Politiek sonnet

Irak

De baas zegt: «Blijf!» Mijn staart tussen de benen.

Ik grom, maar dat heeft helemaal geen zin.

Wanneer ik blijf, dan weet ik dat ik win.

Ik grom beleefd tegen de baas zijn schenen.

«Hier!» roept de baas, ik kom er meteen aan.

Ik kwispelstaart, al vindt hij mij een keffer.

Kijk, ik krijg een koekje: Jaap de Hoop Scheffer.

Daar wil ik nog wel even mooi voor staan.

«Attak!» Natuurlijk val ik heel graag… mee.

De anderen die zijn op ons gebeten.

Dus bijt ik terug, om wille van de vree.

Een dooie prooi — ze hebben geen geweten.

Gek spelletje, zo tussen dood en leven.

En wat ik heel mooi kan is pootjes geven.