hij zijn publiek. Wat denk jij, vroeg hij de directeur van de Appel. Die antwoordde bevestigend. Maar het definiëren van een eigen afkomst blijft gecompliceerd wanneer die plek officieel niet bestaat. De kunstenaar werd aangekondigd als een Koerdisch-Iraakse kunstenaar en de filosoof als een Iraaks-Koerdische filosoof. En een andere keer, in een andere context, is het weer andersom. Hiwa K. beëindigde de wedstrijd met te zeggen dat hij niet weet of de Koerden een land nodig hebben. Niet om Koerd te zijn.

Het referendum is voorbij, de Koerden stemden massaal voor. De Iraakse premier wil de regio isoleren, internationale vliegmaatschappijen gaven toe en vliegen er sindsdien met een boog omheen. Waar omheen precies is de vraag.


Hiwa K., To remember, sometimes you need different archeological tools. De Appel aan de Schipluidenlaan 12, Amsterdam, 7 otober - 16 december