H.J.A. Hofland

Invalide

President Bush heeft volkomen gelijk! De toestand in Irak doet denken aan die in Vietnam in 1968. Toen ontketende de Vietcong daar zijn Tet-offensief, terwijl in Amerika de verkiezingen naderden. Het is goed mogelijk dat de strijdende groepen in Irak hetzelfde proberen te doen. Want op 7 november zijn er tussentijdse verkiezingen, waarbij de kans groot is dat de Republikeinen hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat verliezen. De president kan het dus wel degelijk bij het rechte eind hebben. Dat hij daarbij een voorzet van columnist Thomas Friedman gebruikte (die had de vergelijking en paar dagen eerder in The New York Times gemaakt) doet niet terzake. Het gelijk van deze president is zo uitzonderlijk dat het wereldnieuws is.

Dit gezegd hebbende, wil ik er toch iets op afdingen. In de omvang van het geweld naderen Vietnam en Irak elkaar. Hetzelfde geldt voor de jarenlang volgehouden verzekering van Washington dat de overwinning Amerika niet kon ontgaan als de soldaten maar bleven doorvechten. Ook in de voorgeschiedenis is er een overeenkomst: beide oorlogen zijn gerechtvaardigd met argumenten die later leugens bleken te zijn. En aan beide ligt een politieke theorie ten grondslag. In Vietnam was dat de dominotheorie die voorspelde dat, als in de regio één land door de communisten zou zijn veroverd, de rest zou volgen. Dat is meegevallen. Voor Irak verdedigden de neoconservatieven de zienswijze dat dit land, na tot democratie te zijn omgetoverd, tot voorbeeld voor het hele Midden-Oosten zou dienen. Met Duitsland en Japan was het ook vlot gegaan, zei Rice, toen nog adviseur Nationale Veiligheid. Dat is tegengevallen.

Voor de rest zijn de verschillen belangrijker. Vietnam was een probleem aan de periferie van de Koude Oorlog. In de grote krachtmeting is geen grootschalig geweld gebruikt. Beide partijen werden daarvan weerhouden door de wederzijdse afschrikking van de atoombewapening. Na veertig jaar heeft de Sovjet-Unie door economische oorzaken en de onhoudbaarheid van het Oostblok als ideologische monoliet de Koude Oorlog verloren, terwijl het westelijk bondgenootschap in gestage economische groei door alle ups en downs heen in stand bleef.

Nu is het Westen in een chaotische worsteling verwikkeld: met het moslimfundamentalisme, het terrorisme en een aantal landen in het Midden-Oosten, die stuk voor stuk hun eigen rechtvaardiging tot verzet aanvoeren. Dit conflict speelt zich niet in de periferie af, maar aan de grenzen van het Westen, en voorzover het over terreur gaat, binnen onze eigen steden, op luchthavens en in vliegtuigen. Dat is iets heel anders dan het Tet-offensief, 38 jaar geleden. Met de oorlog tegen Irak blijkt een vijand te zijn geschapen die door het Westen met de beproefde politiek van containment duurzaam bedwongen had kunnen worden.

Vietnam was al ernstig genoeg: voor de Vietnamezen en de Amerikanen, die de oorlog verloren en er 55.000 doden achterlieten. Maar toen de strijdkrachten waren vertrokken, was daarmee ook de verantwoordelijkheid voor de wederopbouw verdwenen. Irak is in menig opzicht veel ernstiger. Ten eerste heeft het land zich in de loop van drie jaar ontwikkeld tot een trainingsgebied voor het internationaal terrorisme, ten tweede heeft de oorlog het anti-Amerikanisme in de regio op ongekende wijze aangewakkerd, ten derde is het uitgegroeid tot een chaos, of zo men wil, een moeras waaruit de Amerikanen zich in deze situatie niet kunnen bevrijden en ten slotte is daar onder de nu heersende omstandigheden iedere poging tot wederopbouw tot mislukken gedoemd.

De regering van George W. Bush heeft er een uitzichtloze catastrofe van gemaakt. De Democraten wisten het al, maar durfden het niet hard en duidelijk te zeggen. Het inzicht begint nu ook door te dringen tot de omgeving van het Witte Huis en het Pentagon. Dat zou dan het goede nieuws kunnen zijn, ware het niet dat het te laat komt. Geen van beide partijen heeft er enig idee van hoe de dagelijks ingewikkelder wordende situatie in Irak tot een oplossing moet worden gebracht.

Zou een éclatante nederlaag van de Republikeinen, een Democratische meerderheid in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden een terugtrekken naderbij kunnen brengen? Ik betwijfel het. Daarvoor zou een radicale ommezwaai in het denken van de president en zijn omgeving, de ministers Rice en Rumsfeld, om te beginnen noodzakelijk zijn. Met dit denken hebben we nu zes jaar ervaring. Het heeft niet alleen in Irak tot een treurig resultaat geleid. Het Israëlisch-Palestijns conflict is op een schandelijke manier op zijn beloop gelaten. Onder de ogen van de Amerikanen heeft Israël in een vergeefse oorlog tegen Hezbollah grote verwoestingen in Libanon aangericht. Tegen president Ahmadinejad bepaalt de buitenlandse politiek zich tot wat feitelijk niet meer is dan een vergeefs sputteren. Jegens de nieuwe kernmacht Noord-Korea is Washington afhankelijk van Peking en Moskou. Zes jaar Bush hebben de enige supermacht ter wereld tot een invalide gemaakt. Wij strompelen mee, de zojuist hernieuwde vriendschap tussen de ministers Rice en Bot ten spijt.