Vrezen voor het Kosovo-scenario

Interventies verergeren de situatie bijna altijd

Defensie-experts Rob de Wijk en Christ Klep hebben serieuze twijfels bij de interventie in Libië. ‘We zijn de luchtmacht van de rebellen geworden, maar wie zijn dat eigenlijk?’ En: ‘Soms moet je denken: had Kadhafi Benghazi maar ingenomen.’

‘HET IS een afwachtmissie’, zegt militair historicus Christ Klep. 'We hebben weinig in de melk te brokkelen, dus kijken we de kat uit de boom. De no fly-zone is al afgedwongen door de Amerikanen, de Britten en de Fransen. Daar zijn wij niet meer voor nodig.’
'Als we in Libië ingrijpen, waarom dan straks niet ook in Jemen, Syrië, Bahrein en Saoedi-Arabië?’ vraagt defensiedeskundige Rob de Wijk, directeur van het Den Haag Centrum voor Strategische Studies, zich af. 'Daar laten dictators ook op hun bevolking schieten.’ Hij wijst erop dat Bahrein en Saoedi-Arabië veel belangrijker zijn voor de energievoorziening dan Libië, dat maar twee procent van de wereldwijde olieproductie voor zijn rekening neemt: 'Straks komt de olievoorziening in gevaar, maar hebben we geen militaire capaciteit meer omdat de Navo vastzit in Libië en Afghanistan.’
Twee van ’s lands leidende defensie-experts krabben zich achter de oren over de luchtacties boven Libië. Nederland draagt bij met zes F-16’s en een tankvliegtuig dat volgende week al terugkeert. Tot hun verbazing levert Nederland ook een mijnenjager, een schip dat te klein, te summier uitgerust en veel te langzaam is om effectief bij te dragen aan het wapenembargo - want dat was waar de Nederlandse militairen zich in eerste instantie mee zouden gaan bezighouden.
De strijd in Libië is een schoolvoorbeeld van de ongenadige dynamiek die moderne oorlogvoering kenmerkt. De internationale gemeenschap lijkt te worden meegesleurd in de draaikolk. Op 26 februari nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1970 aan die opriep tot een einde aan al het geweld in Libië en voorzag in een wapenembargo. Intussen namen de rebellen, die Kadhafi willen verdrijven en zeggen een democratie te willen instellen, het initiatief. Hun opmars naar het westen, richting de hoofdstad Tripoli, werd echter gestaakt door Kadhafi’s tankeenheden, die vervolgens oprukten naar het oosten. Op 17 maart probeerde de internationale gemeenschap Kadhafi’s opmars tot staan te brengen met resolutie 1973 die een vliegverbod instelde en de VN-lidstaten machtigde om 'met de inzet van alle noodzakelijke middelen’ de burgerbevolking te beschermen. Die formulering betekent dat het gebruik van geweld is toegestaan. Kadhafi was niet onder de indruk. Zijn troepen stonden voor Benghazi, bakermat van de rebellie. 'We komen vannacht’, zei hij op de staatstelevisie, kort nadat de resolutie was aangenomen, 'en we zullen geen genade kennen.’ De volgende dag beschoten zijn tanks de stad, waarbij ruim twintig doden zouden zijn gevallen. Maar het lukte hem niet Benghazi in te nemen. Twee dagen later, 20 maart, begonnen de luchtaanvallen. Inmiddels zijn de rebellen weer aan het oprukken naar het westen.
Christ Klep en Rob de Wijk vermoeden dat het niet zal blijven bij de inzet van schepen en vliegtuigen, ook al is in resolutie 1973 expliciet vastgelegd dat geen 'foreign occupation force’ is toegestaan. Klep: 'Waarschijnlijk hoopt men op een patstelling. Maar dan heb je alsnog een stabilisatiemacht op de grond nodig om de boel rustig te houden. Een stabilisatiemacht is geen bezettingsmacht. Normaal gesproken gaat Nederland daarvoor. Zo'n macht is goed verkoopbaar, want het gaat over mensenrechten en de internationale rechtsorde.’ De Wijk: 'Tegen tanks in de steden kun je vanuit de lucht niets uithalen. Dan moet je eenheden op de grond hebben om ze uit te schakelen. Kadhafi geeft zich echt niet zomaar gewonnen, die heeft ook tanks klaarstaan in steden die hij nog in handen heeft. Je ontkomt dus niet aan grondtroepen. Een klassiek geval van mission creep.’
In feite is die mission creep - het sluipenderwijs uitbreiden van de missie - al aan de gang. Nederland wilde zijn militairen slechts inzetten in Navo-verband. Aanvankelijk ruziede de Navo over het gebruik van geweld, waarbij vooral de Turken (niet blij met weer een westerse oorlog in een moslimland) en de Duitsers (bang voor escalatie) dwarslagen. De no fly-zone werd daarom afgedwongen door Fransen, Britten en Amerikanen, die in een speciaal comité samenwerkten met de luchtmachten van Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten. Enkele dagen later besloot de Navo toch de no fly-zone te gaan afdwingen, maar dan zonder het aanvallen van gronddoelen die geen dreiging voor de vliegtuigen vormden. Zondag besloot de Navo zelfs de héle resolutie te gaan uitvoeren, dus inclusief aanvallen op Kadhafi’s tanks. Het besluit zou woensdagavond ingaan. De Nederlandse F-16’s kunnen nu dus gaan bombarderen - om de burgerbevolking te helpen.

HUMANITAIRE interventie, oorlog voeren om mensen te redden, het is een echo uit het verleden. In 1999 bombardeerde de Navo tijdens de Kosovo-oorlog 78 dagen lang doelen in Servië en Montenegro. Internationaal-rechtelijk gezien was de oorlog illegaal, want de VN hadden geen toestemming gegeven. Maar politiek en moreel meende de Navo in zijn recht te staan: het betrof immers een humanitaire interventie.
Kosovo was een klassiek geval van mission creep. De bombardementen waren begonnen als een drukmiddel om Milosevic te dwingen tot een akkoord met de Kosovo-Albanezen. De verwachting was dat hij na een dag of vijf het vredesakkoord met de rebellen zou tekenen. Maar vanaf dag één van de luchtaanvallen liep alles anders. Milosevic’ paramilitaire eenheden openden de jacht op Kosovo-Albanezen en begonnen onder het oog van de straaljagerpiloten een ongekende etnische zuivering: ruim een miljoen mensen raakten op drift. Toen pas bestempelde de Navo de bommencampagne tot humanitaire interventie. Toen de militaire doelen op raakten en Milosevic nog steeds van geen wijken wist, bombardeerde de Navo 'strategische burgerdoelen met militaire toepassing’: bruggen, wegen, waterzuiveringsinstallaties, elektriciteitscentrales. Tijdens een aanval op de staatstelevisie in Belgrado werden zestien journalisten en technici gedood. Volgens Amnesty International betrof het een oorlogsmisdaad.
Niet alleen ontaardden de bombardementen, ook heeft de Navo tot op vandaag eenheden in Kosovo gestationeerd. Wat begon als een beperkte bommencampagne om druk uit te oefenen, eindigde in een nu al elf jaar durende operatie met grondtroepen, en het eind is nog niet in zicht. Een nachtmerrie voor elke politicus. De invloed van het schimmige Albanese rebellenleger UCK heeft het ministaatje Kosovo bovendien tot een van de meest criminele plekken van Europa gemaakt, waar eind vorig jaar de premier door de Raad van Europa werd beschuldigd leiding te hebben gegeven aan een maffiagroep die onder meer zou hebben gehandeld in de organen van vermoorde Servische burgers. Jamie Shea, tijdens de Kosovo-oorlog Navo-woordvoerder, zei in 2005, zes jaar nadat hij de luchtoorlog tot een klinkende overwinning had uitgeroepen: 'Niemand wil verder met de enorme puinhoop die er op dit moment heerst.’
'Kosovo is de operatie waarmee je wat er nu in Libië gebeurt het best kunt vergelijken’, zegt Rob de Wijk. In 2000 publiceerde hij het boek Pyrrus in Kosovo: Hoe het Westen de oorlog niet kon winnen en zelfs bijna verloor, een genadeloze analyse van de operatie. Conclusie: een coalitie van democratieën is niet geschikt om een korte, krachtige oorlog te voeren - de Navo ging als bondgenootschap bijna aan het geruzie ten onder. En humanitaire interventie werkt niet, zeker niet vanuit de lucht. De Wijk: 'We waren de luchtmacht van het UCK, nu zijn we dat van de Libische rebellen. Ook nu weten we niet goed wie dat zijn. We hebben te maken met een tribale samenleving, waarbij dan ook nog eens in de steden de stammen door elkaar wonen. De rebellen vertegenwoordigen andere stammen dan de Kadhafi-aanhangers. Dat is het recept voor een langdurige burgeroorlog.’
Net als ten tijde van Kosovo wordt ook de Libië-interventie gekenmerkt door breed geformuleerde doelen. Het geweld moet stoppen, de burgers moeten worden beschermd. Maar met welke middelen? Wat als de rebellen gaan moorden in Kadhafi’s thuisbasis Sirte? Worden zij dan ook gebombardeerd? Wat als het ook nu vanuit de lucht niet lukt? Moet dan een grondoorlog worden voorbereid? En Kadhafi? Officieel is regime change geen doel van het ingrijpen, zoals president Obama benadrukte, maar zowel de EU-leiders als Obama hebben duidelijk gemaakt dat hij van het toneel moet verdwijnen. Wat als hij blijft en het land uiteenvalt? Is de internationale inmenging dan ten einde? De Wijk: 'Politici maken steeds opnieuw dezelfde fout. Ze trappen in hun eigen val. Er wordt van alles geroepen over de noodzaak om in te grijpen, over het beschermen van de bevolking en het verdwijnen van Kadhafi. Beelden in de media versterken het gevoel dat er moet worden opgetreden. En dan zit je eraan vast.’
In het huidige parlement zitten elf parlementariërs die er ook al zaten toen Nederland besloot deel te nemen aan de luchtoorlog tegen Milosevic. Harry van Bommel (SP) stemde destijds met zijn fractie tegen de bombardementen en ook nu onthield de SP zijn steun aan de acties. 'Opnieuw spelen tv-beelden een grote rol’, zegt hij. 'Vanuit de Kamer wordt geroepen: dit kan niet, we moeten erop af! Dat is oprechte emotie, maar het is voor politieke besluitvorming geen goede basis.’ Ook Kees van der Staaij (SGP) zat in 1999 in de Tweede Kamer. Zijn partij steunde destijds het ingrijpen en zit ook nu op die lijn. 'Ik heb wel veel vragen. Wat zijn de perspectieven als we meedoen met de no fly-zone? We dragen een grote verantwoordelijkheid. Maar net als toen vind ik: we moeten iets doen.’
'Ingrijpen verergert de situatie vrijwel altijd’, zegt Rob de Wijk. 'Dat komt omdat je de dynamiek uit het conflict haalt. Het duurt veel langer en daardoor vallen meer slachtoffers. In mijn vak moet je de zaken soms cynisch bekijken: had Kadhafi Benghazi maar ingenomen, dat was dan even door de zure appel heen bijten, want het zou een hoop doden hebben gekost, maar de rust zou dan wel zijn weergekeerd. Nu moeten we vrezen dat we te maken krijgen met een Kosovo-scenario.’