Jongerenwerkers samen met de jongeren op straat. Wijkpark Transvaal. © David Rozing / Hollandse Hoogte

Een gesprekje thuis, met die van dertien. De situatie is als volgt: hij hangt op de bank met zijn telefoon in zijn hand, natuurlijk. Ik probeer een gesprek met hem te voeren. Of ze het op school over Sinterklaas hebben gehad. Hij kijkt heel kort en niet begrijpend op, geeft geen antwoord en richt zijn blik weer op zijn mobiel. Wat zijn vrienden van Zwarte Piet vinden. ‘Zwarte Piet?’ Hij kijkt alsof hem net een impertinente vraag is gesteld. ‘Daar hebben we het nooit over, maar het is gewoon racistisch.’ Even later gaat het over zijn vrienden W. en J. Ze zitten nu zo’n drie maanden bij elkaar in de klas, zijn altijd samen op en rond school. De naam van de een doet vermoeden dat hij (voor)ouders heeft die uit het Midden-Oosten komen, die van de ander uit het Caribisch Gebied. Aan die van dertien wordt de vraag gesteld wat hun afkomst is. ‘Gewoon.’ En hij voegt eraan toe: ‘Nooit gevraagd. Boeit toch ook niet.’

Nog een gesprek, nu op de radio en tussen twee generatiegenoten. De ouders van de vragensteller komen uit Turkije, hij is geboren en getogen in het oosten van het land. De roots van de geïnterviewde, een echte Rotterdammer, liggen in Marokko. Het is een mooi gesprek, omdat de twee dezelfde taal spreken; beiden hebben als kind van migranten vele hobbels genomen tot het punt waar ze nu zijn, hoog op de sociale ladder. Het gaat over opgroeien in een samenleving waar je op voorhand verdacht bent, over het middelpunt zijn van het publieke debat zonder daar zelf een stem in te hebben en de woede die dat soort zaken veroorzaakten terwijl ze volwassen werden. En dan zegt de interviewer: ‘Steeds meer mensen met jouw en mijn achtergrond gingen nadenken: wat betekent dat dan, die culturele en religieuze achtergrond die we hebben? Denk je dat het minder aan het worden is?’

Het wordt minder, zegt de ander, hoewel het nooit helemaal over zal gaan. ‘Maar ik merk een relaxtheid. Kijk naar jongere generaties. Als je kijkt naar hoe zij omgaan met dit soort thema’s, dan denk ik: wij praten over dingen die voor hen geen rol meer spelen.’ De interviewer: ‘Ik denk dat het zelfs helemaal geen thema’s meer zijn voor die groepen. Die zijn veel meer bezig met gender, milieu, klimaat.’ Zij ontmoeten elkaar veel meer, voegt hij eraan toe. Ze concluderen: integratie en aanverwante zaken zijn ‘oude-mensentopics’ aan het worden.

Er is de contacthypothese, die bekend werd door Harvard-psycholoog Gordon Allport. Hij schreef er in 1954 over in zijn boek The Nature of Prejudice. In het kort komt het erop neer dat als mensen uit verschillende (etnische) groepen contact met elkaar hebben, dat vooroordelen wegneemt en zorgt voor meer empathie. ‘De ander’ is niet meer zo vreemd en eng, de angst neemt af en het wordt makkelijker je te verplaatsen in iemand uit de andere groep. Het is een theorie die door tal van onderzoeken wordt gestaafd.

In Nederland gebeurt dat meer en meer. Niet alleen op scholen en voetbalclubs in de Randstad komen mensen van allerlei afkomst met elkaar in contact, ook op televisie en online media blijkt dat mensen van kleur ook gewoon mensen zijn. Dan is die roep om diversiteit toch niet voor niets.

Er is ook steeds meer om minder boos over te zijn. Op de site van het Nederlands Jeugdinstituut staat dat steeds meer kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond naar de havo of het vwo gaan. Het aantal jongeren met een migratieachtergrond dat in Nederland een hbo- of wo-opleiding volgt is de afgelopen twintig jaar gestegen. En de stijging is het grootst onder jongeren met een Turkse (van zeven procent in 2000 naar achttien procent in 2019) en Marokkaanse (van acht procent in 2000 naar negentien procent in 2019) migratieachtergrond.

Zeker, er is ook het scp-rapport Gevestigd, maar niet thuis. De onderzoekers komen tot de conclusie dat mensen met een migratieachtergrond die al langer in Nederland zijn of in Nederland zijn geboren ‘somber zijn over het politieke systeem en vaak discriminatie ervaren vanwege hun afkomst. De helft van hen vindt Nederland geen gastvrij land voor mensen met een migratieachtergrond.’

Laten we zeggen dat er de laatste jaren iets verandert. Natuurlijk mag dat nog meer, maar het gaat de goede kant op. De generatie van de mannen van de radio, mijn generatie, zag dat Zwarte Piet nogal racistisch is en durfde dat te benoemen. Er werd zelfs verandering geëist. De generaties na ons vinden die verandering vanzelfsprekend. Want aan die van dertien werd ook de vraag gesteld wat hij van de integratie in Nederland vond. Hij keek deze keer niet eens op van zijn telefoon en zei alleen maar: ‘Intewát?’

Alle andere positieve ontwikkelingen zijn hier terug te lezen.