Intimiteit

We fietsten naar Den Hoorn en al direct aan het begin van de Buitenwatersloot viel het ons op dat er wel erg veel mensen op stoeltjes aan de waterkant zaten. Aardig weer nog, maar wat deden ze daar allemaal? Was er een leuk monster gesignaleerd? Ging er straks een viswedstrijd plaatsvinden? Wilde men met eigen neus vaststellen dat de weggelopen suikerstroop van DSM Gist ook dit water had bereikt? Met eigen ogen?

‘Wat doen al die mensen toch?’ vroeg ik. 'Ik zou het niet weten’, zei mijn vrouw. We fietsten langs meer en meer mensen aan de waterkant. Op klapstoeltjes, stoelen van bij de eettafel, krukken, een bank. Kop koffie in de hand. Thermoskan op de grond. Ook op de brug stonden duistere belangstellenden. Ik meende nu en dan een gezicht te herkennen, maar mijn aandacht moest snel weer naar het fietspad. 'Maar wat doen al die mensen toch?’ vroeg ik. 'Ik zou het echt niet weten’, zei mijn vrouw, 'misschien stond er iets aangekondigd in de Delftse Post.’ Roepende mensen nu, vrouw met glas wijn, man met fles bier, draaiende hoofden, mensen die elkaar toezwaaiden, harde muziek uit een radio, mensen die elkaar de hand schudden, gelach. Kinderen die aan het fluisteren waren, honden die overstaken. Den Hoorn centrum. 'Er staat iets te gebeuren’, zei ik. 'Ja, maar wat?’ zei mijn vrouw, 'gaan we hier rechtdoor?’ 'Nou, laten we richting Schipluiden gaan, daar zitten zo te zien ook allemaal mensen.’ De lucht begon te betrekken. Een halve kilometer verder parkeerden we onze fietsen in het gras, naast wat mensen die zich leken te hebben opgedoft. Eentje begon plotseling te wijzen, een ander volgde. Stemmen schoten heen en weer over het water. Men boog zich verder naar voren. En zo konden we kijken naar het varend corso van het Westland. Veel bloemen en planten, veel groenten en fruit. De meeste schuiten zwijgend, sommige schuiten vol toeteraars of zangers, een enkele schuit met geluidsinstallatie. De bemanning maakte grappen en groette. Mensen op de kant groetten terug en applaudisseerden. Schuiten verkleed als klein vliegveld, als huwelijksboot, als boot van Sinterklaas, als vissersboot, als sprookje… Van kwekers, constructiebedrijven, exporteurs, groeimiddelen, de Westlandse VSB, Ecu, snackbar… Mensen waren blij voor elkaar. En daar kwam een schuit met iets erachter, een tankstationnetje van de Westlandse BP-vestigingen. Die man aan het roer! 'Ik ken die man ergens van’, zei ik, 'zijn gezicht, zijn ogen, zijn kaken, zijn haar, zijn wenkbrauwen.’ Mijn vrouw keek me aan. 'Ja’, zei ik, 'hij doet me in elk geval aan iemand denken, ik weet niet of ik hem wel in het echt heb gezien, of waar, of wanneer, maar dat hoofd ken ik…’ We wachtten op het laatste opblaasbootje van de politie en stapten weer op de fiets. 'Ik heb wel zin in dropjes’, zei mijn vrouw toen we langs het station reden. 'Welke zal ik kopen?’ vroeg ik. 'Doe maar zoete munten.’ Ik zette mijn fiets tegen een paal en ging de stationshal in. Het hoofd van die ene man liet me niet los. Ik kocht dropjes en ging kijken bij de tijdschriften. Toen bij de kranten en toen bij de boeken. Kijken zonder iets te zien. Maar ik vond hem, de laatste cowboy, op de voorkant, in een soort van vragende omhelzing, sprekend.