interview met Jan van Tol, ex-adviseur van Dick Cheney 

Iran is aan de beurt

Dikwijls kijken Europese commentatoren met een hoopvolle bril naar Amerika, want ‘ze zullen nu toch wel iets geleerd hebben’. Maar de Nederlands-Amerikaanse veiligheidsadviseur van Dick Cheney laat de optimisten in het stof bijten.

Boem-boem-boem en nog eens boem. Dat was volgens Jan van Tol het juiste antwoord geweest op de aanslagen in Amerika op 11 september 2001. In plaats daarvan was het Amerikaanse antwoord boem in Afghanistan. Toen een hele tijd niets. Vervolgens boem in Irak – en sindsdien geen boem in Iran en geen boem in Syrië. Jan van Tol werd geboren in Hilversum in 1954, op 11 september (zijn vaders verjaardag is 7 december, de dag van de Japanse aanval op Pearl Harbor). Hij vertrok als kind met zijn ouders naar Canada en vervolgens naar de Verenigde Staten, niet ver van Boston. Na een studie aan de universiteit van Massachusetts in Amherst koos hij in 1978 voor een loopbaan bij de Amerikaanse marine, omdat hij wat van de wereld wilde zien en geen geld had om te reizen. Hij bracht het tot commandant van het Amerikaanse oorlogsschip Essex, en maakte daarmee deel uit van de VN-blokkade van Irak in de jaren negentig.

Van januari 2006 tot april 2007 heeft Van Tol voor vice-president Cheney gewerkt op het gebied van nationale veiligheid in het Midden-Oosten. Nu werkt hij als senior fellow op het Center for Strategic and Budgetary Assessments, een denktank in Washington DC die zich met defensievraagstukken bezighoudt. Van Tol geeft uitsluitend zijn eigen mening en hoewel hij zegt geen Republikein of Democraat te zijn doch ‘onafhankelijk’, staat hij dicht bij de denkwijze van zijn voormalige baas, vice-president Cheney.

‘Ik ben een regime change-man’, zegt Van Tol. De oplossing van de problemen in Irak, gelooft hij, ligt buiten Irak, in Iran en Syrië: ‘Uit Iran komen steeds gevaarlijker bermbommen Irak binnen die zelfs in staat zijn Amerikaanse tanks te vernietigen. Bovendien werkt Iran verder aan een kernbom. Syrië is een exporteur van zelfmoordcommando’s, al draait het de kraan soms open en soms een beetje dicht. Syrië is een bondgenoot van Iran. Het steunt actief terreurgroepen als Hezbollah in Libanon en Hamas in de Palestijnse gebieden. De enige oplossing voor Irak is daarom om Iran en Syrië militair aan te pakken: de ontbrekende boem-boems.’

Maar is de regering van president Bush na het Irak-fiasco in staat en bereid tot een nieuw, riskant militair avontuur? Daarover wordt in Washington momenteel druk gespeculeerd. De meeste experts, politieke waarnemers, en wat daarvoor doorgaat, geloven dat de president door ‘Irak’ zo ernstig is verzwakt dat een nieuw militair avontuur uitgesloten lijkt. Sterker, de centrale vraag in het Congres is momenteel hoe lang de troepen nog in Irak kunnen blijven. Toch is er een minderheid die gelooft dat Bush, met de actieve steun van vice-president Cheney, zich van de publieke opinie niets zal aantrekken en datgene zal doen ‘dat goed is voor Amerika’. In die minderheidsvisie is het niet uitgesloten dat de regering nog voor het einde van Bush’ ambtstermijn met Iran zal proberen af te rekenen, juist omdat de president zo weinig populair is en niets te verliezen heeft. Vice-president Cheney zou het liefst willen zien dat Israël het vuile werk opknapt.

Van Tol gelooft dat Amerika geen keus heeft. Het schrikbeeld voor het Midden-Oosten is islamo-fascisme in Iran en Syrië, beschermd door een nucleaire paraplu. Het is daardoor in staat het Westen te terroriseren en te chanteren.

Jan van Tol: ‘Wat Iran zo gevaarlijk maakt is de combinatie Middeleeuwen-kernwapens. Het zal een nucleaire wapenwedloop in het Midden-Oosten tot gevolg hebben, het is een levensgevaar voor Israël en het is een bedreiging voor de olietoevoer door de Perzische Golf. Dat is niet alleen onaanvaardbaar voor Amerika, maar ook en speciaal voor Europa. Gedekt door een nucleaire paraplu kan Iran politieke eisen stellen, zogenaamd ten behoeve van de grote moslimgemeenschappen in Europa. Ja, ook in Nederland.’

Van Tol gelooft dat het tij in Irak aan het keren is ten gunste van verdere militaire actie. Zelfs een groeiend aantal Democratische politici en deskundigen gelooft dat de zogenaamde surge in Irak de militaire situatie beduidend verbetert. De soennitische stammen in de Anbar-provincies vechten nu met Amerika tegen al-Qaeda. En toenemende inmenging van Iran in Irak zal de Amerikaanse publieke opinie tegen Iran opstoken.

‘Iran levert wapens aan Irakezen die daarmee Amerikanen doden. Dat begint zelfs op Democraten indruk te maken. Het is een langzaam proces, maar het is een vonk die op een gegeven moment overslaat en de publieke opinie zal overtuigen dat Amerika geen keus heeft.’

Maar als Amerika of Israël militaire actie tegen Iran onderneemt, is het Amerikaanse leger in Irak dan niet een gemakkelijk doelwit voor Iraanse represailles? Is Amerika niet gegijzeld door de eigen Irak-politiek? Van Tol: ‘Het hangt ervan af wat voor prijs en hoeveel slachtoffers je bereid bent te betalen wanneer je Iran aanvalt. Zeker, Iran zal terugslaan. Het zal onder meer de Amerikanen in Irak aanvallen. Maar dat is de prijs waard. Amerika kan zich terugtrekken uit Irak om zich daardoor minder kwetsbaar te maken voor Iraanse tegenaanvallen. Maar die terugtocht leidt direct tot een geweldig verlies van prestige en geloofwaardigheid, een prijs die ik niet zou willen betalen.’

Regime change in Iran is mogelijk, gelooft Van Tol, maar luchtaanvallen op nucleaire installaties volstaan daarvoor niet. Van Tol bepleit een combinatie van luchtaanvallen, een economische boycot van de havens van Iran en ‘onconventionele militaire acties van speciale eenheden’, oftewel sabotageacties van commandotroepen in Iran. Om militaire actie politiek te kunnen verkopen, zegt hij, moet er sprake zijn van een Iraanse provocatie. De kans daarop wordt steeds groter naarmate Amerikaanse soldaten in Irak vaker het slachtoffer worden van Iraanse bommen en granaten.

‘Je kunt ook regime change bewerkstelligen door met behulp van sancties de slechte economische situatie in Iran nog verder te verslechteren. Zo heeft Iran ondanks zijn enorme olievoorraden een tekort aan geraffineerde olie. Aangescherpte sancties kunnen een cumulatief effect hebben en dat kan tot instorting van het toch al weinig populaire regime leiden.’ Van Tol noemt de Europese opstelling ‘hypocriet’: ‘De paradox is dat Europa, juist omdat het niet meedoet met economische wurgsancties, militaire actie waarschijnlijker maakt en daarmee het tegendeel bereikt van wat het wil.’ Een voorbeeld van de kortzichtige Europese politiek is volgens Van Tol het incident met de Engelse matrozen eerder dit jaar. Ze werden door de Iraniërs gevangen genomen. Engeland klopte vervolgens tevergeefs aan bij de EU om economische sancties toe te passen.

Van Tol waarschuwt ons: ‘Europeanen denken anders dan wij, en zeker dan de regering-Bush. Jullie zijn bang dat de regering-Bush net als bij Irak met het meest negatieve scenario zal komen en dat ze daarmee Europese medewerking zal misbruiken om een sterkere case te kunnen maken voor oorlog. Maar voor Cheney is een worst case scenario helemaal niet nodig. Een één-procent-risico moet volgens Cheney politiek als een honderd-procent-risico worden genomen. Dat is zijn beleid.’

Maar geeft de ervaring in Irak niet te denken dat Amerika als gevolg van militaire actie tegen Iran in een nog groter moeras wegzakt?

Jan van Tol: ‘Nee. Amerika moet niet de fout maken die het in Irak heeft gemaakt en zich met “nation building” gaan bezighouden. Ik ben het oneens met de stelling van Colin Powell. Die zei voor de invasie van Irak tegen Bush: “If you break it, you own it.” Het gaat erom dat je het regime omverwerpt. Een nieuw regime, ook in Iran, dat moeten de Iraniërs zelf opknappen, al moet je er natuurlijk wel voor zorgen dat er een minder anti-Amerikaans regime komt. En één zonder kernwapens natuurlijk. En er is een ander fundamenteel verschil met Irak: in Iran bestaan geen tegenstellingen tussen sjiieten en soennieten.’

Ook voor Syrië, de laatste boem, is volgens Van Tol regime change de enige oplossing. Ik leg hem voor dat het omverwerpen van het Assad-regime een nog veel grotere chaos tot gevolg kan hebben dan in Irak. Van Tol stelt een tegenvraag: ‘Wat is slechter dan slecht? Is islamo-fascisme in Syrië dan een garantie voor een betere toekomst? En als je denkt dat de stabiliteit van een terreurregime beter is dan de onzekerheid van het alternatief, dan stel ik daar tegenover: was de terreur van Stalin goed voor het land en de Russische bevolking omdat die stabiel was? Dat is iets wat je de bevolking niet kunt aandoen.’

……………………………………………………………………………………..

Bloedneus

Het is moeilijk voorstelbaar, maar ze zijn er nog: westerse politici en adviseurs die geloven in een legitieme, door militaire interventie afgedwongen regime change in Teheran en andere hoofdsteden in het Midden-Oosten. Jan van Tol, tot voor kort veiligheidsadviseur van vice-president Dick Cheney en deze week geïnterviewd in De Groene Amsterdammer, staat niet alleen.

Zijn voormalige chef heeft het afgelopen halfjaar een groep kapitaalkrachtige aanhangers en denktankmedewerkers bijeengebracht in de stichting Freedom’s Watch, die nu al enige weken campagne voert onder het motto dat Iran een directe bedreiging is voor de Verenigde Staten en dat Teheran moet worden ‘gestopt’. Voorzitter is Bradley Blakeman, een gewezen assistent van George Bush. Een van de leden is Ari Fleischer, voormalig perswoordvoerder van het Witte Huis. De stichting is opgericht na een bijeenkomst van een rechtse joodse pressiegroep in de VS, de Republican Jewish Coalition, waar Cheney de belangrijkste gastspreker was. Terwijl generaal Petraeus onlangs zijn omstreden verslag van de Irak-oorlog aan het Congres en het Amerikaanse volk presenteerde, besteedde Freedom’s Watch vijftien miljoen dollar aan een advertentiecampagne waarin die oorlog ondanks alle gebrek aan bewijs wordt afgeschilderd als een noodzakelijk en gerechtvaardigd antwoord op 11 september 2001.

Volgens onderzoeksjournalist Seymour Hersh bereiden het Witte Huis, het Pentagon, de CIA en het ministerie van Buitenlandse Zaken zelfs in alle ernst een aanval op Iran voor, ook al is de presidentiële opdracht daartoe (in de vorm van een ‘executive order’) nog niet door George Bush afgegeven. Groot-Brittannië en ditmaal ook Frankrijk (onder de nieuwe president Sarkozy) zouden er in beginsel achter staan. Dat schrijft Hersh in een wel heel alarmistische aflevering van zijn ‘nationale-veiligheidskroniek’ in het weekblad The New Yorker.

De meeste bronnen voor het artikel zijn anoniem, maar dat kan Hersh zich veroorloven. Hij heeft er in zijn lange carrière ook wel eens naast gezeten, maar vaker had hij het bij het rechte eind en wel op spectaculaire wijze, of het nu ging om de oorlogsmisdaad in My Lai (1969), het neerschieten van vlucht 007 van Korean Air Lines (1983) of de mishandelingen in Abu Ghraib (2004). Het bericht dat de Amerikanen zulke plannen hebben klaarliggen, is op zichzelf niet opzienbarend; de door Hersh beschreven motivatie ervoor is dat wel. De geschetste casus belli is namelijk niet het gewraakte Iraanse nucleaire programma. Die benadering is onhaalbaar. Een ‘chirurgisch’ bombardement dat de Iraanse productie van een atoomwapen vele jaren vertraagt (naar het voorbeeld van de Israëlische aanval op de Iraakse Osirak-kerncentrale in 1982) is praktisch onmogelijk. De publieke opinie in eigen land en in de rest van de wereld hecht voorlopig geen geloof meer aan Amerikaanse ‘inlichtingenrapporten’, en het uitschakelen van de diep ingegraven en modern beveiligde Iraanse nucleaire faciliteiten is onbegonnen werk.

In plaats daarvan overweegt Washington bombardementen op militaire bases en kazernes van de Revolutionaire Garde, eventueel aangevuld met operaties van special forces op Iraans grondgebied, een aanvulling waar volgens het artikel vooral Cheney een ‘groot voorstander’ van is. Een en ander in de verwachting dat gematigde Iraanse leiders van deze ‘bloedneus’ schrikken en besluiten om de radicale president Ahmadinejad op een zijspoor te zetten. En de Democraten in het Congres kunnen ditmaal geen roet in het eten gooien, want Bill Clinton ‘liet ook beperkte bombardementen op Afghanistan, Soedan en Bagdad uitvoeren’.

Het wachten is nog slechts op een aanleiding, schrijft Hersh. ‘Het zal ervan afhangen hoe stom de Iraniërs op provocaties reageren’, meent de voormalige nationale-veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski. Een kleine aanval op een Amerikaanse eenheid in naburig Irak (‘Tien dode Amerikanen, een paar uitgebrande voertuigen’) kan al genoeg zijn. Het is voor Patrick Mercer, de kersverse veiligheidsadviseur van de Britse premier Gordon Brown, een extra reden om Amerikaanse mededelingen en inlichtingen omtrent de situatie in de Golf te wantrouwen. ‘Alles wat van de Amerikanen komt moet met een flinke korrel zout worden genomen’, zei hij afgelopen weekeinde: ‘Is het Amerikaanse retoriek, propaganda of feit?’

Aart Brouwer