Intervenieren is vooruitzien

De terugtrekking van de laatste blauwhelmen uit Mogadishu gaat gepaard met felle gevechten tussen Somalische benden om de controle over de haven en het vliegveld. De Washington Post schreef: ‘De evacuatie is het bittere einde van een vergeefse poging om Somalie van zichzelf te redden.’ Maar niets is minder waar. In grote delen van Somalie hebben de landbouw, de handel en zelfs de export zich hersteld. In de provinciehoofdstad Baidoa is het voedselaanbod op de markt weer even overvloedig als tien jaar geleden. ‘We hebben levens gered, we hebben de nood gelenigd en in grote delen van het land het dagelijks leven hersteld’, aldus de VN-ondersecretaris voor Vredeshandhaving, Kofi Annan.

Hoogstens lijden de VN, en in het bijzonder de Amerikanen, gezichtsverlies omdat zij na twee jaar militair machtsvertoon de aftocht moeten blazen. Waarom bleven de onmiskenbare successen op humanitair gebied zonder politieke bekroning, zodat Somalie opnieuw gevaar loopt om af te glijden naar de totale chaos? In zijn rapport aan de Veiligheidsraad legt VN-secretaris Boutros Ghali alle schuld bij de Somalische leiders: ‘Ondanks de langdurige beproevingen van het Somalische volk zijn de leiders niet bereid om hun persoonlijke ambitie en machtsstreven ondergeschikt te maken aan een duurzame vrede.’ Met andere woorden: de onverzettelijkheid van de krijgsheren - die twee jaar geleden de reden was om te intervenieren in Somalie - wordt nu aangevoerd als reden voor de terugtrekking. Dit lijkt een analyse, maar het is een brevet van onvermogen.
Oorspronkelijk voorzag operatie Restore Hope in de ontwapening van de krijgsheren. Daarna zou een burgerbestuur van Somaliers en VN-personeel aan de wederopbouw van het land gaan werken. Maar van de opbouw van een burgermaatschappij kwam niets terecht. Ondanks waarschuwingen van Somalische intellectuelen noodden de Amerikanen niet de clan-oudsten maar de krijgsheren naar de onderhandelingstafel. Hun vredesverdragen waren in de Somalische clan-maatschappij van generlei waarde omdat ze niet gepaard gingen met de traditionele verzoeningsrituelen, maar de krijgsheren ontleenden er wel machtsaanspraken aan, zodat nieuwe bloedige confrontaties onvermijdelijk waren.
Achteraf moet je de Somalische Rakya Omaar, oprichtster van de mensenrechtenorganisatie African Rights en een felle tegenstandster van deze top-down- benadering, gelijk geven: het negeren van de plaatselijke realiteit en van de plaatselijke bevolking is het recept voor een ramp. Zoals de geslaagde VN-interventie in Cambodja bewijst, kan een grondige bestudering van de voorgeschiedenis het verschil uitmaken tussen succes en mislukking. Op den duur is zelfs een early warning-system denkbaar waardoor geweldsuitbarstingen kunnen worden voorkomen, maar tot nog toe ontbreekt de wetenschappelijke infrastructuur voor dergelijke voornemens. Minister Pronk heeft onlangs zes miljoen gulden uitgetrokken voor het onderzoeksprogramma Sephis, dat historici in de Derde Wereld in staat stelt om vanuit een niet- westerse optiek onderzoek te doen naar ontwikkelingsproblemen. Het is een bescheiden begin, maar ook intervenieren is vooruitzien.