Ir. j.a. manusama

In zijn postuum verschenen memoires biecht de voormalige RMS-leider ir. J.A. Manusama zijn jarenlange verbintenis met de NSB in Nederlands-Indië op. Maar er zijn meer verrassingen. ‘Joops’ noodlot was zijn trouw aan Nederland.

DE OP 17 AUGUSTUS 1910 in Bandjermasin op Borneo geboren Johannes Alvarez Manusama was vóór alles een product van de koloniale samenleving. Ofschoon zijn ouders waren geboren op de Molukken, voelde hij zich op en top Nederlander. Bij koninklijke feestdagen hees hij op gezag van zijn al even aan Wilhelmina verknochte vader de Nederlandse driekleur. Zijn vader, afkomstig uit Abubu op het eiland Nusa Laut, was op vijftienjarige leeftijd naar Java gezonden en had zich opgewerkt tot ingenieur. Manusama sr. veranderde vaak van standplaats en zo kwam het gezin onder meer op Java, Celebes en Sumatra terecht. Als jongen had Manusama geen enkel benul van zijn Molukse roots. Hij sprak niet eens het Maleis-Moluks. Toen hij op de mulo in Batavia, in een klas met Javanen, Soedanezen, Batakkers, Menadonezen, Ambonezen, Chinezen en Arabieren, door de leraar werd gevraagd naar zijn ‘landaard’, antwoordde Manusama dat hij 'inlander’ was. Dit tot ontsteltenis van zijn vader, die hem beval zich voortaan voor te stellen als 'met Europeanen gelijkgesteld’. Dat was een juridische omschrijving die Manusama sr. in 1894 voor zichzelf en zijn nazaten had geregeld. Het garandeerde een betere rechtspositie dan die voor de 'inlanders’ gold.
In de jaren dertig volgt Manusama zijn vader door aan de Technische Hogeschool in Bandoeng te gaan studeren. Een beroemde - en begaafde - medestudent is Soekarno. Zo maakt Manusama de barensweeën mee van de Indonesische republiek. In 1930 is hij getuige van de eerste politieke woelingen rond Soekarno, wanneer deze tot vier jaar gevangenisstraf wordt veroordeeld vanwege de oprichting van de Partai Nasional Indonesia (PNI). Manusama voelt niet de minste aandrift van medeleven. Hij ziet Soekarno vooral als een opruier. Waar Manusama politiek staat, blijkt als hij in 1934 toetreedt tot de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert. Mussert is in Nederlands-Indië veel populairder dan in het moederland. Vooral zijn roep om meer wapens en krachtig bestuur voor Batavia doet het goed. Mussert wordt bij zijn bezoek aan Nederlands-Indië in 1935 zelfs officiële audiëntie verleend door gouverneur-generaal De Jonge. Manusama is naar eigen zeggen diep onder de indruk van de redenaarskwaliteiten van de Nederlandse nationaal-socialist. Hij komt aan het hoofd van een NSB-blok in zijn district. Pas in mei 1940, na de inval van de Duitsers in Nederland, verlaat hij de partij. De Politieke Inlichtingendienst (PID) ondervraagt hem, maar anders dan andere NSB'ers, die samen met nationalisten als Multatuli’s neef E. Douwes Dekker naar een Surinaams gevangenenkamp worden afgevoerd, wordt hij niet gearresteerd.
OP 8 DECEMBER 1941 hoort Manusama gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer op de radio verklaren dat Nederland in oorlog is met Japan. In januari 1942 volgt de Japanse aanval op Java en op 8 maart 1942 capituleert het Knil. Manusama die geen Maleis beheerst, moet het snel gaan leren als hij op last van de nieuwe autoriteiten een baan krijgt aangeboden als wiskundeleraar op een nieuwe school in Jakarta. Op school mag geen Nederlands meer worden gesproken en voor het binnenkomen van het klaslokaal dient er gebogen richting Tokio. Japans is een verplicht vak. Niettemin schopt Manusama het tot onderdirecteur. En dat terwijl de gevreesde Japanse politieke politie, de Kenpatei, Ambonezen juist extra in de gaten houdt vanwege hun trouw aan Nederland. Wel weigert Manusama over te gaan tot het dragen van de pitji, het fes-achtige petje dat op last van de door de Japanners omarmde Soekarno door alle Indonesische mannen moet worden gedragen als teken van hun nieuwe Indonesische identiteit.
Op 12 mei 1945, drie maanden voor de Japanse capitulatie, wordt Manusama door de Japanners uitgenodigd om mee te werken aan het comité ter voorbereiding van de Indonesische onafhankelijkheid. Aan de vooravond van hun nederlaag willen de Japanners Indonesië autonoom maken, ter voorkoming van de terugkomst van de Nederlanders. Manusama, gevraagd om mee te denken namens de Molukse gemeenschap, reist af naar de conferentie in Jakarta. Op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, is Manusama in Jakarta getuige van de chaos die volgt op het uitroepen van de Republiek Indonesia door Soekarno en Hatta. Hij is woedend als hij ziet dat de roodwitte Merdeka-vlag van de Indonesische republiek is gehesen en eist dat de Japanse weer wordt teruggehangen. Een paar dagen later weigert hij tot grote woede van zijn studenten een loyaliteitsverklaring te tekenen. Halsoverkop vertrekt hij naar Makassar in Zuid-Celebes, waar op dat moment de speciale troepen van Raymond Westerling huishouden. Hij hoort over slachtpartijen op de kampongs even buiten Makassar en ontsnapt aan de dood als in zijn huis een machinegeweerkogel inslaat. Hij sluit zich aanvankelijk aan bij de partij Parnesi, die pleit voor een federale structuur van het nieuwe Indonesië, maar komt onder invloed van mede-Ambonees Chris Soumokil, die net als hij vrijmetselaar is, in het spoor van de Zuid-Molukse beweging, die aanstuurt op het behoud van Ambon en de andere eilanden als autonoom gebiedsdeel van het Nederlandse koninkrijk.
IN JUNI 1947 zet Manusama dan voor het eerst voet op de Molukken, het land van zijn ouders. Hij wordt hoofd van de Algemene Middelbare School in Ambon, waar hij in de Prins Bernhard Kapel wordt verwelkomd als de verloren zoon. 'We willen Holland houden, ons Holland fier en klein, we blijven Holland trouwe, wat ook haar lot mag zijn’, zingen de christelijke Zuid-Molukkers als feestlied. Manusama gaat op ontdekkingsreis door zijn land van herkomst, bezoekt de eilanden Banda, Haruku, Saparua en Abubu, geboortegrond van zijn vader. In Ambon is hij al snel een centrale figuur. Hij is lid van de Raad voor de Zuid-Molukken, organiseert vele Oranjefeesten en vergadert over de toekomst met sultans en radja’s. De Zuid-Molukkers blijken overigens niet erg warm te lopen voor onafhankelijkheid van Jakarta. In december 1948 boekt het Soekarno-kamp er een klinkende verkiezingsoverwinning. De separatisten halen slechts een zetel. Op 27 december 1949 wordt in Ambon onder een aanhoudende stortregen de Nederlandse vlag gestreken en de roodwitte vlag van de Indonesische republiek gehesen. De Molukse Soekarno-aanhangers manifesteren zich met bamboestokken op straat en worden op hun beurt meedogenloos aangepakt door de Molukse paratroepen. Al snel wordt duidelijk dat het idee van de Verenigde Staten van Indonesië, waarbij ook de Molukken werden behandeld als autonome zone, het niet lang zal houden. Overal worden de deelstaten geliquideerd: Paundan op West-Java, Djawa Timur op Oost-Java, de deelstaat Madura. Op West-Java gaat ex-Knil'er Westerling met zijn 'Leger van de Rechtvaardige Vorst’ de strijd aan tegen de regeringstroepen van de Apris. Op Ambon volgt men Westerlings voorbeeld. De soldaten plunderen de munitiemagazijnen en wachten in de baai de komst der Indonesiërs af. Op 25 april 1950 wordt in Ambon de Vrije Republiek der Zuid-Molukken RMS geproclameerd. Manusama wordt benoemd tot minister van Onderwijs en later ook van Defensie. Kort daarop begint de Indonesische invasie. Via Nieuw-Guinea heeft Manusama contact met Nederland. 'Indonesië valt ons aan met tanks. Zend hulp!’ telegrafeert hij. Het antwoord uit Den Haag verbijstert hem: 'Wees niet bevreesd. Verover de Indonesische tanks en val er Indonesië mee binnen.’
Manusama, onafhankelijkheidsstrijder tegen wil en dank, ziet zich in een volkomen isolement geplaatst. Intern gaat het er binnen de prille RMS ook niet echt harmonieus aan toe. Vaak vergrijpen de diverse clans zich eerder aan elkaar dan aan de vijand. Manusama en zijn vrouw zijn dan ook diverse malen aan de dood ontsnapt als zij na een wekenlange tocht door de binnenlanden van Banda, met de eigen troepen op de hielen, op een prauw met drie roeiers ontsnappen naar Nieuw-Guinea. Ernstig verzwakt door de malaria, nog maar 36 kilo wegend, arriveert Manusama in juni 1952 in Nieuw-Guinea, waar hij onmiddellijk wordt geïnterneerd. Hij moet beloven zich te onthouden van politieke activiteiten en wordt in oktober 1952 dan ook in 'immagratoire bewaring’ gesteld als hij de in Nederland verblijvende Molukkers in een artikeltje oproept tot trouw aan de RMS. Eenmaal in Nederland krijgt hij een spreekverbod opgelegd, alsmede een verbod om te verhuizen. Joseph Luns heeft het uitroepen van de RMS inmiddels afgedaan als 'een onrechtmatige daad’.
ALS IN 1966 de gearresteerde RMS-president Soumokil wordt geëxecuteerd in Jakarta, komt het hoogste ambt der Molukken toe aan Manusama. De geïsoleerde Molukse gemeenschap in Nederland loopt metterjaren steeds meer frustraties op, met als resultaat dat in 1978 de strijdbijl weer wordt opgegraven. 'Dat zijn niet onze jongens’, zegt Manusama over de Molukse jongeren die in 1978 overgaan tot een golf van Moluks terrorisme, gericht tegen zowel Nederlanders als Indonesiërs. Niettemin wordt 'ome Joop’ door vele Nederlanders verantwoordelijk gesteld. De radicale RMS-jongeren vinden hem op hun beurt juist weer veel te zacht. Zo komt er in 1993 een tamelijk roemloos einde aan zijn presidentschap. Als een bezetene begint Manusama aan zijn memoires te schrijven. Drie jaar later sterft hij. Zijn laatste wens was dat zijn as ooit over de vrije Zuid-Molukken zou worden verstrooid. Dat moment leek toen nog heel ver weg.