‘De camera is een modern wapen’

Interview met Toby Young

Toby Young is het enfant terrible van de Britse journalistiek. Een gesprek over zijn samenwerking met de huidige burgemeester van Londen Boris Johnson, over humorloos Amerika en over zijn beroemde vader, de baron.

NA EEN ENERVERENDE winterreis vind ik mezelf op een grauwe donderdagochtend terug in de West-Londense tuinwijk Acton. Een bejaarde dame maakt haar stoep ijsvrij, een helmdragende postbode loopt zijn ronde en ik twijfel. Woonde de roemruchte Engelse journalist Toby Young (45) nu op nummer 17 of 19? Na wat getob loop ik naar de deur waar een bos sleutels in het slot hangt. Het blijkt de juiste beslissing te zijn. Youngs vrouw Caroline opent de deur en leidt me naar de keuken. Dankzij het sterk autobiografische karakter van Youngs oeuvre weet ik dat ze het jongere zusje van een ex-geliefde is, rechten heeft gestudeerd en met Gordon Brown heeft gedanst. Young vroeg haar op de avond van de millenniumwisseling ten huwelijk in een chalet te Val d’Isère.
Na een tijdje komt de kale gastheer binnen, het enfant terrible van de Britse journalistiek. Van zijn veelbeschreven ‘negatieve charisma’ is vooralsnog niets te merken. De geboren Londenaar Toby Daniel Moorsom Young, een baronet, begon zijn journalistieke carrière met de oprichting van The Modern Review, waarin geleerde stukken verschenen over populaire cultuur. Mick Jagger Meets Marcuse. Onder anderen Nick Hornby en Camille Paglia werkten eraan mee. Het leverde hem de titel ‘Young Journalist of the Year’ op. Na een ruzie met medeoprichtster Julie Burchill, een ander lastig kind in de Britse journalistiek, hief hij het blad zonder haar medeweten op. Hij kreeg een tijdelijk contract aangeboden bij Vanity Fair, waar hij zich door ontactisch, brutaal en eigenzinnig gedrag onmogelijk maakte. Het voornaamste resultaat van zijn vierjarige verblijf in New York was het onlangs verfilmde boek How to Lose Friends & Alienate People.
Met die bestseller, die door 22 uitgevers was afgewezen, vestigde hij zijn faam als de mannelijke Bridget Jones. Na te zijn teruggekeerd in Londen kreeg hij een nieuwe kans om Amerika te veroveren, ditmaal via Hollywood. Het schitterende ongeluk waartoe dit leidde, is vastgelegd in het boek The Sound of No Hands Clapping, waar een toneelstuk van werd gemaakt. Tussen de bedrijven door werd hij door vrijwel alle Engelse dagbladen ontslagen, maar dankzij een combinatie van ruimhartigheid en amnesie op Fleet Street heeft hij nog steeds columns in The Spectator, The Guardian, The Evening Standard en The Independent on Sunday. Een mijlpaal in zijn atypische loopbaan was het toneelstuk Who’s the Daddy, dat hij met zijn collega Lloyd Evans schreef over buitenechtelijke affaires op de burelen van ’s werelds oudste nog bestaande opinieweekblad, The Spectator.

NA HET ZETTEN van de koffie beantwoordt Young nog snel een zakelijk telefoontje waarin de naam van Carol Thatcher valt. De dochter van de voormalige premier is net door de BBC ontslagen nadat ze achter de schermen een Frans-Congolese tennisspeler niet alleen had vergeleken met een kikker, maar ook met een golliwog, een zwartgekleurde speelgoedpop. Andere studiogasten waren overstuur geraakt. Ik vraag Young, ervaringsdeskundige in de kunst van het al dan niet bewust beledigen, waarom iedereen tegenwoordig zo snel gekwetst is.
‘Er is een nieuw recht ontstaan, het recht om niet te worden beledigd’, zegt Young. ‘Ik maakte er voor het eerst kennis mee op Harvard, waar ik eind jaren tachtig heb gestudeerd. Je kon bijna niets zeggen zonder iemand te beledigen. Er heerste een beklemmende morele consensus en afwijkende meningen werden niet getolereerd, laat staan thought crimes. In mijn tien man tellende werkgroep tijdens mijn studie op Oxford waren meer verschillende visies, van communistisch tot fascistisch, vertegenwoordigd dan op de hele sociaal-politieke faculteit van Harvard, waar slechts verschillende tinten liberalism bestonden.’
Tussen deze flarden van cultuurkritiek duikt de naam van Alexis de Tocqueville op, de Franse aristocraat die in de eerste helft van de negentiende eeuw naar Amerika reisde en op basis van zijn observaties Democracy in America schreef. Daarin sprak hij zijn bewondering uit voor de democratie, om tegelijkertijd te waarschuwen voor de zachte onderdrukking door de tirannieke meerderheid, onder meer leidend tot homogeniteit en middelmatigheid. Dat mechanisme zag Young niet alleen op Harvard maar ook in de Amerikaanse journalistiek. Hij was er vol verwachting naartoe gegaan, met in het achterhoofd de Watergate-affaire maar vooral ook het satirische blad Spy. De burelen van Vanity Fair bleken echter meer weg te hebben van een Dynasty-set dan van een toonaangevend maandblad. De aldaar aanwezige journalisten schreven niet over de celebrity-cultuur, zo merkte Young, maar maakten er deel van uit, en dat terwijl hoofdredacteur Graydon Carter nota bene een voormalig Spy-redacteur was. Hij miste het gevoel als journalist lid te zijn van een anarchistische broederschap die, levend op een alcoholdieet, fungeert als luis in de pels.
Meer in het algemeen trof Young in New York een gebrek aan pluriformiteit en lef aan. ‘Het is ongelooflijk dat New York maar één echte kwaliteitskrant en één tabloid heeft. Vergelijk dat eens met Londen. Gemiddeld genomen is de Amerikaanse journalistiek beter en feitelijk gezien juister dan de Engelse, maar de beste Engelse is veel beter dan de beste Amerikaanse. De meeste journalisten volgen de huisstijl, zelfs in The New Yorker. Die is meestal basaal, smakeloos en gelijkmatig. Bijna niemand zingt zijn eigen lied.’
Een ander gemis tijdens zijn Amerikaanse jaren was de onbezorgde humor: ‘Ik zeg niet dat Amerikanen geen humor hebben, maar het heeft een afgebakend plaatsje gekregen. Op de bühne van de stand-up comedian, op de set van een sitcom… Het is niet de bedoeling om grappen te maken tijdens een serieus gesprek over politiek, in een hoofdredactioneel van een dagblad of in de lift tegen een aantrekkelijke jongedame. In Engeland daarentegen is humor onderdeel van het dagelijks leven. Het is overal toegestaan. Ik herinner me dat Boris Johnson ooit een vermakelijk stuk had geschreven voor The New York Times. Elke grap werd geschrapt.’
Met de Londense burgemeester Boris Johnson is een belangrijke naam in Youngs loopbaan gevallen. De twee kennen elkaar van Oxford, waar Johnson op Baliol de klassieken bestudeerde en Young, na door een administratieve fout te zijn toegelaten, op Brasenose Politics, Philosophy & Economics, door Evelyn Waugh ‘the self-publicist degree’ genoemd. De alom geliefde Johnson zou het hoofdredacteurschap van een satirisch blad van Young overnemen. Johnson haalde Young binnen bij The Spectator en Young hielp zijn chum bij de campagne voor de Londense burgemeestersverkiezingen. De twee hebben niet alleen gemeen dat ze vier kinderen hebben en ooit door dezelfde hoofdredacteur van The Times zijn ontslagen (Young had reeds op zijn eerste dag het wachtwoord van de hoofdredacteur gekraakt om onder diens naam subversieve berichten te versturen), maar ook dat ze al blunderend door het leven lijken te gaan. Young vindt de vergelijking niet helemaal opgaan: ‘Boris is een stuk verstrooider, verlegener en goedaardiger dan ik. Hij is iemand die zijn paraplu vergeet mee te nemen als het regent, terwijl ik iemand anders z’n paraplu zou hebben gestolen.’
Johnson zal opduiken in een Man on Wire-achtig docudrama dat Young voor Channel 4 gaat maken over de invloed van Oxford op het landsbestuur: ‘Veel van de politici die de komende jaren een prominente rol gaan spelen, kennen elkaar van de studentenpolitiek op Oxford. Ik wil niet alleen de werking van het Old Boys Network laten zien, maar ook het onderwerp “class” behandelen. Enkelen van hen hebben op de kostschool Eton gezeten. Het klinkt misschien raar voor een Nederlander, maar sinds de jaren zestig was een verleden op een goede school als Eton een onoverkomelijke handicap voor wie een publiek ambt wilde bekleden. En nu hebben we een Old Etonian als burgemeester van Londen en een andere Old Etonian, David Cameron, als aanstaande premier. De twee zijn op verschillende manieren over hun handicap heen gekomen: Cameron heeft zich, net als Blair, als een gewone jongen – “noem me maar Dave” – gemanifesteerd, terwijl Boris door het leven gaat als een karikatuur van een toff, een beetje als Stephen Fry. Door zijn clowneske optreden en ontwapenende houding heeft hij zijn elitaire achtergrond onschadelijk gemaakt.’
In het ouderlijk huis was ‘class’ een gevoelig onderwerp. Youngs vader was de bekende socioloog Michael Young, later: baron Young, die veel schreef over sociale vernieuwing en bij tientallen sociale instellingen actief was, waarvan hij enkele zelf had opgericht. De Open Universiteit was zijn geesteskind. Hij ging naar de progressieve school Dartington, die werd geleid door het welgestelde en sociaal bewogen echtpaar Elmhirst. Het paar ontfermde zich over de jonge Michael, wiens ouders gescheiden waren. Ze namen hem zelfs een keer mee naar het Witte Huis voor een diner met president Roosevelt.
In 1945 schreef Young het manifest waarmee Clement Attlee verrassend de verkiezingen won. Hoewel hij altijd zou pleiten voor een socialistische, egalitaire samenleving had hij een zwak voor het paternalistische noblesse oblige binnen een verlichte klassenmaatschappij, wat mede te maken had met zijn eigen ervaringen op Dartington. Minder had hij op met een maatschappelijk onderscheid dat was gebaseerd op talent en vaardigheden, waaraan hij eind jaren vijftig de term ‘meritocratie’ gaf in het boek The Rise of the Meritocracy. Meritocratie was volgens de oude Young de slechtste van alle mogelijke werelden. Het hield de kapitalistische hiërarchie in stand, maar dan zonder de sociale bewogenheid. Tot de komst van Blair zou het meritocratische uitgangspunt taboe zijn binnen links.
Is de meritocratische maatschappijvisie van Blair aangeslagen in Engeland? Er volgt een stilte: ‘Ja en nee. Het terrein waar de meritocratie geslaagd is, is de celebritycultuur. Dit Amerikaanse exportproduct is nergens zo goed aangeslagen als in Engeland. Maar in het onderwijs heerst nog steeds het egalitaire uitgangspunt, waar mijn vader een voorstander van was, dat kinderen met uiteenlopende vaardigheden samen in een klas moeten zitten.’ Nu zijn eigen kinderen één voor één naar school gaan, merkt Young hoe bar het is gesteld met het staatsonderwijs. Hij vertelt dat de Conservatieve Partij het Zweedse model wil overnemen waarin ouders zelf, met steun van de overheid, een vrije school kunnen beginnen.
Samen met zijn eega probeert Young een kleine middelbare school te starten, maar de gemeente Ealing weigert mee te werken: ‘Ik blijf het proberen en ben van plan om een televisiedocumentaire van mijn kansloze pogingen te maken, net zoals Jamie Oliver dat heeft gedaan met de schoolmenu’s. De camera is een modern wapen bij sociale hervorming.’
Bij het verlaten van huize Young informeer ik naar de staatkundige oriëntatie van deze telg uit een rode familie. ‘Laten we dat maar houden op een wat getikte conservatief, maar eentje die wel steeds serieuzer wordt.’ Hij werpt snel een blik op zijn kokende vrouw, in de hoop dat zij het tweede deel van de zin niet heeft gehoord.