Bericht uit Irak

Intifada Iraakse stijl

9 april 2003 was de dag dat Bagdad in handen viel van Amerikaanse troepen. Eén later jaar komt de stad tegen ze in opstand. Donald Rumsfeld beweert dat het verzet bestaat uit niet meer dan een stelletje «boeven, bendes en terroristen». Dit is gevaarlijk en wishful denken. De oorlog tegen de bezetting wordt nu uitgevochten in de openbaarheid, door gewone mensen die hun huizen en buurten verdedigen — een Iraakse intifada.

«Ze hebben onze speelplaats gestolen», zei een jongetje van acht in Sadr-stad deze week tegen me, en wees naar zes tanks die op een voetbalveld geparkeerd stonden, naast een roestige sportzaal. Het veld is een kostbaar stukje groen in een deel van Bagdad dat verder een moeras van ongezuiverd riool water en niet-opgehaald huisvuil is.

Sadr-stad heeft maar weinig meegekregen van de multi-miljard-dollar-«wederopbouw» van Irak, wat voor een deel verklaart waarom Muqtader Sadr en zijn Mahadi-leger hier zo veel aanhangers hebben. Vóórdat de Amerikaanse bezettingschef Paul Bremer Sadr aanzette tot een gewapend conflict door zijn krant te sluiten en zijn adjuncten te arresteren en te doden, streed het Mahadi-leger niet tegen coalitietroepen, maar deed hun werk voor hen. Per slot van rekening is de CPA in het jaar dat het Bagdad heeft gecontroleerd er nog niet in geslaagd de verkeerslichten werkend te krijgen of de meest fundamentele veiligheid voor burgers te verzorgen. Dus kun je in Sadr-stad de zogenaamde «vogelvrijen-militia» van Sadr zien, verwikkeld in subversieve activiteiten als het verkeer regelen en fabrieken beschermen tegen plunderaars. Op een bepaalde manier is het Mahadi-leger even goed de schepping van Bremer als van Sadr: het was Bremer die het veiligheidsvacuüm van Irak creëerde — Sadr heeft het opgevuld.

Maar nu de «overdracht» van 30 juni nadert, beschouwt Bremer Sadr en Mahadi als een bedreiging die moet worden geëlimineerd, samen met de gemeenschappen die op ze zijn gaan vertrouwen. Dat is waarom gesto len speelplaatsen slechts het begin waren van wat ik deze week in Sadr-stad zag. Bij het Al-Thawra-ziekenhuis ontmoette ik Raad Daier, een 36 jarige ambulancechauffeur met een kogel in zijn buik, één van de twaalf schoten die werden afgevuurd op zijn ziekenwagen vanuit een Amerikaanse humvee. Volgens ziekenhuismedewerkers vervoerde hij op het moment van de aanslag zes mensen die waren verwond door Amerikaanse troepen, waaronder een zwangere vrouw die in haar maag was geschoten en haar kind had verloren.

Ik zag uitgebrande auto’s die volgens tientallen ooggetuigen waren geraakt door Amerikaanse raketten. Lokale ziekenhuizen bevestigden dat de bestuurders levend waren verbrand. Ik bezocht ook Blok 37 van het Chuadir-district van Sadr-stad, een rij huizen waar iedere deur doorzeefd was. Bewoners zeiden dat Amerikaanse tanks door hun straat reden en de huizen beschoten. Vijf mensen werden gedood, onder wie Murtada Muhammad, vier jaar oud.

En gisteren zag ik iets waarvoor ik banger was dan al het andere: een exemplaar van de koran met een kogelgat erin. Het lag in de puinhopen van wat het hoofdkwartier van Sadr in Sadr-stad was. Een paar uur eerder, zeggen getuigen, verwoestten twee Amerikaanse tanks de muren van het centrum terwijl twee geleide raketten het dak doorboorden en enorme kraters in de grond maakten.

Maar de ergste schade werd toegebracht met de hand. Medewerkers op het kantoor van Sadr zeggen dat Amerikaanse militairen het gebouw in gingen en ruw foto’s verscheurden van ayatollah al-Sistani, de hoogste sjiitische geestelijke in Irak. Toen ik bij het verwoeste centrum aankwam, was de vloer bedekt met flarden van religieuze teksten, waaronder diverse exemplaren van de koran die kapot waren gescheurd en doorboord met kogels. En het was niet aan de aandacht van de sjiïeten hier ontsnapt dat uren eerder Amerikaanse soldaten een soennitische moskee in Fallujah hadden gebombardeerd.

Maandenlang heeft het Witte Huis onheilspellende voorspellingen gedaan over een burgeroorlog die zou uitbreken tussen de meerderheid van sjiïeten, die geloven dat het hún beurt is om Irak te besturen, en de soennitische minderheid, die de privileges wil behouden die ze onder het regime van Saddam Hoessein heeft verkregen. Maar deze week lijkt het tegenovergestelde te hebben plaatsgevonden. Van zowel soennieten als sjiïeten zijn de woonwijken aangevallen en religieuze plaatsen ontheiligd. Tegenover een gezamenlijke vijand beginnen ze nu oude vetes te begraven en hun krachten te bundelen tegen de bezetters. Ze staan niet op de rand van een burgeroorlog maar van het optrekken van een gemeenschappelijk front.

Je kon het donderdag zien bij de moskeeën in Sadr-stad: duizenden sjiïeten in de rij om bloed te geven, bestemd voor soennieten die gewond waren geraakt bij de aanslagen in Fallujah. «We moeten Paul Bremer bedanken», zei Salih Ali tegen me. «Eindelijk heeft hij Irak weten te verenigen. Tegen hem.»