H.J.A. Hofland

Irak als crisis van het Westen

Geen mens weet bij benadering hoeveel het er zijn, maar een aanmerkelijk deel van het verzet in Irak bestaat uit «buitenlandse strijders», islamisten, jihadisten, terroristen, in ieder geval mensen die naar het front zijn gekomen om «de grote Satan» te bevechten. Over een zekere tijd is de oorlog daar afgelopen. Wat gaan die mensen dan doen, vraagt Peter Berger, deskundige op het gebied van het moslimterrorisme zich af. Naar huis? Onwaarschijnlijk. Hij trekt een parallel met de oorlog van de Sovjet-Unie in Afghanistan. Degenen die daar in de jaren tachtig het Rode Leger hebben verslagen, vormen sindsdien de voorhoede van de terreur waartegen nu, sinds een jaar of vier, het Westen zich mobiliseert. Zoals toen Afghanistan het grote trainingskamp was, zo is Irak dat nu. Hier worden de stoottroepen van de nieuwe jihadistische beweging opgeleid, schrijft Berger in Foreign Affairs (november/ december 2005).

Het hangt er natuurlijk ook van af hoe de oorlog in Irak afloopt. Dat was voor sommigen al duidelijk voor hij was begonnen: niet goed. Dat begint nu ook in Amerika een meerderheid in te zien. Aan het chaotische front komt

geen wezenlijke verandering. Het aantal gesneuvelden neemt gestaag toe. Tegelijkertijd groeit bij het Amerikaanse publiek het vermoeden dat het drie jaar geleden door zijn president bij de neus is genomen. In iedere discussie op de televisie keert het nu terug: de valse inlichtingen over de uranium aankoop van Saddam Hoessein, de massavernietigingswapens die er niet waren, het verzonnen verhaal dat Hoessein nauwe banden met al-Qaeda zou hebben gehad. Het wantrouwen wordt verder versterkt door een paar schandalen in ontwikkeling: de aanklacht tegen Scooter Libby, de naaste adviseur van vice-president Cheney, de zeurende nasleep van de orkaan Katrina, het een en ander van mindere orde en de geheime buitenlandse gevangenissen waar de CIA mag martelen.

Vorige week donderdag, op Veterans Day, heeft de president een toespraak gehouden met de ultra ferme allure die we van hem gewend zijn. Kritiek op zijn beleid noemde hij «diep onverantwoordelijk». Door die kritiek werd het moreel van de strijdkrachten ondermijnd. En, zei hij: «Wij martelen niet!» Uit opinieonderzoek bleek dat 33 procent ervan overtuigd was dat hij de waarheid sprak, 10 procent wist het niet en 57 procent vertrouwde hem niet meer. Gaat het zo verder, dan is George W. Bush op weg de ruïne van een staatshoofd te worden. En waarom zou het niet zo verder gaan?

Eerst iets anders. Hebben Bush en de zijnen, Cheney, Powell, Rice, doelbewust de waarheid verdraaid, de feiten van de inlichtingendiensten zo selectief behandeld dat je gerust van liegen kunt spreken? Of hadden ze een bewustzijnsvernauwing waardoor ze niet meer in staat waren de volledige werkelijkheid te overzien? Het tweede lijkt me waarschijnlijker. Saddam moest weg zoals Carthago verwoest moest worden. Daarmee zou voor het Midden-Oosten de dageraad van de democratie aanbreken.

Zorgwekkend is vooral dat de volledige leiding van het machtigste land ter wereld in dat bouwsel van misvattingen en fabeltjes heeft geloofd. Er waren nog genoeg kansen om de oorlog te voorkomen. De inspecties om internationale druk uit te oefenen waren niet uitgeput. Maar de president en de zijnen wilden hun oorlog. En een meerderheid van om en nabij de tachtig procent is de leider met blinde geestdrift gevolgd. Dat is dan het tweede zorgwekkende: het succes van de oorlogspropaganda waardoor de oppositie in binnen- en buitenland tot een gezelschap van zeurende lafbekken werd gereduceerd.

Bijna drie jaar later is het resultaat een puinhoop in Irak. Iedere Amerikaan, van welke partij ook, wil dat land met redding van de eer zo snel mogelijk verlaten. Maar hoe wordt onder deze omstandigheden de eer gered? Het Midden-Oosten is geen stap nader tot de democratie gekomen. Het is anti-Amerikaanser dan ooit. Door Irak nu te ontruimen zou de chaos nog groter kunnen worden. In hetzelfde nummer van Foreign Affairs staat een essay van de politicoloog John Mueller waarin hij betoogt dat in het vervolg op het Vietnam-syndroom een Irak-syndroom langzamerhand onvermijdelijk wordt. Het is denkbaar, besluit hij, dat de leden van «de As van het Kwaad» het grootste voordeel van de oorlog zullen hebben. Hierna nog eens een gewapend ingrijpen ergens anders in het Midden-Oosten zou de catastrofe voltooien, in de internationale politiek en in Amerika zelf. En de gevolgen, zoals Peter Berger die beschrijft, zijn niet meer ongedaan te maken. Althans, niemand weet hoe.

George W. Bush nadert het failliet van zijn eigen retoriek. De publieke discussie in Amerika is verbitterd. Op een wonder in Irak hoeven we niet te wachten. De grote Europese mogendheden laten zien dat ze niets voorstellen in de wereldpolitiek. Dit mag wat dramatisch klinken, maar in de jaren na 11 september 2001 beleeft niet alleen Amerika maar het hele Westen de diepste crisis sinds de opkomst van het fascisme; misschien dieper omdat deze keer de kern van de westelijke macht zelf, door eigen toedoen, wordt aangetast.