Stig Dalager, Journey in Blue: A Novel about Hans Christian Andersen

Inzicht in een geremd genie

Stig Dalager

Journey in Blue: A Novel about Hans Christian Andersen

Peter Owen, 315 blz., £ 11.99

Michel Faber las een (uit het Deens) in het Engels vertaalde biografische roman over het leven

van de geplaagde H.C. Andersen, die in diens tweehonderdste geboortejaar uitkwam.

«He wakes in darkness alone…». Zo begint Journey in Blue, een terugblik op het ongelukkige leven van de in een morfinedelirium wegkwijnende Hans Christian Andersen. Zijn we beland in een morbide fantasmagorie, een soort Deense fusie van Becketts Malone Dies en Derek Jarmans sterfdagboek? Het lijkt er even op. De schepper van sprookjes als Het lelijke eendje en De nieuwe kleren van de keizer ligt op sterven in een vuil bed. Narcotische zelfbegoocheling vormt zijn enige ontsnapping. «Oh ja. Het wit. Hij is licht als lucht. In glijvlucht. Als een zwaan.»

Maar al snel blijkt dat Stig Dalagers boek over aardser zaken gaat. Per slot van rekening was Hans Christian Andersen een man met ambitie. Journey in Blue is een geromantiseerde biografie die zijn opmars van schoenmakerszoon tot internationale beroemdheid volgt en zonder schroom de nadruk legt op zijn dagelijkse zorgen: be droefdheid over slechte recensies in de Deense pers, ruzies met zijn hospita’s, kruiperige smeekbedes om hulp aan invloedrijke mensen, teleurstelling over de onwil van vrienden om zijn klaagbrieven te be antwoorden.

Andere biografen hebben al gewezen op de overeenkomsten tussen Andersens neu rosen en zijn sprookjes met hun terugkerende thema’s van armzalige minderwaardigheid en duizelingwekkende ijdeltuiterij. Andere beschouwers hebben An dersens verongelijkte, gedoemde liefdes voor zowel vrouwen als mannen geanalyseerd. Wat Dalager daaraan toevoegt is de draaikolk van gemoedswisselingen: «Ziek zijn van een verborgen passie, masturberen tot het pijn doet, rusteloos door de stad dwalen, op audiëntie gaan bij Koning Christiaan VIII die hem meermalen vereerde met een groet vanuit de koninklijke loge tijdens een privé-opvoering van De Kleurling, een broche met 19 kleine diamanten cadeau krijgen, één nacht lang gewichtloos zijn.»

Journey in Blue is, als Andersen zelf, kwetsbaar voor spot. Een man die zijn halve leven doorbrengt met piekeren over misprijzende recensies, geweigerde beurzen en zijn rauwe penis is geen vanzelfsprekende held, tragisch of anderszins. Maar Dalager geeft blijk van een onstuitbaar vermogen tot inleving met zijn onderwerp en hij is een kundig schrijver wiens naam in Europa reeds gevestigd was met vijf ro mans en een aantal toneelstukken. Journey in Blue heeft een koortsachtige glans van authenticiteit: zijn Andersen is waar achtig. Al doet zijn zelfzucht een aanslag op ons geduld, toch juichen we tegen wil en dank zijn doorzettingsvermogen toe. Wanneer hij zojuist tot op het bot is vernederd door een afwijzing van zijn poëzie als «snotterende prietpraat» voelt de jonge Hans Christian zich «geen dichter. Hij is niets. Niet tot morgen.»

Betekent de geloofwaardigheid van Da lagers held nu dat Journey in Blue grote romankunst is, of zelfs maar dat het boek de conventionele biografie overtreft? He laas niet. Dalagers ontzag voor de beperkingen van zijn protagonist vormt zowel de kracht als de zwakte van de roman. Alles wordt bezien door de ogen van Andersens zelfobsessie, wat betekent dat de andere mensen in zijn leven nauwelijks meer vlees en bloed hebben dan zijn papieren poppen.

Typerend in zijn onvolledige uitwerking is de scène waarin Andersen wordt uitgenodigd twee weken bij Charles Dickens door te brengen. De geschiedenis leert ons dat Andersen er onbeschoft misbruik van maakte en vijf weken bleef hangen, doof en blind voor alle signalen dat hij moest opdonderen. Voor elke romanschrijver is dit een buitenkans. Stel je de toenemende radeloosheid voor van Charles en Catherine Dickens terwijl ze zich proberen te ontdoen van hun kleverige Deen. Dit zou toch een paar heerlijke dialogen moeten opleveren, het nodige onthullende drama? Maar daar moet Dalager niets van hebben. Zijn Andersen wordt geheel in beslag genomen door de negatieve recensies van zijn laatste to neelstuk, To Be or Not to Be, en neemt van zijn gastheer en gastvrouw niets anders waar dan Dickens’ lovende woorden. De hele episode heeft een droom achtige krachteloosheid en als zij voorbij is, kan Andersen zich er enkel over verbazen dat Dickens niet meer op zijn brieven reageert.

Dalager zal misschien tegenwerpen dat zulke mislukte pogingen het leven in wijdere zin te begrijpen het pathos van Andersens kinderlijke solipsisme versterken. Steeds weer zinspeelt hij op Andersens angst «in het niets op te lossen» zodra hij niet door anderen wordt bewonderd. Die pa thologische onzekerheid komt pas echt aan het licht wanneer Andersen op zijn sterfbed ligt en voor zijn verzorging afhankelijk is van zijn bedienden. Koortsig, ge kweld door pijn en met de verschrikking van zijn naderende einde voor ogen drukt hij ’s nachts steeds weer op zijn bel om zijn do delijk vermoeide bedienden uit hun slaap te wekken. Net als zwaar gekwelde ouders blijven ze hoe dan ook van hem houden.

Maar Dalager houdt overduidelijk van Andersen. In zijn nawoord neemt hij het op tegen degenen die hem zien als een saaie, vermoeiende persoon die enkel schitterde in zijn kunst; integendeel, «voor mij correspondeert zijn poëtisch genie met een complexe, rijke en betoverende persoonlijkheid». Journey in Blue mag niet het beste bewijs voor die uitspraak vormen, maar het is een oprecht, intens verslag dat de bipolaire aard van Andersens zelfbeeld getrouw weergeeft. Samen met een mooie biografie als die van Jackie Wullschlager schenkt het een waardevol inzicht in een geremd genie.

© The Guardian

Michel Faber zal in De Groene Amsterdammer regelmatig boeken bespreken. Zijn laatste verhalenbundel ‹De Fahrenheittweeling› verscheen bij Podium en werd besproken in De Groene Amsterdammer van 21 oktober 2005