Jan Donkers hoort muziek in George W

iPod One

Afgelopen week lekten enkele nummers uit waar George W. Bush op zijn iPod naar luistert. Dat brengt een bijzondere herinnering omhoog bij Jan Donkers, die tevens een achtergrondanalyse van deze verrassende voorkeuren geeft.

De telefoontjes kwamen meestal na drie uur ’s nachts binnen, bij Radio KUT in Austin, de hoofdstad van Texas. Ik was er doorgaans niet blij mee, want als eenzame dj had je het druk genoeg, in wat we de graveyard shift noemden, tussen middernacht en zeven uur ’s ochtends, wanneer ik soms inviel voor Larry Monroe of Jay Trachtenberg. De apparatuur bedienen, platen opzetten (cd’s bestonden nog niet, we hebben het over midden jaren tachtig), zorgen dat de stationcalls op tijd werden gestart, aankondigen, afkondigen, de zeven-seconden-vertrager in de gaten houden om obsceniteiten weg te kunnen bliepen…

En dan nog af en toe de telefoon aannemen, want er was veel respons. Die uren werden behoorlijk beluisterd, ook mijn programma Gonzo Radio, door eenzame cowboys en opgepepte barmeiden die de slaap niet konden vatten, zo stelde ik me voor, ergens op de Texaanse prairie. KUT (die naam is geen grap: K is de eerste call letter voor elk radiostation ten westen van de Mississippi en UT staat voor University of Texas) had namelijk een behoorlijk sterk signaal, dat ver buiten de Hill Country reikte, naar het zuiden tot vlakbij San Antonio en noordwaarts wel tot voorbij San Angelo!

Ik was Gonzo, en daarmee een persona, niet helemaal mezelf. Ook mijn herinneringen zijn die van mijn persona, niet helemaal die van mezelf. Dat is wel van belang om het volgende relaas in perspectief te houden.

De meeste mensen belden met een verzoekje, of een aanvulling, of een vraag naar meer informatie over een zojuist gedraaide plaat. Zo ook mijn half anonieme beller die zich de eerste keer meldde toen ik net een nummer had gedraaid van een nieuwe solo-lp van John Fogerty, Centerfield.

«Hi Gonzo, this is George», zei hij.

«George who?» vroeg ik, tamelijk geërgerd. Het waren tijden vol stress, gedoe rond het station, politieke spanning die vanuit de newsroom naar de rest van de staf oversloeg. Salvador, de Contras. Er heerste een alcoholverbod, Jesus Christ, dus waren er altijd zoutvaatjes vol coke in de studio in die jaren en dat maakte ons dj’s niet alleen praatziek maar ook irritabel.

«Just George», vervolgde de beller. «Ik ben toch niet in de uitzending, hè?»

Nee, zei ik. Dat deden we nooit, luisteraars in de uitzending halen, behalve als er een speciale reden voor was. Hij vroeg naar het nummer dat ik zoëven had gedraaid. Wie is die Fogerty, vroeg hij. De voormalige leider van Creedence Clearwater Revival, antwoordde ik. Weet je nog wel, Proud Mary, Fortunate Son? Dat leek George niet veel te zeggen, maar hij begon uit te leggen dat het liedje hem aansprak omdat het over baseball ging. Hield ik van baseball?

Jazeker, antwoordde ik naar waarheid, ik was afgelopen weekend nog naar Houston gereden om Mike Scott aan het werk te zien, de werper met de onaanraakbare split-fingered fastball.

George maakte een wat puffend geluid dat ongenoegen uitdrukte. The Astros suck, zei hij. Had ik wel eens de Texas Rangers aan het werk gezien?

Ik zette het gesprek even in de wacht om een nieuwe plaat op te zetten en aan te kondigen, en toen ik klaar was zat George nog geduldig aan de andere kant van de lijn. De Rangers, nee, alleen op de tv, zei ik. Arlington was me te ver rijden. George zei dat hij me tegen een zacht prijsje wel aan een seizoenkaart voor de Rangers kon helpen, maar ik antwoordde dat ik aan het eind van het semester weer naar huis ging, naar Nederland.

«The Netherlands? Where abouts is that located?»

Ik begon het uit te leggen, maar «George» leek niet echt geïnteresseerd. Ik vond al dat je een grappig accent had, onderbrak hij me. Toen was ook de volgende plaat weer bijna afgelopen en ik zei dat ik moest ophangen.

Sinds die eerste keer belde George bijna elke keer als ik de uitzending deed, bijna altijd tussen drie en vier uur. Altijd meldde hij zich met «Hi Gonzo, George here» en zijn achternaam was na die tijd niet meer aan de orde. Meestal vroeg hij of hij echt niet on the air was. Vaak vroeg hij alleen maar naar een titel of uitvoerende, soms was hij wat langer van stof. Dan hoorde ik ook het geluid van ijsblokjes tegen glas dicht bij de hoorn. Dan vroeg hij of iedereen in, waar kwam ik ook al weer vandaan, o ja Nederland, van Texaanse muziek hield. Of waarom ik nooit wat van Alan Jackson draaide. Dat is me te gladde country & western, antwoordde ik. George sloeg dan een cynisch lachje aan en vroeg what the hell daar mis mee kon zijn.

Ik besteedde niet veel aandacht aan hem, er waren wel meer nachtvlinders in Centraal Texas met te weinig aan hun hoofd, of juist te veel in hun hoofd, ik had hun stemmen zo langzamerhand leren herkennen, sommigen werden heel mededeelzaam zo diep in de eenzame prairienacht, maar van George kreeg ik weinig hoogte en als ik de volgende middag wakker werd na zo’n uitzending was ik hem weer vergeten. Een keer had ik de voorman te gast van een jonge Texaanse band die de True Believers heette en ook net een nieuwe lp uit had. De telefoon ging rond een uur of drie, en daar was George weer.

«Wie is die Mexicaanse vent, die je daar bij je hebt?»

«Alejandro Escovedo», antwoordde ik.

«Klinkt goed», zei George. Ik hoorde hoe hij een glas op tafel zette en met zijn vrije hand de naam opschreef die ik voor hem spelde. «Never knew these Meskins know how to rock», vervolgde hij. «Ik dacht dat ze alleen maar accordeon konden spelen.» Hij begon hinnikend te lachen, maar herpakte zich snel toen ik niet meelachte. «Tell him hasta la vista.» En dat ik nog maar eens goed na moest denken over die gereduceerde seizoenkaart. Had ik de recente statistieken van werper Nolan Ryan wel goed gevolgd?

Niet echt, zei ik. Hij hing terstond op, zoals wel vaker als het gesprek hem blijkbaar niet meer interesseerde. Eenzame man, leek me, korte attention span; hij had iets onbereikbaars, als een ex-veroordeelde, CIA misschien, een verleden met geheimen en weinig toekomst in dit soort duistere tijden.

Na een maand of twee hielden de telefoontjes op en de resterende tijd dat ik in Austin was liet George niet meer van zich horen. Ik stelde me voor dat er iets ingrijpends in zijn leven had plaatsgevonden. Misschien zat hij wel vast. Ik vroeg Jay en Larry of zij nog wel eens diep in de nacht door ene George-zonder-achternaam werden gebeld. Ze haalden allebei hun schouders op. George-zonder-achternaam? Geen idee. Af en toe vroeg ik me wel af waar hij gebleven was, het leek me een aardige, zij het niet al te snuggere vent met een passie voor baseball en een grotendeels met de mijne samenvallende voorkeur voor stevige Texaanse muziek. Niet veel mee mis, dus.

Sinds vorige week weet ik wie «George» was. Vorige week werd namelijk de inhouds opgave bekend gemaakt van de iPod One, het apparaatje dat George W. Bush, zoals wij nu weten, aan zijn oren heeft hangen als hij aan zijn conditie werkt. Toen ik het lijstje zag wist ik het meteen. Typische jaren-tachtig-Gonzo-luisteraar, met een lichte afwijking naar rechtse en gladde country.

In mijn Bush Haters Handbook staat niets over muziek, dus niets of niemand had me hierop voorbereid. John Fogerty, Van Morrison, John Hiatt, Alejandro Escovedo, The Gourds, Stevie Ray Vaughn, James McMurtry: een betere staalkaart van kwaliteits-Americana, met een duidelijke hang naar Texas (de laatste vier) is bijna niet denkbaar. Het is vooral een lijst met verrassingen omdat mijn George–met-ondertussen-een-achternaam hoofdzakelijk blijkt te vallen voor muzikanten die een hekel aan hem hebben.

Neem James McMurtry. Vorige maand, om precies te zijn op 19 maart, op de tweede verjaardag van de Amerikaanse inval in Irak, was hij nog de hoofdact bij een grote protest bijeenkomst op de trappen van het nieuwe gemeentehuis van Austin, de stad waar George Bush resideerde als gouverneur van de staat. McMurtry, zijn lange haar al even ongewassen als zijn kleren, haalde fel uit naar de politiek van de man die in de buitenwereld meer dan wie ook met de staat Texas wordt geassocieerd. Hij was nog feller dan zijn vader, schrijver Larry McMurtry, van wie ik twee jaar geleden een schuimbekkende tirade tegen de Bush-junta mocht optekenen.

Wat te denken van The Gourds, een stelletje getalenteerd Texaans ongeregeld dat twee jaar geleden nog optrad op een benefietconcert voor de permanent noodlijdende Texas Observer, een tweewekelijks blad dat zich nu alleen nog maar inzet voor het ondergraven van het Bush-bewind?

Wat te denken van eerder genoemde Fogerty? In zijn Fortunate Son uitte hij zijn woede tegen het favoritisme en nepotisme in de Amerikaanse politiek, en de tekst komt wel heel dicht in de buurt van de Bush-biografie als hij zingt over de «Senators son – silver spoon in hand.» Maar op zijn meest recente plaat Deja Vu (All over Again) schreeuwt hij zijn woede uit over de oorlog in Irak: «Day after day another Momma’s crying/ She’s lost her precious child/ To a war that has no end.»

Geen van beide liedjes is te vinden op de iPod One maar wel, inderdaad, Centerfield, een lied dat tekstueel gesproken misschien wel het meest interessante is van deze hele collectie. Het lied is de smeekbede van een bankzitter aan zijn coach om hem alsjeblieft het veld in te laten gaan: «Put me in coach, I wanna play centerfield…»

Als er ooit een grafschrift komt van George W. (en helaas is dit nog in geen afzienbare toekomst aan de orde), dan zouden het deze woorden moeten zijn. Zijn grootste frustratie was namelijk dat hij een matige speler was, en die probeerde hij te compenseren door met zijn familiefortuin zich in het baseball- establishment in te kopen. Zijn ware ambitie, als symbolisch mede-eigenaar van de Texas Rangers, was het Commissariaat van het Amerikaanse baseball, en hij wachtte een vol jaar tot hem duidelijk was dat ze hem niet moesten. Toen werd hij maar gouverneur van Texas, en daarna president, en de gevolgen zijn bekend.

George Bush blijkt dus van muzikanten te houden die helemaal niet van hem houden. Dat is opmerkelijk, omdat hij aan het hoofd staat van een regering die graag straffen uitdeelt aan degenen die het niet met hem eens zijn. Maar voor muzikanten lijkt hij een zwak hart te hebben.

Eens was er de hoop dat rock-’n-roll aan de basis van een massale wereldbevrijding zou staan. Beter langharig dan kortzichtig, sommigen van u weten het nog wel. Dat die hoop al even snel vervloog als hij werd geformuleerd hoef ik hier niet uit te leggen. We moeten dus ook niet zo veel betekenis hechten aan de inhoud van de iPod One, zegt ook Mark McKinnon, de man die de inhoud voor een deel samenstelde en waarschijnlijk ook heeft laten lekken naar de pers. «It’s music to get him over the next hill.»

Maar diep in mijn geheugen weet ik wel beter. Ik ben Gonzo. Ik ken «George», ik ken zijn verleden.

_______________________

De playlist van George W. Bush.

De nummers zijn te beluisteren op www.groene.nl

John Fogerty, Centerfield Van Morrison, New Biography, Brown Eyed Girl John Hiatt, Circle Back Alan Jackson George Jones Alejandro Escovedo, Castanets Joni Mitchell, (You’re So Square) Baby, I Don’t Care The Gourds, El Paso Blackie and the Rodeo Kings, Swinging

From the Chains of Love Stevie Ray Vaughan, The House is Rockin’ James McMurtry, Valley Road The Thrills, Say It Ain’t So The Knack, My Sharona