Ger Groot

Irak en Alexander

In de Verenigde Staten is het machtsevenwicht verschoven ten gunste van de Democratische Partij en die overwinning werd prompt binnengehaald als het begin van een verlichter Iraaks beleid. Slechter dan wat tot nu toe is gedaan, kan het inderdaad moeilijk worden. Maar of terugtrekking van alle troepen het antwoord is, valt te betwijfelen. Op één punt lijken de Democraten daarmee in ieder geval de fouten van hun politieke tegenstanders voort te zetten. Het nieuwe buitenlandbeleid staat ook bij hen allereerst in dienst van het binnenlandse. Het is het thuisfront dat de richtlijnen ervan dicteert, niet de vraag hoe het in Irak verder moet.

Begrijpelijk is dat wel. Het volk is moe van oorlog en teleurgesteld in wat het dacht te kunnen bereiken maar wat steeds minder haalbaar bleek. Slecht doordacht waren waarschijnlijk van begin af aan de plannen van ‘dit pasgeboren volk dat vrijheid preekt/ zoals een rijke koopman kliekjes toeschuift/ aan een kettinghond’, zoals Willem Jan Otten in zijn toneelstuk Alexander de Perzische koningin-moeder laat zeggen naar aanleiding van een lang geleden gevoerde, maar in veel opzichten vergelijkbare oorlog.

De Macedoniërs van Alexander de Grote zouden het barbaarse Perzië de zeden leren van een redelijke moderniteit. Geen despotie meer maar beleid en overleg, geen knechting en geen voetval maar een franke blik die de ‘hoogste onder zijn gelijken’ vrijelijk in de ogen durfde zien. Het was een edel streven, maar in het toneelstuk zie je het onder je ogen desintegreren: door overwinningsroes, door het onverstand van het geloof in de goede zaak, waarop Alexander zich op een cruciaal moment beroept.

En door het binnensijpelende gelijk van de bestaande zeden in het veroverde land, die zo barbaars niet kunnen zijn of ze vormen wel een aantrekkelijke voedingsbodem voor elk regime, misschien wel des te meer wanneer het radicaal hervormen wil. ‘Want dan/ staat ons ter beschikking, vrijelijk,/ de straf waar onze eigen rechtspraak niet/ in heeft voorzien’, zo oreert een van Alexanders generaals ten slotte triomfantelijk.

Aan die ironie heeft ook de Amerikaanse bezetting van Irak niet weten te ontkomen. Vastgelopen in een zuigend moeras en gedemoraliseerd door het besef zelf te zijn aangetast door het kwaad dat het land geloofde te elimineren, wil het nu alleen maar weg. Dat is niet erg eervol maar misschien wel verstandig, nu de Amerikaanse bevrijdingsmissie inmiddels zelf het voornaamste probleem in Irak is geworden.

Toch stoot dat verstand daarbij direct op een tweede eerloosheid, die verder gaat dan die van de gekrenkte nationale trots. Ze schuilt in de weigering verantwoordelijkheid te dragen voor het eigen handelen en maakt de aftocht daarmee ook op morele gronden smadelijk. Irak wordt overgelaten aan een nog veel grotere verkommering dan waaruit het ooit moest worden opgeheven en de veroorzakers proberen hun mislukking, narrig en verongelijkt, zo snel mogelijk te vergeten.

Daarbij gaat die oneer veeleer samen met een vernieuwd _on_verstand. Want zou de Amerikaanse kiezer werkelijk menen buiten schot te zijn geraakt wanneer hij het in burgeroorlog vervallen Irak eenmaal is ontvlucht? ‘Veroveraar, veroveraar,/ van allemaal de bangste/ want de vijand is verslagen/ dus de vijand is nu overal’, laat Willem Jan Otten Alexanders kroniekschrijver verbitterd zeggen vlak voordat ook hij als hoogverrader wordt gestenigd. Zijn oorlogsverslag is dan op last van Alexander al verbrand. Wat ooit begon als een kruistocht ter wille van het vrije woord eindigt met een geïnstitutionaliseerde leugen, waarin alleen de parolen van de bevelhebber er nog toe doen.

Dat dat woord niettemin het langste leven heeft, heeft ook de Amerikaanse praktijk de jaren door bewezen. Hoewel het volk haar vaak niet wilde horen, bleef de waarheid steeds gezegd – en inmiddels spreekt ook bij meerderheid opnieuw de tegenstem. Maar dat betekent niet dat deze meerderheid (het volk) zich vrijgepleit mag zien van eerder begane fouten. De meerderheid heeft de oorlog wel degelijk hartstochtelijk gewild en zal daarvan de consequenties moeten dragen. Zoals het ging, kan het niet langer, zoveel is duidelijk. Maar een omgeslagen pagina betekent niet het einde van de verplichting.

Amerika heeft zich aan Irak gecommitteerd en blijft dat. Het kan en mag de deur niet zomaar sluiten – en het zal dat hoogstwaarschijnlijk toch gaan doen. In plaats van een verstandiger Irak-beleid (waarvoor het nooit te laat mag zijn) kiest het opnieuw de radicale weg: van het vertrek dit keer. En ongetwijfeld wederom met een fatale afloop, om te beginnen voor het land waarom het allemaal begonnen was. Zo dreigt zelfs de Democratische triomf te beantwoorden aan de ijzeren wetten van het treurspel, waarin steevast de beste wil de slechtste keuze maakt. Ook van Alexander was dat de moraal, ‘Tragedie van het succes’ luidde de ondertitel.