Introverte extase

Niemand zal willen betwisten dat Karlheinz Stockhausen een megalomaan componist is. Het ultieme voorbeeld hiervan is zijn ‘Gesamtkunstwerk’ Licht, waarin hij de schepping van de wereld nog eens dunnetjes overdoet. Precies 25 jaar heeft Stockhausen voor zijn levenswerk uitgetrokken: in het jaar 2002 zal dit zeven avonden omvattende muziektheaterwerk voltooid zijn.

Niet minder pretentieus van gedachte is het orkestwerk Inori uit 1974, dat afgelopen zaterdag in de Vara-matinee werd uitgevoerd. In 72 minuten heeft Stockhausen de ontwikkeling van de westerse muziek samengebald. In vijf delen toon hij de evolutie van een louter ritmisch gestructureerde muziek, via dynamiek en melodie, naar een harmonisch geconcipieerde muziek. De kroon op deze ontwikkeling is een complexe polyfone structuur. Voor minder doet hij het niet.
Stockhausen is echter tegelijkertijd de meester van de nuance. Terwijl hij aan de ene kant de oorsprong en de toekomst van het heelal in zijn muziek wil vatten, probeert hij aan de andere kant de kleinste muzikale molecuul te ontleden. Zo is er in Inori sprake van zestig dynamische niveaus! Op het zachtste niveau speelt één fluit pianissimo, op het hardste niveau speelt het hele orkest fortissimo. Elke nuance die zich daartussen bevindt, is gedefinieerd en verbonden aan andere muzikale parameters.
Op het eerste gezicht is de boomhut die over het orkest is gebouwd het meest opvallende aan Inori. ‘Inori’ betekent namelijk gebed in het Japans. Stockhausen heeft gebedshoudingen van over de hele wereld verzameld en in de partituur meegecomponeerd. Deze gebarentaal wordt door twee mimers, onder wie zijn rechterhand de fluitiste Kathinka Pasveer, op dit plateau uitgevoerd. Het zijn serene, gestileerde gebaren die allerlei kenmerken van de muziek weerspiegelen. Maar eerlijk gezegd voegt dit spel weinig toe aan de muziek, die van een adembenemende schoonheid is. Het eerste half uur van Inori staat geheel in dienst van een steeds verder gaande reductie. Als in een mantra wordt één toon herhaald en herhaald. Hoogstens is er in ritmisch opzicht enige beweging, maar eigenlijk is de muziek volkomen introvert en minimaal. Het effect daarvan is dat de oren gewassen worden. Alles wat daarna komt - van het kleinste melodische motiefje tot het onopvallendste crescendo - heeft een enorme impact.
Toch verveelt de luisteraar zich dat eerste half uur niet. Als een camera die inzoomt op een detail wordt het oor steeds gevoeliger voor nuances in klankkleur en timbre - het terrein waarop Stockhausen uitblinkt. Na dit meditatieve begin barst het los. Het muzikale weefsel wordt steeds voller en vollediger. Door de groeiende harmonische spanning ontstaat een ware extase - een transcendentaal moment dat Stockhausen zelfs buiten de tijdsberekening van het stuk liet.
Inori ging in 1974 in Donaueschingen in première. Stockhausen was zich bewust hoe provocerend het onderwerp in dit 'rode hol’ was: 'Je kunt je nauwelijks voorstellen hoe antireligieus de sfeer was. Om Inori daar midden in te plaatsen - het was alsof ik Gaudí was.’ In 25 jaar tijd is veel veranderd: de vage mystieke en religieuze noties van Stockhausen lijken nu naadloos aan te sluiten op een even vaag New Age-publiek. Dat laat onverlet dat de muziek buitengewoon precies is.