IRAN EN DE BOM

Het is niet ondenkbaar dat Iran binnen afzienbare tijd zal kunnen beschikken over kernwapens. Daarmee komen oude Koude Oorlog-concepten over «evenwicht door afschrikking» weer ter tafel. Zulke «abstracte» uitgangspunten bieden echter weinig houvast. Is een Iraanse nucleaire afschrikking nu goed of slecht?

Evenwicht?
Iran werkt al sinds de jaren zestig aan een eigen atoombom. Het diplomatieke ontmoedigingsbeleid van de Europese Unie noch de dreigende houding van de Verenigde Staten heeft de ontwikkeling van die bom zelfs maar kunnen vertragen.

Iran wordt een kernmacht. Daarover zijn aanhangers en tegenstanders van het regime in Teheran het eens. Sommige landen wekken in het openbaar de indruk dat zij de Iraanse machthebbers van hun nucleaire ambities kunnen afhouden, maar hun denktanks zijn al druk bezig de consequenties van een «Iraanse bom» in kaart te brengen. Internationale gremia als de Veiligheidsraad en het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (iaea) trachten de schijn van het door hen uitgedragen nucleaire non-proliferatiebeleid overeind te houden, maar dat beleid is, zoals in de wandelgangen allang wordt erkend, een fiasco. Het is een fiasco om twee redenen die ook in het geval Iran de doorslag hebben gegeven. Ten eerste zal een land of regime dat zich door strategische tegenstanders dodelijk bedreigd voelt niet afzien van de ontwikkeling van een kernwapen vanwege berispingen van het iaea, internationale sancties of de dreiging van ernstige maar onuitvoerbare militaire represailles. Ten tweede profiteert elke kandidaat-kernmacht van de rivaliteit tussen de bestaande kernwapenbezitters. Er werpt zich altijd wel een openlijke of stilzwijgende bondgenoot op die de aanstormende kernmacht kennis, technologie en diplomatieke bescherming biedt.

De ervaring met andere opkomende kernmachten (Israël, Zuid-Afrika, India, Pakistan en Noord-Korea) wijst uit dat diplomatieke démarches, internationale sancties en militaire dreiging geen succes hebben indien de veiligheid van de kandidaat-kernmacht acuut in het geding is en er stille vennoten in het spel zijn die de kandidaat in zijn streven steunen. Daarom heeft het diplomatieke ontmoedigingsbeleid van de Europese Unie noch de dreigende houding van de Verenigde Staten de ontwikkeling van een Iraanse bom zelfs maar kunnen vertragen.

Iran heeft alle reden om zich strategisch bedreigd te voelen. Het wordt omringd door de kernmachten China, Rusland, Pakistan, India, Israël en (dankzij hun aanwezigheid in Irak) de Verenigde Staten, waarvan de laatste drie het land niet bepaald welgezind zijn. Daar komt bij dat de Verenigde Staten, Israël en de voormalige Sovjet-Unie zich bij herhaling diep in de binnenlandse politiek van Iran hebben gemengd. Dat kan elk moment weer gebeuren, zo bleek uit de aanschouwelijke les die Teheran in 2003 kreeg in de vorm van de Amerikaanse interventie in Irak, uitgevoerd onder het mom dat Saddam Hoessein aan een kernbom werkte. De les die Teheran hieruit heeft getrokken, is dat Saddam kwetsbaar was omdat hij nu juist géén bom had.

Een ander aspect van de zaak, dat in de westerse discussie wordt veronachtzaamd, is de zwakte van Irans conventionele strijdkrachten. Sinds de slopende achtjarige oorlog tegen Irak is Teheran er niet in geslaagd zijn leger terug te brengen op het hoge peil van 1980. De weerbaarheid van het land is na 1988 zelfs teruggelopen, zeker in vergelijking met de pro-westerse, soennitische buurlanden. Dat is grotendeels te wijten aan de beroerde staat van de Iraanse economie. Teheran heeft in de jaren 1997-2004 slechts 2,3 miljard dollar aan moderne wapensystemen besteed. Dat is minder dan het sjeikdom Oman (2,5 miljard) en beduidend minder dan de Verenigde Arabische Emiraten (12 miljard), Saoedi-Arabië (10,5 miljard) en Koeweit (3 miljard). Westerse exportverboden maken het bovendien onmogelijk om het verouderde westerse materieel van het Iraanse leger uit de tijd van de sjah te vervangen of te repareren.

Voeg daarbij Irans hoge plaats op de wereldranglijst van olie producerende landen (met een geschatte reserve van 130 miljard barrel) en het is duidelijk dat Teheran alle reden heeft buitengewoon bezorgd te zijn om zijn nationale veiligheid en integriteit. Omdat die strategische zorg niet van vandaag of gisteren is, werkt Iran al sinds de jaren zestig aan een eigen atoombom. De enige keer dat dit kernwapenprogramma serieuze vertraging opliep, was tijdens de oorlog tegen Irak, toen Teheran zich geen nucleaire investeringen kon veroorloven.

De geheimhouding waaraan het kernwapenprogramma de laatste twintig jaar onderhevig was, moet vooral worden verklaard uit het internationale sanctiebeleid waarin de Verenigde Staten de boventoon voeren. Iran wordt daarbij uiterst kritisch bejegend, terwijl westers gezinde landen als Egypte, Zuid-Korea en Brazilië bij problemen met het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie kunnen rekenen op een welwillende behandeling. De kernmacht Israël wordt door Washington sinds jaar en dag uit de wind gehouden en zelfs Pakistan, dat de laatste tien jaar met afstand het grootste nucleaire proliferatierisico van de wereld vormde, wordt van sancties gevrijwaard, omdat president Moesharraf een bondgenoot in de «oorlog tegen terrorisme» is.

Hoewel Teheran sinds twee jaar weer mondjesmaat internationale inspecties van zijn nucleaire installaties toestaat, groeit het wederzijds vertrouwen allerminst. Ook de recente interventie van de Veiligheidsraad verandert daar niets aan. Integendeel, het iaea vermoedt dat Teheran in weerwil van zijn vreedzame beginselverklaringen in het geheim nog altijd werkt aan een atoombom. Dit programma zou worden uitgevoerd in een letterlijk en figuurlijk ondergronds netwerk van laboratoria. Als logistiek centrum geldt Zirzamin 27, oftewel Kelder 27, een in de buurt van Teheran gelegen laboratorium, waarvan de naam verwijst naar de ondergrondse ligging en het toegevoegde cijfer naar de 27ste verjaardag van de Iraanse Revolutie. Volgens sommige deskundigen beschikt Iran al over een (rudimentaire) kernbom, maar nog niet over de vereiste wapensystemen om hem naar een doel te geleiden.

Is de «Iraanse bom» nu een goede zaak of niet? Bij het vinden van een antwoord bieden abstracte uitgangspunten geen houvast. Deducties op het terrein van de internationale politiek monden al snel uit in absurditeit, of ze nu gebaseerd zijn op een formule voor de wereldvrede, op de beginselen van de «realistische» leer van de internationale betrekkingen of op de axiomata van de speltheorie. Het is de verdienste geweest van de Franse denker Raymond Aron (1905-1983) dat bewezen werd dat concrete gevallen zich altijd onttrekken aan algemene regels.

Afschrikking heeft op de ene regering een ander effect dan op de andere, waarbij de rationaliteit van het slachtoffer zelden aan de theoretische uitgangspunten voldoet. Hetzelfde geldt voor het bezit van afschrikkingsmiddelen, want dat beïnvloedt de wijze waarop een land en een regering in de wereld staan. In een paper die hij in 1969 schreef voor het Londense Institute for Strategic Studies stelde Aron kort en bondig dat «afschrikking in algemene of abstracte zin niet bestaat, maar dat het er altijd op aankomt te weten wie in staat is wie af te schrikken, waarvan, onder welke omstandigheden en met welke middelen».

De vraag of een Iraanse nucleaire afschrikking goed of slecht is, kan dan ook alleen in de concrete context zinvol worden beantwoord. Ik neig – met alle voorbehoud vanwege mijn onvermogen om in de toekomst te kijken – naar een positief antwoord, omdat ik denk dat het Iraanse bezit van een kernwapen meer rust zal brengen in het Midden-Oosten. Het betekent in de eerste plaats het einde van de nucleaire unipolariteit, de situatie waarin Israël en de Verenigde Staten dankzij hun unieke bezit van nucleaire afschrikkingsmiddelen het zich konden veroorloven allerlei problemen in de regio voor zich uit te schuiven. Het zal zowel Israël en de VS als de Arabische landen rond de Golf dwingen tot herziening van hun strategische positie, het openen van nieuwe onderhandelingen en het aanvaarden van internationale arbitrage die een begin kan maken met het bijleggen van de belangrijkste conflicten in het Midden-Oosten. Het voorbeeld van India en Pakistan is in dit verband bemoedigend. Na aanvankelijk uiterst sombere vooruitzichten hebben deze landen sinds het overschrijden van de nucleaire drempel hun conflicten weten te beheersen en zelfs een begin van internationale arbitrage aanvaard voor hun Kasjmir-probleem, een ontwikkeling die tot voor kort ondenkbaar was.

De bom zal ook rust brengen in de Iraanse binnenlandse politiek die nu geheel geobsedeerd wordt door de kwestie van de nationale veiligheid. Het verwerven van een kernwapen is een relatief snelle en goedkope manier om een strategische achterstand in te lopen die Teheran tot nog toe moet compenseren met een aanzienlijke terroristische hindermacht. Die hindermacht neemt de vorm aan van steun aan sjiitische terreurbewegingen als Hezbollah, Hamas en de islamitische jihad en aan sjiitische guerrillabewegingen in de buurlanden Irak, Bahrein, Saoedi-Arabië en Afghanistan. Zodra Iran beschikt over een nucleaire afschrikkingscapaciteit waarmee het zijn eigen territorium geloofwaardig kan verdedigen, zal het minder behoefte hebben aan een ideologische, terroristische afschrikkingscapaciteit zoals het die nu handhaaft.

Ten slotte zal, bij wijze van paradox, het bezit van dat nieuwe wapen de voorstanders van de harde ideologische lijn in Teheran hun voornaamste politieke wapen uit handen slaan. Dat wapen is de angst voor buitenlandse interventie en overheersing, een angst die zeker sinds 2003 levensgroot en zeer reëel is. Het herwonnen gevoel van veiligheid zal ruimte scheppen voor een gematigde meerderheidsregering om eindelijk de economie en de bureaucratie in eigen land aan te pakken en Iran ook sociaal-economisch naar het niveau van een moderne, regionale grootmacht te tillen. Per slot van rekening hebben de Iraniërs hun raaskallende president Mahmoud Ahmadinejad niet gekozen om de sjiitische revolutie naar de hele wereld te exporteren, zoals hij momenteel lijkt te willen, maar omdat hij beloofde de corruptie en economische achterstand aan te pakken. Hij heeft daarmee zelfs nog geen begin gemaakt en het is de vraag of hij de man is om dat te doen. De grotendeels jonge en ambitieuze, maar door ideologisch wanbeleid werkeloze bevolking zal die aanpak hoe dan ook van zijn regering eisen. Een Iran dat zich weer op zijn binnenlandse problemen richt en weer gaat werken aan de ontwikkeling van zijn reusachtige sociaal-economische potentieel, zal een zegen voor de regio en uiteindelijk voor de hele wereld zijn. l