Irene’s queeste

Dialoog met de natuur, het nieuwe boek van Irene van Lippe-Biesterfeld, mag gerust een doorbraak worden genoemd op het terrein van de monarchale bekentenisliteratuur. Waar esoterie en occultisme in de koninklijke familie enige decennia terug zelfs in de meest besmuikte en verborgen vorm nog garant stonden voor een keten van politieke catastrofen (zoals de Greet Hofmans-affaire), is de openhartigheid waarmee de prinses haar zoektocht naar hogere ervaringen beschrijft, niet minder dan een openbaring.

Reeds nu mag ze gerust de Erica Jong van de mystieke ervaring worden genoemd, en Dialoog met de natuur kan worden geafficheerd als het ritsloze nummer van de transcendentale ervaring. In ieder geval is Irene de schaamte voorbij. Vanzelfsprekend zijn de ironische commentaren over de expeditie van Irene naar vorige levens en haar liefdesrelaties met bomen en dolfijnen niet van de lucht, maar dat voorspelde ex-‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema al in zijn voorwoord in het boek.
Hazelhoff Roelfzema schrijft dat hij de publikatie van het boek ernstig heeft ontraden: 'Vanaf het begin ben ik ertegen geweest. Ook na lezing van het manuscript is mijn tegenstand onverminderd’, schrijft hij. Niet dat Hazelhoff afkerig is van Irene’s metafysische queeste. In tegendeel, op zijn rustoord Hawaii heeft hij ook eens iets met dolfijnen gehad. Eerder vreest hij de op het boek volgende publiciteit. 'Het publiceren van een boek leidt onafwendbaar tot pers en televisie, waar de best getrainde indringers uit hoofde van hun beroep hoogtij vieren, en voor hen is het hele huis van Irene’s leven, verleden, heden en toekomst boeiend terrein.’
Dialoog met de natuur maakt een goede kans op een cultstatus. Niet alleen als New Age-boek, maar ook als wat verlate feministische Bildungsroman. Van doorslaggevend belang blijkt de cursus aura- en chakra-reading te zijn die Irene volgde aan volkshogeschool De Drackenburg. Aldaar ontdekte zij haar vele vorige incarnaties ('Van priesteres tot afschuwelijke machtswellusteling’) en de verminkte relatie van de mens met de natuur ('We zenden een destructieve kracht de kosmos uit’).
Ook geeft Irene zich veel moeite om haar lange en slepende identiteitscrisis sinds haar scheiding van de Spaanse prins Hugo Carlos de Bourbon-Parma in geuren en kleuren te beschrijven. Wel zwaait ze hier en daar kwistig met de historische retoucheerkwast. Zo doet Irene het voorkomen alsof ze in haar Spaanse periode zo'n beetje het verzet tegen het Franco-regime heeft geleid. In werkelijkheid was er toentertijd nogal wat commotie over de rooskleurige uitspraken die Irene herhaaldelijk wijdde aan het leven onder het juk van de 'Caudillo’.
Maar dat zij haar vergeven. Wat beklijft zijn de zinderende beschrijvingen van de esoterische inwijdingen, van de eerste spiritistische 'encounter’ met een geest genaamd Zoro - 'Het was allemaal zo nieuw, de relatie met de gidsenwereld, Zoro, de reele aanraking, de grenzeloze liefde. Waarom was Zoro geen man van vlees en bloed! Het zou de ideale liefde zijn… Ik raakte er een beetje holderdebolder van, zo enthousiast: dit was mijn eerste voelbare ervaring met de wereld buiten de zichtbare, tastbare wereld’ - tot de reeds veel aangehaalde dolfijnenromance.
Samen met een boek als Nu vertel ik alles van prinses Soraya van Perzie is dit zonder meer een mijlpaal in de koninklijke lectuur. Wie het heeft gelezen, kan alleen maar treuren om het feit dat Irene’s moeder niet de kans heeft gekregen om met dezelfde onbevangenheid haar occulte queeste vast te leggen voor de eeuwigheid. Of dat Wilhelmina na haar pensioen niet een dergelijk project aanving. Die sprak naar verluidt ook al lang en vaak met bomen.