H.J.A. Hofland

Irak: ook een Europese zaak

Het is iets meer dan een half jaar geleden dat George W. Bush met een flinke meerderheid van de popular vote de verkiezingen won. Het Amerikaanse volk heeft me een politiek kapitaal gegeven en dat ga ik gebruiken, zei hij. Vanzelfsprekend. Zo werkt de democratie. Maar blijkbaar is hij niet goed met zijn rijkdom omgesprongen. Zijn populariteit kalft af. Zijn christelijk radicalisme (verzet tegen abortus en stamcelonderzoek) gecombineerd met het radicalisme van de vrije markt (belastingverlagingen, bevoordeling van het grote bedrijfsleven) is niet de garantie voor duurzaamheid. Hij is geen lame duck, schrijft The New York Times, maar hij loopt wel kreupel. De handicap van een agenda gebaseerd op hoge morele principes is dat die geen politieke compromissen toelaat. Bill Clinton zag er niet tegenop zijn tegenstanders te plagiëren als de nood der tijden dat eiste. Bush heeft deze uitweg voor zichzelf afgesloten. Dat is zijn eerste nadeel.
Het andere is dat de wereld niet wil doen wat hij zegt. Dit wordt opnieuw duidelijk in Irak. Na de verkiezingen aan het begin van dit jaar wekte Washington de indruk dat daar het volgende nieuwe tijdvak was aangebroken. Vervolgens kwam de opstand in een nieuwe fase. Het verzet richt zich tegen de Amerikanen, maar in toenemende mate vechten Irakezen ook tegen elkaar. Is dit het begin van een burgeroorlog? Organiseren de soennieten zich tegen de overwegend sjiïtische regering? Voeren buitenlandse terroristen onder leiding van de Jordaniër Al-Zarqawi een terroristische strijd tegen het begin van een democratische orde die men daar probeert te stichten? Er is geen deskundige in het Westen die daarop een antwoord heeft. Is Al-Zarqawi onlangs gewond geraakt? Heeft hij nog maar één been? Altijd één been gehad? We tasten in het duister.
Op dit moment beleven we (na het eind van de major operations op 1 mei 2003, de soevereiniteitsoverdracht, de verkiezingen en de vorming van de eerste regering) de vierde herontdekking van Irak. Sinds de Irakezen met gevaar voor eigen leven naar de stembus gingen, zijn bij terroristische aanslagen honderden doden gevallen waaronder tientallen Amerikanen. Van redelijk economisch herstel is geen sprake. Het Iraakse leger in oprichting is en blijft een gebrekkige strijdmacht. De regering kan het verzet niet breken. Zo als het in zulke gevallen gaat: de tegenstander leert van de praktijk, weet zich beter te organiseren en wordt sterker.
Die wetenschap dringt nu ook door tot de Amerikaanse publieke opinie. Het recentste onderzoek, van Gallup, meldt dat 56 procent vindt dat het niet de moeite waard was om deze oorlog te beginnen. Volgens het Pew Research Centre is vijftig procent van mening dat de troepen zo snel mogelijk naar huis moeten komen. Een even groot percentage zegt dat Irak op weg is het volgende Vietnam te worden. Autoriteiten in Washington denken daar heel anders over. Vice-president Dick Cheney verzekerde voor de zoveelste keer dat de opstandelingen bezig zijn met hun laatste wanhopige offensief. Paul Wolfowitz, architect van de democratisering van het hele Midden-Oosten via Irak, gelooft nu dat de Amerikanen er nog tien jaar moeten blijven.
Irak begint steeds meer op het moeras van Vietnam te lijken. Maar, zoals ik al een paar keer eerder heb geschreven, er is één belangrijk verschil. Ook in Vietnam was sprake van zelfoverschatting, verkeerde diagnoses, misleidingen en regelrechte leugens. Maar het drama speelde zich af in de marge van de Koude Oorlog. Hoeveel levens en schade Vietnam beide partijen ook gekost heeft, uiteindelijk konden de Amerikanen zich deze verloren oorlog permitteren. Het einde kwam toen het thuisfront de verliezen niet meer verdroeg. De Koude Oorlog is niet in Vietnam beslist maar in de economische wedijver en de bewapenings wedloop die door de Sovjet-Unie werd verloren.
Irak is, zoals Bush heeft gezegd, niet alleen een land dat tot de democratie moet worden bevorderd maar ook een centraal front in de strijd tegen het terrorisme. Zoals het er nu uitziet staan de Amerikanen op het punt daar in een moeras te geraken. Hun gewapende aanwezigheid is een van de oorzaken van de chaos. Hun vertrek zou betekenen dat ze het slagveld aan de plaatselijke partijen en de terroristen overlaten en hun eerste grote nederlaag sinds Vietnam zouden lijden. Maar blijven geeft niet de zekerheid dat de chaos zal worden bedwongen. Het betekent wel dat het thuisfront, moe van de verliezen, zich sterker zal gaan verzetten.
Washington heeft nog geen begin van een exit strategy. Voormalig presidentskandidaat George McGovern stelde onlangs voor dat een Arabische troepenmacht, gefinancierd door Amerika, het Iraakse leger zou gaan steunen en geleidelijk de rol van de Amerikaanse troepen zou overnemen. Een vrome wens? Deze week komen op verzoek van de Iraakse regering ministers van Buitenlandse Zaken van Europese staten, Arabische staten en Amerika bijeen om te praten over steun aan de regering in Bagdad. Gezien de voortdurende opstand lijkt de tijd rijp voor nieuwe oplossingen.
Tegelijkertijd heeft minister Condoleezza Rice in Cairo een rede gehouden waarin ze het hele Midden-Oosten weer oproept tot totale democratisering, Egypte natuurlijk daarbij inbegrepen. Dat intussen in Iran de ayatollahs de stembusuitslag naar hun hand zetten zonder dat Amerika daar iets aan kan doen; dat in Saoedi-Arabië de koninklijke familie het prima vindt zolang ze maar niet hoeft te luisteren; dat ze in Egypte Rice al zien aankomen: dat alles is voor de grote democratische theoreticus van het Witte Huis geen openbare zorg.
Intussen verandert Irak al democratiserend verder in een puinhoop. Die catastrofe wordt op den duur onvermijdelijk ook een Europees probleem. Hoe verzwakt en verdiept in zelfcontemplatie Europa ook uit de strijd van de afgelopen weken is gekomen, het moet toch weer de rest van de wereld ontdekken. Begin bij Irak, deze week nog.