Sylvain Ephimenco

Interview met de dode

Ik staarde naar de dode in zijn kist. Geen twijfel: hij was er geweest. Geel van kleur, perkamenten huid, koud. Buiten was er een dodenherdenking aan de gang maar binnen heerste een doodse stilte. Ik kreeg het al snel doodsbenauwd. De dode opende zijn ogen en keek me aan met een dooie blik.

Hoe is dat gekomen? vroeg ik doodleuk.

Doodgewoon: ik keek de dood recht in de ogen en werd blind. Daarna werd ik doodziek.

Doodzonde toch

Kun je wel zeggen. En terwijl ik doodziek en blind in mijn bed lag te creperen kreeg ik een doodskus van mijn vrouw. Dat was de doodsteek: ik kon gaan. Op zich vond ik het logisch. Thuis was het altijd een dooie boel geweest. Ons seksleven was zo dood als een pier. Mijn vrouw, moet u weten, was een dood eenvoudige Belgische uit Ieper.

De dodenakkers?

Precies. Altijd ruzie thuis. Was ik voor Gore dan was zij plots voor Bush. Vanwege de 44 keer dat hij in Texas de doodstraf liet uitvoeren. «Je kunt dood vallen», schreeuwde ik tijdens de hertelling, maar ze lachte zich dood. Behalve als zij een eierdooier aan haar wodka toevoegde. Dan werd zij doodkalm wat me paradoxaal genoeg dood ongelukkig maakte. Dan liep ze in haar dooie naar buiten om vreemd te gaan.

Daar werd je zeker doodmoe van?

Doodernstig is een beter woord. Ik begon over het leven te filosoferen en werd lid van de plaatselijke voetbalclub. Ik vond die jongens bij zwart en zwart doodeerlijk. Ze konden mijn techniek ook wel waarderen. Ik was heel goed in de dode spelmomenten. Zomaar uit een dode hoek schieten, een bal dood leggen of een doodschop aan een tegenstander verkopen, daar was ik een kei in. Maar het leukste vond ik de verlenging vanwege de sudden death. Vaak keerde ik doodop naar huis terug. Ik vertelde altijd het verloop van de wedstrijd aan mijn vrouw maar aan voetbal had ze een broertje dood. «We hebben doodsimpel gewonnen», juichte ik terwijl ze haar lippen stiftte om alweer vreemd te gaan. «Je bent blij met een dooie mus», antwoordde ze onveranderlijk.

Jullie relatie was kennelijk op een dood spoor beland

Ja, je kunt dat doodeng vinden maar ik raakte er wel aan gewend. Ik ergerde me wel dood aan al die minnaars die ze soms op haar dooie gemak mee naar huis nam. Ze aten al mijn borrelnootjes en dronken mijn bier.

Mort subite?

Nee, dood bier. Zonder bubbels en alcoholvrij. Ik probeerde wel met haar minnaars over de zin van het bestaan te polemiseren maar dat onderwerp vonden ze meestal een dooddoener. Ik schaamde me dood en ging weer over tot de orde van de dag. Bijvoorbeeld, het lezen van Nooit meer slapen, mijn favoriete boek. Altijd hetzelfde boek en dezelfde geluiden uit de slaapkamer. De dood in de pot, zeg maar. En terwijl ik me doodverveelde, gingen al die minnaars er met de buit vandoor.

De een zijn dood is de ander zijn brood. Heb je nooit aan scheiden gedacht?

Om de dooie dood niet! Ik ben katholiek opgevoed. Liever duizend doden sterven. Ik begon te drinken. Vieux met tequila en stukjes gemarineerde citroen. Alcohol werd de nagel aan mijn doodskist.

Buiten was de dodenherdenking voorbij. Ik stond op en groette de dode. En terwijl hij me teruggroette, dacht ik aan de eerste zin van L'étranger van Albert Camus: «Aujourd'hui maman est morte.»