INTERVIEW MET PATRICK COCKBURN

‘Irak is gedesintegreerd’

De westerse pers stelt Moqtada al-Sadr vaak voor als een geestelijke gangster met een beperkte intelligentie. Schrijver Patrick Cockburn werpt een heel ander licht op een van de sleutelfiguren van het nieuwe Irak.

WEINIG JOURNALISTEN WAGEN zich nog in het Iraakse inferno. Kidnappingen, koelbloedige executies en onverwachte bomexplosies maken het voor correspondenten steeds minder aantrekkelijk om eropuit te trekken. Ze blijven liever achter de zwaarbewaakte muren van de Groene Zone en proberen van daaruit verslag uit te brengen. Maar voor Patrick Cockburn, die al sinds 1977 het land intensief bezoekt, verhoudt de Groene Zone zich tot de rest van Irak als een safaripark tot de echte jungle. Zonder gewapend escorte en met gevaar voor eigen leven reist hij het land rond om te kijken hoe het er nu, na vijf jaar burgeroorlog, bij ligt.
In Cockburns vorige boek The Occupation: War and Resistance in Iraq (Verso, 2006) beschreef hij, gebaseerd op eigen ervaringen en getuigenverslagen en in een messcherpe stijl, hoe de Amerikaanse machthebbers door politieke naïviteit en historische kortzichtigheid bijdroegen tot de huidige chaos in Irak. Zonder oog te hebben voor de complexiteit van Iraks sektarische mozaïek en de verschrikkelijke ervaringen die het Iraakse volk heeft moeten doorstaan, hoopte Washington in recordtijd een eensgezinde, democratische regering te installeren.
Maar exact het tegenovergestelde gebeurde. De sjiitische bevolking – zestig procent van de totale bevolking – behaalde een gemakkelijke verkiezingsoverwinning en maakte een radicaal einde aan de soennitische overheersing. Pogingen van de soennieten om met geweld hun verloren gegane rechten terug te eisen, werden beantwoord met afschrikwekkende moordcampagnes. Ook binnen de sjiitische gemeenschap liepen de meningen over de rol van de staat sterk uiteen. De nationalisten waren faliekant tegen een Amerikaanse of Iraanse inmenging, terwijl de pro-Iraanse regeringspartij, de Supreme Islamic Iraqi Council, om pragmatische redenen met de Verenigde Staten samenwerkte.
In zijn nieuwe en perfect getimede studie Moqtada al-Sadr and the Fall of Iraq (Faber & Faber) concentreert Cockburn zich op een van de meest verrassende aspecten van deze strijd om de controle over het staatsapparaat: de plotselinge opkomst van Moqtada al-Sadr. In scherp contrast met de groeiende afkeer van de Amerikanen en de Supreme Islamic Iraqi Council valt Moqtada’s mengeling van anti-Amerikanisme, nationalisme en islamisme bij miljoenen ontevreden Irakezen in vruchtbare aarde. Als enige in Irak leidt de jonge geestelijke een massabeweging van loyale volgelingen, de ‘sadristen’, en staat hij aan het hoofd van de toegewijde en gevreesde Mehdi-militie.
Het succes van Moqtada kan volgens Cockburn alleen verbazing wekken bij wie niet op de hoogte is van de centrale rol die zijn familie heeft gespeeld bij het sjiitische verzet tegen Saddam Hoessein en zijn kliek. Met name zijn oom ayatollah Mohammed Baqir al-Sadr en Moqtada’s vader Mohammed Sadiq al-Sadr wisten de verarmde sjiitische bevolking te mobiliseren en te inspireren. Met gevaar voor eigen leven hekelden zij het bestuur van de Baathpartij en riepen ze op tot sociale en religieuze solidariteit.
De reactie van Saddam Hoessein was voorspelbaar en meedogenloos. Mohammed Baqir al-Sadr werd samen met zijn zus Bint al-Huda gearresteerd en vervolgens gefolterd en geëxecuteerd. Ook Mohammed Sadiq al-Sadr, die de revolutie van Baqir ondergronds voortzette, werd samen met zijn twee oudste zoons demonstratief en op gruwelijke wijze vermoord. Maar Saddams hardvochtige optreden had niet het gewenste effect. Integendeel, door de liquidatie van de dissidente leiders was hun plaats in het collectieve bewustzijn van de sjiieten verzekerd. Ze worden tot op heden vereerd als ‘De Eerste’ en ‘De Tweede Martelaar’, of Sadr I en II.
Als telg uit deze vooraanstaande familie erfde Moqtada dus twee machtige wapens: zijn vaders mantel en zijn vaders aanhang onder de jonge, arme sjiitische mannen. Toch zou het onverstandig zijn, benadrukt Cockburn, om daarmee voorbij te gaan aan de kwaliteiten van de jonge Sadr. Niet alleen wist hij Saddam te overleven – geen geringe prestatie met zijn achtergrond – bovendien kon hij, met dezelfde ideologische vastberadenheid als zijn voorgangers en ondanks felle tegenstand, het sadrisme nieuw leven inblazen.

Vanaf het begin van de invasie hebben de Amerikanen Moqtada al-Sadr onderschat. Is hun houding tegenover hem sindsdien veranderd?
‘Ik geloof dat de Amerikanen inmiddels iets voorzichtiger zijn geworden dan in 2004. Paul Bremer, de toenmalige hoogste civiele bestuurder in Irak, was er aanvankelijk van overtuigd dat Moqtada al-Sadr gemakkelijk geneutraliseerd kon worden. Hij werd beschouwd als een ordinaire schurk, een aansteller. Maar Moqtada was, anders dan men had verwacht, een geduchte en gevaarlijke tegenstander. Bovendien zagen de Amerikanen in dat de regering van premier Nuri al-Maliki hen gebruikte om af te rekenen met Moqtada al-Sadr en zijn militie, hun belangrijkste sjiitische rivaal. Het Amerikaanse leger voelde zich daardoor in de strijd gelokt. Vooral na de uitbarstingen van geweld in Sadr City gingen de Amerikanen beseffen dat een rechtstreekse confrontatie met het Mehdi-leger beter vermeden kon worden. Daarnaast moeten we ook vaststellen dat Moqtada van zijn kant sinds 2007 zijn best doet om nieuwe militaire confrontaties met het superieure Amerikaanse leger te vermijden. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de Amerikanen nu heel wat voorzichtiger te werk gaan om zo een nieuwe golf van oproer en geweld te vermijden.’
Ook journalisten blijven Moqtada al-Sadr omschrijven met clichés als ‘overloper’ en ‘onrustzaaier.’ Waarom is dit?
‘Dat is inderdaad vreemd. Moqtada wordt een overloper genoemd terwijl hij sinds 2003 dezelfde standpunten heeft verdedigd. Zo is hij nog steeds een felle tegenstander van het regime van Saddam Hoessein én van de Amerikaanse bezetting. Hij is helemaal niet van zijde of overtuiging veranderd. Ook de bewering dat hij een onruststoker zou zijn klopt niet. Moqtada al-Sadr richtte zijn inspanningen niet op het scheppen van chaos en crisis, integendeel, tot nog toe heeft hij zijn invloed vooral aangewend om de ontstane onrust te normaliseren. Misschien blijven veel journalisten hem demoniseren omdat ze nu eenmaal gewend zijn aan een bepaalde karikatuur van Moqtada: de gevaarlijke sjiitische geestelijke met zwarte tulband, woeste baard en priemende ogen. Van zijn achtergrond en de prominente plaats die zijn familie inneemt in de Iraakse politieke geschiedenis weten de meeste mensen echter niets af.’
Moqtada is wel van strategie gewijzigd: de rebellenleider is een zelfverklaarde politicus geworden. Vanwaar deze ommezwaai?
‘Ik denk dat het voor Moqtada steeds van het grootste belang is geweest ervoor te zorgen dat zijn politieke beweging kan blijven voortbestaan. Bovendien wilde hij zich niet te veel distantiëren van de sjiitische hoofdstroom die nu aan de macht is. Er is ook een belangrijke praktische reden waarom Moqtada aan politiek ging doen. In een land met zoveel ministeries is de overheid een belangrijke werkgever, met name omdat er in Irak weinig jobs zijn. Dus voor de bevolking van Sadr City, een arme wijk in het oosten van Bagdad en een religieus bastion van Moqtada al-Sadr, was het belangrijk om deel uit te maken van de macht, want dan heb je onmiddellijk toegang tot tienduizenden banen.’
Wat zou er volgens u gebeuren als de Amerikanen Irak nu verlaten?
‘Twee zaken zijn steeds onvermijdelijk geweest sinds de Amerikanen een einde maakten aan de dictatuur van Saddam Hoessein. Ten eerste dat de sjiieten de macht zouden grijpen en de belangrijkste gemeenschap van het land zouden worden. Ten tweede dat Iran zijn invloed op het land zou vergroten omdat ze, net als de nieuwe machthebbers in Irak, vijanden waren van Saddam en sjiitische moslims zijn. Maar zoals we kunnen zien is de Iraakse sjiitische gemeenschap erg verdeeld. Aan de ene kant heb je de sadristen die sterk nationalistisch zijn, aan de andere kant heb je de aanhangers van de Hakim-familie, een andere vooraanstaande geestelijke clan, die goede relaties onderhoudt met Iran en aan het hoofd staat van de Supreme Islamic Iraqi Council. Feitelijk heeft zowel de Amerikaanse als de Iraanse regering er baat bij dat Irak een zwakke staat blijft. Ze willen helemaal geen sterke centrale regering, want dat zou kunnen betekenen dat Moqtada aan de macht komt. De Amerikanen zien hem als een jongere versie van ayatollah Khomeini en de Iraniërs verkiezen de Hakim-familie als machthebbers. Bovendien vrezen beide landen dat Moqtada zal samenwerken met de soennitische nationalisten en misschien wel met al-Qaeda. Persoonlijk zie ik dat niet meteen gebeuren, na de bloedige slachtingen tussen beide gemeenschappen in 2006 en 2007. De soennieten in Bagdad zijn na de moordpartijen doodsbang geworden voor het Mehdi-leger, die ze als doodseskaders beschouwen.’
Wie is Moqtada’s voornaamste vijand? De sjiitische partij Supreme Islamic Iraqi Council van Abdul Aziz al-Hakim of de soennieten?
‘De Council. Er is grote rivaliteit en animositeit tussen de Hakim-familie en de Sadr-familie. Een Iraakse regeringsambtenaar zei me ooit dat de rivaliteit tussen beide bewegingen misschien wel het grootste probleem van Irak is.’
Is het mogelijk dat Moqtada zijn soennitische landgenoten de hand zal reiken?
‘Dat zou hij natuurlijk graag willen, maar ik geloof niet dat hij daarin kan slagen. De kloof tussen beide gemeenschappen is te diep en de angst is te groot. Vooral in Bagdad lijkt verzoening onmogelijk. Moqtada zegt wel dat de soennieten mogen terugkeren naar hun huizen, waar ze met geweld uit werden verdreven, maar de kans dat de soennieten daadwerkelijk terugkeren is klein. De soennitische bevolking vreest nog steeds, en terecht denk ik, dat ze zullen worden bedreigd of vermoord.’

De bewapening en financiering van soennitische milities door de Amerikanen, om met hen al-Qaeda te bestrijden, zal de vijandigheid tussen de gemeenschappen in Irak niet ten goede komen?
‘Het Amerikaanse leger heeft op die manier een verontrustend element toegevoegd aan de huidige crisis. De soennitische milities met wie ze nu samenwerken, zijn namelijk niet loyaal aan de nieuwe Iraakse bestuurders. Ze verachten de sjiitische regering. En de regering heeft totaal geen controle over deze milities.’
Uw boek eindigt met de veelzeggende woorden: ‘De desintegratie van Irak is al zo ver gevorderd dat we slechts nog kunnen spreken van een losse federatie.’ Is het einde van Irak al een feit?
‘Formeel niet, nee. Er zal altijd een plek blijven bestaan die Irak heet. De Koerden zouden natuurlijk graag volledig onafhankelijk worden van de rest van het land, maar dat kunnen ze niet om diplomatieke redenen, en dat weten ze maar al te goed. Maar in de praktijk is het land volledig gedesintegreerd. In Bagdad kunnen soennieten en sjiieten niet meer in dezelfde straat wonen. En hoewel de dingen op termijn misschien zullen verbeteren, mag je niet onderschatten hoe diep de breuken zijn die door de Iraakse samenleving lopen. Ik denk bijvoorbeeld ook niet dat de hoogopgeleide middenklasse die naar Jordanië en elders is gevlucht ooit zal terugkeren. Anderzijds bestaat er ondanks alles Iraaks nationalisme. Irakezen houden weliswaar niet van elkaar, maar ze houden nog minder van de Amerikanen en Iraniërs. In bepaalde situaties zouden ze zich samen kunnen verzetten tegen alle vormen van bezetting of inmenging. Momenteel hebben we eigenlijk een situatie waarin premier Nuri al-Maliki de Iraakse Poetin probeert te zijn. Net als Poetin probeert hij een gecentraliseerd bestuur af te dwingen met zijn vele geld en met zijn controle over het staatsapparaat. Maar al-Maliki heeft veel machtige vijanden, onder wie Moqtada al-Sadr. En het staatsapparaat werkt zeer inefficiënt. Men slaagt er bijvoorbeeld nog steeds niet in om ziekenhuizen te voorzien van verband. Ik denk dus niet dat zo’n gecentraliseerd bestuur er zal komen.’
Kunnen de Amerikanen, gezien hun verwikkeling in de Iraakse burgeroorlog, het land überhaupt nog verlaten?
‘Ik geloof van wel. Maar daarvoor moet allereerst gepraat worden met de belangrijkste regionale mogendheden, zoals Syrië en Iran. Iran oefent veel invloed uit op de sjiitische gemeenschap in Irak. Door gesprekken met Iran zou men kunnen proberen een intra-religieuze burgeroorlog tussen de sjiieten te vermijden, en tegelijk kunnen trachten de mate waarin de soennieten worden gemarginaliseerd in te perken. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat Iran oppermachtig is, zeker niet. De Irakezen en de Amerikanen zijn tegenwoordig geobsedeerd door de gedachte dat Iran overal een hand in heeft. Dat is overdreven. Niettemin blijft het belangrijk om met hen te onderhandelen. Ik betwijfel echter of de Amerikanen dat willen.’