Wat na de bommen op Bagdad?

Irak, de VS en de wereld

Het is officieel: president Bush wenst een verandering van regime in Bagdad. Hij studeert op de beste manier om die te bewerkstelligen. Uiteraard is dat: veel bommen. Maar verder? Het is geen 1991 meer.

«Een Amerikaanse aanval op Irak dient meerdere doelen, zoals bijna ieder buitenlands initiatief van om het even welk land. Het gaat niet alleen om olie, al speelt die wel de hoofdrol. De president wil duidelijk ook een daad stellen, een onmiskenbaar wapenfeit in de tot nog toe weinig indrukwekkende ‹oorlog tegen het terrorisme›. Het is bovendien een fijne afleidingsmanoeuvre voor de binnenlandse schandalen van de laatste tijd, een vaste reflex bij Amerikaanse presidenten van de afgelopen vijfentwintig jaar», zegt Dan Plesch, onderzoeker aan het Royal United Services Institute in het Londense Whitehall. «En het is een militair-strategisch opstapje, want na Irak komt onvermijdelijk Iran aan de beurt. De rechtervleugel van de Republikeinen staat te popelen om zich van de ayatollahs te verlossen.»

Het communisme is verdwenen, het Warschaupact in rook opgegaan. De Verenigde Naties staan buitenspel, de Democraten zijn teruggejaagd in hun hok — en nog is de triomftocht van de rechtse Republikeinen niet ten einde. Kennelijk heeft George Bush zich nu volledig gecommitteerd aan hun volgende hang up: het herstel van de Amerikaanse controle over de belangrijkste oliebronnen in de wereld, een controle die sinds de Iraanse revolutie van 1979 danig is afgekalfd. En het eerst aangewezen doelwit is vanzelfsprekend Saddam Hoessein. Sinds enige weken is het offi cieel: de president wenst een «verandering van regime» in Bagdad en studeert op de beste manier om die te bewerkstelligen.

Zoals Amerikaanse strategische rapporten en beleidsdocumenten telkens weer benadruk ken, is de beheersing van de Golf van cruciaal belang voor het behoud van de Amerikaanse welvaart en suprematie, en wel om twee redenen. Ten eerste omdat de huidige wereldhandel (en het aanzienlijke Amerikaanse aandeel daarin) afhangt van een stabiele, lage olieprijs. Ten tweede omdat de Verenigde Staten in de toekomst steeds meer op Golfolie zullen zijn aangewezen: tijdens de laatste Golfoorlog betrok het land nog slechts tien procent van zijn olie uit de Golf, rond 2050 zal dat wellicht al vijftig procent zijn.

«De derde strategische overweging vind je niet terug in de meeste stukken. Dat is de groeiende machtspositie van China. Die wordt als het ware op executive level niet aangeroerd, al speelt hij op de achtergrond mee sinds 1949», zegt Plesch. In dat jaar ging China zijn eigen weg, onafhankelijk van de Verenigde Staten. Washington is het land echter altijd blijven beschouwen als een «stille vennoot» in Azië, zowel tegen de militaire macht van de Sovjet-Unie als tegen de economische expansie van Japan. «Ook China betrekt een groeiend deel van zijn olie uit de Golf. Tot 1989 stelden de VS als het ware de olie veilig voor hun Aziatische bondgenoot. Nu China in toenemende mate tegenover Washington komt te staan, is dat een reden temeer voor de Amerikanen om de hand aan de kraan te houden.»

Tussen 1980 en 1988 werd de Amerikaanse controle nog min of meer veiliggesteld door Saddam Hoessein, die het Iraanse gevaar in bedwang hield door middel van een verwoestende oorlog waarin hij werd gesteund door alle andere grootmachten en alle westers georiënteerde oliestaten in de regio, door buurman Turkije en zelfs, op het niveau van de geheime diplomatie, door Israël. Als vice- president onder Ronald Reagan was Bush senior persoonlijk betrokken bij de illegale constructies om Saddam aan geld en wapens te helpen. Margaret Thatcher ontpopte zich eveneens als verdienstelijk handelsreizigster voor de beul van Bagdad.

Toen diezelfde Saddam zich in 1990 tegen de VS keerde, bleef de tweede «pijler» van het Amerikaanse Golfbeleid sinds de jaren veertig, Saoedi-Arabië, nog altijd overeind. Pas op elf september vorig jaar begon deze te wankelen. De ondergang van de Twin Towers, in zoveel opzichten symbolisch, bezegelde ook het lot van de Saoedische pijler. Het merendeel van de kapers was niet toevallig van Saoedische komaf; als de dynastieke heersers in Riad willen overleven, moeten ze voortaan rekening houden met de anti-Amerikaanse sentimenten onder hun bevolking.

Dit «verlies» van Saoedi-Arabië, dat in 1991 zijn financiën en zijn grondgebied nog zonder veel bezwaar ter beschikking stelde voor de Amerikaans-Brits-Franse tegenaanval op Saddam, is voor de Amerikaanse oliehandelaren en hun politieke lobbyisten onverteerbaar. Ditmaal is er geen «Koeweit», geen volkenrechtelijke aanleiding en wellicht ook geen Veiligheidsraad-resolutie nodig. Het naakte eigenbelang is voldoende grond en de rauwe toonzetting sinds elf september lijkt op zichzelf al een rechtvaardiging: let’s go get him.

Maar hoe? In het openbaar houdt George Bush al zijn opties open, maar het staat buiten kijf dat hij zijn doel alleen met militaire middelen kan bereiken. In de categorie vaudeville is er een oud plan om afvallige Iraakse militairen en politieke dissidenten het land in te sluizen, ondersteund door vijfduizend Amerikaanse manschappen en uiteraard de bekende «precisiebombardementen». Dit scenario werd door de Amerikaanse commandant in de Golf, generaal Anthony Zinni, afgedaan als recept voor een «Geitenbaai», een fiasco vergelijkbaar met de CIA-invasie in de Cubaanse Varkensbaai in 1961.

Naar verluidt overweegt men in Washington ten minste twee serieuze plannen. Het eerste is het standaardplan voor Irak, een plan van het soort dat de Amerikaanse legerstaf voor ieder land heeft klaarliggen: degelijk en afdoende, maar ook kostbaar en tijdrovend. Het vereist een troepenmacht van ten minste 250.000 man waarvan de opbouw een half jaar zou duren. De Britten zouden in geval van deelname een aandeel leveren van dertigduizend soldaten, een tankdivisie en steun vanuit de lucht en vanaf zee. Die laatste is misschien wel de belangrijkste, want de aanval zou amfibisch moeten zijn. Omdat vrijwel geen land in de buurt wil meewerken, zouden de politieke en logistieke complicaties bij het opbouwen van een strijdmacht op de grond te groot zijn.

Plan twee is korter door de bocht, maar minstens zo ingewikkeld en veel riskanter. Vijftigduizend Amerikaanse en Britse soldaten, voor het merendeel mariniers en andere elitetroepen, zouden op afgelegen plekken moeten landen en regelrecht doorstoten naar Bagdad, met voorbijgaan aan Saddams Republikeinse Garde en het reguliere Iraakse leger. Naar verwachting zouden de commandanten van die onderdelen Saddam onmiddellijk laten vallen, of zelfs in opstand komen en met de invallers meevechten. Beide scenario’s zijn echter niet meer dan oorlogsplannen die vroeg of laat zullen moeten worden voort gezet met politieke middelen, en daar laat de Amerikaanse planning het afweten.

Niemand weet wat de gevolgen van zo’n aanval voor Irak en voor de hele regio zullen zijn. Irak is politiek en religieus grofweg in drieën gedeeld: een Koerdisch noorden, een soennitisch midden waar de huidige politieke elite (waaronder ook Saddams eigen clan) vandaan komt, en een sjiïtisch zuiden waar religieuze opstandelingen nauwe banden onderhouden met Iran. Een nieuwe sterke man is wellicht even onvoorspelbaar als Saddam, terwijl een opzichtige zetbaas van de Verenigde Staten weer niet door de bevolking zal worden aanvaard. En een democratische oppositie is ver te zoeken. Het door de Amerikanen gesteunde Iraaks Nationaal Congres is een onsamenhangend gezelschap van ballingen die onder auspiciën van de Iraakse troonpretendent Sharif al-Hoessein regelmatig vechtend over de Londense straten rollen.

De strategische fall out van de onderneming is minstens zo riskant. Iran zal niet werkeloos toezien bij een Amerikaanse aanval op het buurland, terwijl het Saoedische regime er binnenslands verder door in het nauw kan worden gebracht. «De risico’s zijn groot, maar ze zijn te overzien», aldus Plesch. «Helaas, moet ik zeggen. Het werkelijke probleem is dat de Amerikanen hun aanvalsplan voor Irak niet eens aan de rest van de wereld hoeven te verkopen. Ze rekenen er terecht op dat weigerachtige bondgenoten als Duitsland of Rusland, die beducht zijn voor de regionale en wereldwijde gevolgen van zo’n aanval, vanzelf zullen meewerken aan het beperken van de schade. Zo maken de VS indirect nog gebruik van hun onwelwillende bondgenoten ook.»