OPERA Tristan und Isolde

INTUÏTIEF ENTHOUSIASME

De reprise van de Tristan und Isolde-productie uit 2001 markeerde de terugkeer van Ingo Metzmacher in de bak van het Muziektheater. Na de teleurstellende Mozart-trilogie van 2006 zegde hij, gebelgd, zijn verbintenissen in Nederland op en vertrok naar Berlijn. De ontvangst vorige week was opmerkelijk hartelijk. Toch lijkt er bij mij in het beluisteren (en bekijken) van Metzmacher een merkwaardig gevoel van onzekerheid geslopen. Het is alsof je hem met een blad porseleinen koffiekopjes de trap op ziet lopen: hij is een stevige jongen, hij heeft nog nooit iets laten vallen, en toch ben je er niet helemaal gerust op.
Die achterdocht was hier niet gerechtvaardigd. Metzmacher bleek zijn Tristan stevig en eigenzinnig (traag) onder de arm te hebben genomen en het NedPho, dat inmiddels een door de wol geverfd Wagner-orkest genoemd mag worden, ging ermee akkoord. De lage strijkers, met name, kregen van de dirigent alle ruimte, en zij vormden een indringende ondergrond, waarop de fijnere stukjes en schrille accenten konden worden ingepenseeld. Metzmacher blijft een man van intuïtief enthousiasme, niet van beredeneerd gepietepeuter; als zijn orkest daar niet van schrikt kan er wel degelijk iets ontstaan.
Muzikaal was Tristan und Isolde dan ook zeer goed. De beide hoofdrollen waren van grote klasse, al had Stig Andersen (Tristan) bij de première wat problemen in het derde deel. Linda Watson (Isolde) was af en toe zelfs fantastisch – vurig, vinnig, wanhopig en krachtig, meestal meerdere emoties tegelijk. Een getergde koningin, een sluwe toverkol, een gekrenkte weduwe; daarna een verloren geliefde, eerst tomeloos, verlangend naar verlossing in de dood, uiteindelijk halfwaanzinnig. Daarbij blonken ook de twee kleinere rollen uit. Heidi Brunner (Brangäne) was prachtig, zeker in haar ‘onzichtbare’ rol als uitkijk, in deel twee, en Stephen Milling (König Marke) was nog beter. Hij maakte van zijn lange solo in het tweede deel bijna een kleine opera-binnen-de-opera.
Natuurlijk was er ook een decor (van Annette Murschetz), dat schijnt nu eenmaal zo te horen. Het beste wat ervan gezegd kan worden was dat het in het eerste deel onsamenhangend, in het tweede bijna-hilarisch en in het derde functioneel was. Nu leent Tristan zich toch al niet zo goed voor episch spektakel, maar de enscenering hier leidde ertoe dat het liefdesduet in het tweede deel statisch, bijna concertant werd gebracht. Zo openbaarde zich de voornaamste verdienste van het decorontwerp: men gaat zich vanzelf op de zangers concentreren.

Tristan und Isolde, De Nederlandse Opera, Muziektheater Amsterdam, t/m 28 mei