Onderzoekscommissies hebben geen nut

Interview met militair-historicus Christ Klep

Historicus Christ Klep onderzocht onderzoeken naar ontspoorde vredesmissies. Voor hem heeft de Nederlandse commotie rond Irak een hoog déjà vu-gehalte. ‘Natúúrlijk is zo’n commissie een doofpot.’

OVERSTE THOM KARREMANS, met zijn droevig hangende snor, en de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic die hem overbluft. Nederlandse tenen trekken krom bij deze beelden. We herkennen ze meteen. Srebrenica 1995. Zwarte pagina in onze recente geschiedenis.
Een donkere jongen, de handen op de rug gebonden, en een blanke militair in een mouwloos shirt. Met een klauwende hand houdt de militair het hoofd van de jongen vast. Hij wijst naar het toegetakelde gezicht en kijkt recht in de lens. Irak, Abu Ghraib denken wij, maar elke Canadees weet: dit is Shidane Arone, de Somalische jongen die in 1993 door Canadese VN-vredesmilitairen werd doodgemarteld.
Ook de Belgen hebben hun eigen trauma-icoon. Een foto van een wit gebouwtje vol kogelgaten. Hier werden in 1994 tien paracommando’s – het enige Belgische elitekorps – vermoord door Rwandese militairen. De geschokte Belgen trokken hun blauwhelmen terug en maakten zo de weg vrij voor de Rwandese genocide die achthonderdduizend Tutsi’s en gematigde Hutu’s het leven kostte.
Elk van deze trauma’s werd uitvoerig onderzocht. Historicus Christ Klep onderzocht op zijn beurt de betreffende onderzoekscommissies in Canada, België en Nederland. Hij was vooral geïnteresseerd in processen van politieke verantwoording. Klep is als onderzoeker en docent verbonden aan de Universiteit Utrecht. Zijn proefschrift Somalië, Rwanda, Srebrenica: De nasleep van drie ontspoorde vredesmissies (Boom) verscheen begin februari, aan de vooravond van het onderzoek door de commissie-Davids naar het Nederlandse besluit politieke steun te bieden aan de Amerikaans-Britse oorlog tegen Irak. Een dissertatie over een historisch onderwerp dat opeens weer actueel is. Het is de droom van elke onderzoeker.
De onderzoekscommissie: het lijkt een ritueel verschijnsel waaraan een parlementaire democratie zich niet kan onttrekken. Hoe lang premier Balkenende ook verzet bood, het Irak-onderzoek is onstuitbaar onderweg. Het ziet er echter naar uit dat hij niet veel te duchten heeft, want veel leverden ze niet op, de door Klep behandelde onderzoeken die zo moeizaam door oppositiepartijen werden afgedwongen. Steeds wisten de regeringen de rapportages onschadelijk te maken door ‘een drievoudige contra-aanpak’, zoals Klep schrijft: ‘Een combinatie van kritiek én lof, plus de stelling dat de rapporten bij publicatie reeds waren ingehaald door geëntameerd regeringsbeleid.’
Uiteindelijk werd door niemand verantwoording afgelegd, tot woede en verbijstering van de nabestaanden. Na de onderzoeken verslapte de media-aandacht. De politici kwamen ermee weg, evenals de ambtelijke en militaire top. ‘Het aantal ontsnappingsroutes uit het labyrint van verantwoordelijkheid [is] zo goed als oneindig’, concludeert Klep.
‘Onderzoekscommissies hebben geen nut. Ze worden bij dit soort zware morele kwesties altijd te laat ingesteld. Meteen als het fout is gegaan moet de vraag zijn: gaan we hier oprecht verantwoording over afleggen of niet? Als je die vraag niet onmiddellijk met ja beantwoordt, en je kiest voor technocratisch onderzoek, dan is dat een verkeerde keuze.’ Klep pleit voor snelheid en zuiverheid. ‘Je moet binnen enkele weken nadat het is misgegaan de basale feiten al op een rijtje hebben. En je moet dit overlaten aan het parlement. Je moet dit niet uitbesteden aan onafhankelijke commissies, want het gaat om politieke verantwoordelijkheid.’
Juist daar gaat het mis. Volgens Klep dient behoorlijk onderzoek te beginnen met het aftreden van verantwoordelijke bewindslieden. Zo wordt de arena vrijgemaakt en draait het niet meer om poppetjes die zich krampachtig vastklampen aan het pluche, maar om de noodlottige gebeurtenissen zelf. ‘In essentie is het probleem duidelijk: er is iets heel erg misgegaan. Laten we nu als land of als politiek systeem onze verantwoordelijkheid nemen. Treed af, dan kunnen we onderzoeken hoe het zit. Blijkbaar is dat heel moeilijk voor politici. Ik denk dan: hoezo? Zo hebben we ons politiek systeem toch ingericht? Het doodmartelen van een jongetje; het overdragen van moslimmannen aan de Bosnische Serviërs; terugtrekken terwijl een enorme moordpartij dreigt: wat moet er nog gebeuren voordat een minister aftreedt?’
Politici verwarren het nemen van politieke verantwoordelijkheid met het bekennen van schuld, aldus Klep. ‘Politieke verantwoordelijkheid is bedoeld om beleid te sturen, maar in alledrie de landen die ik onderzocht werd het tot een persoonlijk schuldprobleem gemaakt. Wat mij tegen de borst stuit is dat er vaak geschermd wordt met aftreden. “Eigenlijk had ik willen aftreden”, zei Joris Voorhoeve (minister van Defensie tijdens Srebrenica – jb) tijdens zijn verhoor. Iets hield hem blijkbaar tegen. Wat is dan nog het morele gehalte van die uitspraak? Wat is dan nog je invulling van politieke verantwoordelijkheid? Aftreden moet je je in deze kwestie niet eens afvragen, dat moet je gewoon doen.’
Maar premier Kok trad in 2002 af en met hem het hele kabinet.
‘Dat was zeven jaar na dato. Er zijn in Srebrenica achtduizend mannen vermoord. Hoe kan zoiets ernstigs pas zeven jaar later bij je doordringen? De verantwoordelijkheid die Kok genomen heeft is niet tastbaar genoeg, niet symbolisch genoeg en niet geloofwaardig genoeg.’ Kok bleef maar zeggen dat zijn aftreden niet betekende dat Nederland schuld bekende. Volgens Klep een overbodige opmerking die toont hoe bang politici zijn geworden om hun verantwoordelijkheid te nemen. ‘Bij het aftreden gaat het om de politieke functie. Pas als je blijft zitten en daarmee een verkeerde politieke lading geeft aan het onderzoek gaat het over jou als politiek persoon.’
Heeft het zin om het reconstrueren van de gebeurtenissen en de politieke verantwoordelijkheid van elkaar te scheiden?
‘Het is onmogelijk om te weten te komen wat er precies gebeurd is. Bij alledrie de ontspoorde vredesmissies bleek dat er juist op cruciale momenten zwarte gaten in de informatie zijn, ook al hoort elke militair zo veel mogelijk vast te leggen. De een heeft wel een radiobericht gehoord, de ander niet. Dat gebeurde bij de Canadezen, de Belgen én de Nederlanders. Na het vertrek van de vluchtelingen uit Srebrenica had Dutchbat vijf dagen de tijd om materiaal te verzamelen en rapporten te schrijven. Dat staat in de voorschriften. Het is niet gebeurd, want iedereen wist: hier is iets heel ernstigs gebeurd – oppassen nu.’
Ten tijde van Srebrenica werkte Klep bij het Instituut voor Militaire Geschiedenis. Hij werd als lid van een ‘feitencommissie’ naar Zagreb gestuurd, waar hij als een van de eersten overste Karremans interviewde. ‘Ik merkte aan Karremans dat hij zich veel dingen niet meer kon herinneren. Soms wist hij alleen nog dat het nacht was. “Het was donker”, zei hij dan. Van de datum had hij geen idee. Maar lees zijn boek en het is een logische opeenvolging van chronologische gebeurtenissen. Je kon aan veel mensen merken dat ze al bezig waren met het verantwoordingsproces.’
In de loop van de tijd vergaarde Klep veel kennis over verantwoordingsprocessen en werd hij een van de lopende databases van Defensie. ‘Maar we werden alleen maar ingeschakeld als er iets mis was. Als er weer eens een document opdook, bijvoorbeeld. Dan was het steeds: wie is verantwoordelijk, waar komt dat document vandaan, wie heeft het onder ogen gehad? En natuurlijk: hoe kunnen we hier een geloofwaardig verhaal van maken? Op een bepaald moment voltrok zich het fantastische scenario dat Voorhoeve tijdens een persconferentie aan het uitleggen was dat er nu echt geen nieuwe documenten meer waren, terwijl achter in de zaal zijn voorlichter stond te zwaaien met alweer iets nieuws. Voorhoeve werd regelmatig misleid en verkeerd voorgelicht door zijn ambtenaren, maar hij deed er niks aan.’

U VINDT het onderzoek een taak van het parlement, terwijl dat doorgaans zelf een rol speelde bij de besluitvorming over de missie die het moet onderzoeken. Is onafhankelijk onderzoek beter?
‘Wat je ook aan feiten achterhaalt, de discussie zal altijd gaan over wie verantwoordelijk was. Het gaat niet om de feiten, maar om hun interpretatie. We hebben het over moord, marteling en in het geval van Irak om misleiding van het parlement. Vanaf het allereerste begin is de ethische lading zo groot dat alle belanghebbenden met het onderzoeksmateriaal aan de haal zullen gaan. Dat is wat ik de kaping van het onderzoek noem. Het NIOD schreef meer dan drieduizend bladzijden en nóg waren we er niet uit, want Mient Jan Faber pakte bladzijde zoveel erbij en zei: “Zie je wel dat Karremans het fout deed.” “Nee hoor”, zei Defensie, “kijk maar op pagina huppeldepup. Hij kon niet anders.” Een onafhankelijke commissie kan rapporten schrijven van twintigduizend bladzijden en dan nóg heeft ze de verantwoordelijkheidsvraag niet opgelost.’
Zijn onafhankelijke commissies een instrument in handen van de regering?
‘Natúúrlijk is zo’n commissie een doofpot. Tijd is in dit soort gevallen in het voordeel van degene die geen onderzoek wil. Met het instellen van een commissie kun je tijd rekken. Dat zie je ook nu rond Irak. Het opvallende is met wat voor gemak het steeds gebeurt. In alledrie de landen die ik onderzocht wachtte men rustig af, terwijl juist een actieve houding gevraagd werd: materiaal verzamelen en je voorbereiden op het afleggen van verantwoordelijkheid.’

HOE HET verder zal gaan met het Irak-onderzoek van de onafhankelijke commissie-Davids kan Klep wel zo’n beetje uittekenen: ‘Eerst wordt de commissie bekend. Dan komt het mandaat aan de orde. Ik voorspel dat het een heel breed mandaat zal zijn, omdat de regering niet de indruk wil wekken dat ze ook maar iets te verbergen heeft. Ze mogen alles hebben en alles zien. Een groot gedeelte van de kwestie draait echter om buitenlandse intel (materiaal van inlichtingendiensten – jb) en daar zal de commissie niet de hand op kunnen leggen. Dat schept ruimte voor conspiratietheorieën, die doen het goed. Intussen zullen journalisten met onthullingen komen. Ik schat zo elke twee weken eentje. Ze zijn nu al bezig met het graven naar documenten.’
In het eindrapport zullen conclusies staan die nauwelijks verrassen, zoals: ‘Het is niet erg goed gegaan’ en ‘De besluitvorming had beter gekund’, doorgaans vergezeld van de opmerking dat het gaat om wijsheid achteraf. ‘De regering had beter moeten overleggen met het parlement’ en ‘De coördinatie moet beter’ zijn volgens Klep gouwe ouwen in onderzoeksland. ‘Zo’n commissie wijst geen verantwoordelijken aan, maar trekt conclusies die kunnen leiden tot beleidsmaatregelen. Dat zie je bij alle commissies – ze eindigen met een hoofdstukje aanbevelingen.’
Niemand treedt af en de aanbevelingen zullen grotendeels worden genegeerd. Na de onderzoeken zal de media-aandacht wegsterven en verdwijnt de affaire in de vergetelheid. Volgens Christ Klep is het allemaal verspilde moeite. ‘Het wordt een onbevredigende exercitie.’