Hoogleraar ontwikkelingseconomie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Irene van Staveren

Wat is de meest dringende maatschappelijke kwestie van dit moment?

Het doorgeschoten geloof in marktwerking. Er is een onderstroom in de economische literatuur die al jaren theoretisch en empirisch beargumenteert dat markten alleen goed functioneren wanneer ze ingebed zijn in de juiste regelgeving en instituties (zie bijvoorbeeld het recente boek van Ha-Joon Chang[i] dat helder alle economische en sociale beperkingen van de vrije markt opsomt). De liberalisering van de taximarkt is hopeloos mislukt, zodat de politiek toen het al te laat was allerlei ad hoc maatregelen heeft moeten nemen om de schade voor consument en arbeidsmarkt enigszins te beperken. Ik heb hier een onderzoek naar gedaan middels interviews met taxichauffeurs en secundaire data[ii]. De mainstream economische theorie, waarin de vrije markt per definitie als meest efficiënt allocatiemechanisme wordt beschouwd, leert dat privatisering en liberalisering succesvol zouden moeten zijn daar waar de concurrentie groot is en de toetredingsbarrieres beperkt zijn. Volgends de theorie zullen de prijzen dan dalen en zal de kwaliteit toenemen. Een goed voorbeeld is de telecommunicatiemarkt waar sinds de privatisering en liberalisering enorme verbeteringen zijn opgetreden en steeds lagere prijzen gelden met toenemende diensten (hoewel zelfs op die markt soms de Europese Commissie eraan te pas moet komen om lagere tarieven af te dwingen, zoals voor bellen naar het buitenland). Op de taximarkt is juist het tegenovergestelde gebeurd. Er is een enorme toename geweest aan de aanbodszijde, van chauffeurs zonder ervaring of kennis van steden, Nederlandse taal, en normen in de taxisector. Maar de kwaliteit verslechterde en de prijzen namen toe. De consument kan namelijk geen keuze maken o.b.v. kwaliteit in een lange rij wachtende taxi’s op straat, waardoor er geen prikkel uitgaat om de kwaliteit te verhogen. Ook selectie o.b.v. prijs is moeilijk omdat die pas aan het einde van de rit wordt bepaald, o.b.v. afstand en tijdsduur bij oponthoud, en er ook nog een wisselend instaptarief is. De gemiddelde ritprijs is gestegen na de liberalisering, zodat huishoudens twee maal zoveel geld kwijt waren aan taxivervoer terwijl ze minder kilometers aflegden in taxi’s… Die prijsstijging is slechts deels te wijten aan de stijging van de brandstofprijzen en voor een belangrijker deel doordat de prikkel tot concurrerende prijzen ontbreekt. De ondoorzichtige prijsstructuur maakt prijsvergelijking moeilijk en chauffeurs proberen door het toegenomen aanbod hun gedaalde inkomen te compenseren met hogere ritprijzen, of zelfs het weigeren van korte ritjes. Tot slot zijn de arbeidsproductiviteit en de kapitaalefficientie (kilometers per auto) eveneens afgenomen, waardoor niemand heeft gewonnen bij de liberalisering, niet de vraagzijde, noch de aanbodzijde.

Ook de privatisering en liberalisering van de thuiszorg is geen succes gebleken. De WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) die in 2007 werd ingevoerd heeft ondernemers aangetrokken zonder intrinsieke motivatie die het als een kans zagen om met overheidsgelden te woekeren zonder betere kwaliteit te bieden aan degenen die te weinig onderhandelingsmacht hebben om voor zichzelf of hun familieleden (mantelzorgers) op te komen. In een kleine steekproef die ik heb gedaan in Rotterdam onder mantelzorgers bleek dat er minder thuiszorg werd geboden, tegen hogere bedragen, zodat mantelzorgers zwaarder belast werden[iii]. En dat terwijl de gemeente juist erkend had dat de lasten voor mantelzorgers te zwaar zijn, en men die juist wilde verlichten middels steunpunten in de deelgemeenten. Dat bleek haaks te staan op de gevolgen van de marktwerking in de thuiszorg. De operatie leidde wel, zoals gehoopt, tot een flinke verlaging van de kosten: de concurrentie door het aanbestedingsproces via gemeenten leidde tot 12% lagere prijzen, door sommige zorgaanbieders zelfs onder de kostrijs (met prijsdalingen tot 30%). Dat leidde echter weer tot ontslagen en teruginhuren van werknemers op uurbasis, dus slechtere arbeidsvoorwaarden (waar de overheid na veel protest weer een mouw aan gepast heeft, net als bij de taximarkt met ad hoc maatregelen om de schade te beperken). Gemeenten hielden 20% van het thuiszorgbudget over in 2007 waarvan het nog steeds niet in alle gevallen duidelijk is of die middelen wel bij zorg of in geheel ander budgetten terecht gekomen zijn. Terwijl de gemiddelde leeftijd van de mantelzorgers in de steekproef in Rotterdam 69 jaar is moest eenderde van hen meer uren mantelzorg leveren sinds de invoering van de WMO omdat de betaalde zorg is verschraald of via een Persoons Gebonden Budget (PGB) te duur werd, en omdat er geen afruil meer mogelijk is tussen persoonlijke zorg en huishoudelijke zorg voor patienten. Dit jaar werd het PGB zelfs een aantal maanden gestopt omdat de budgetten op waren. De helft van de onderzochte mantelzorgers ervaart de zorgtaak als verzwaard en heeft erdoor minder vrije tijd en sociale contacten. Kortom, ook hier geen efficiencywinst maar een kostendaling die is afgeschoven op werkneemsters die toch al onderaan de arbeidsmarkt zitten, op clienten die weinig onderhandelingsmacht hebben door ziekte en/of ouderdom, en op mantelzorgers die vaak familieleden zijn en hun zorg niet zullen beperken, ook al is de belasting groot.

Kortom, het marktdenken in Nederland is doorgeschoten en wordt te gemakkelijk als oplossing gezien voor ingewikkelde maatschappelijke problemen zoals de toenemende zorgvraag in relatie tot de vergrijzing, of als lapmiddel voor een markt waarin sommige instituties achterlopen bij de praktijk, zoals dure taxivergunningen en in regio’s opgedeelde markten. Markten zijn ingebed in een sociaal-culturele omgeving en kunnen alleen goed functioneren mits de instituties voor een goede balans met die omgeving zorgen, en helpen vraag en aanbod dichter tot elkaar te brengen. En soms zijn de mogelijkheden van de markt beperkt en moet de allocatie van middelen voor een belangrijk deel rusten op de overheid en wordt de vraag niet of het goedkoper kan maar of het beter kan (waardoor het soms alsnog goedkoper wordt).

Wat is het meest onderschatte probleem in Nederland?

Toenemende ongelijkheid zowel binnen Nederland als tussen ons land en ontwikkelingslanden. Als econoom beperk ik me tot de economische nadelen daarvan. En daarmee stuit ik op de mythe dat efficiëntie en gelijkheid noodzakelijkerwijze trade-offs zijn. Deze mythe is echter de fundering van de welvaartsheorie, tezamen met het dogma dat economische actoren alleen uit zouden zijn op het maximaliseren van hun individuele nut. Samen houden ze het idee in stand dat herverdeling onherroepelijk leidt tot verlies aan efficiëntie, omdat als je de rijken hoger belast ze minder hard zullen gaan investeren en produceren, en als je de armen meer welvaart gratis geeft, ze de prikkel missen om te werken. Maar dat is een voorstelling van zaken die voorbij gaat aan hoe mensen in werkelijkheid economisch handelen, waarbij ze ook waarde hechten aan talenten ontplooien, zinvol bezig zijn, competitie met anderen, samenwerking, creativiteit, of zelfs maar simpelweg handelsgeest en ambitie, zoals ik heb betoogd in mijn boek over de waarden van de economie[iv]. Met mijn studenten doe ik wel eens het bekende ultimatumspel. Ik vraag twee studenten naar voren te komen en geef een van hen 10 euro in munten van 1 euro. Deze student mag zelf kiezen hoeveel zij aan de ander geeft. Accepteert de ander de verdeling mogen ze het geld houden (en nee, dat declareer ik niet als onderwijskosten, ik vind het spel veel te leuk om er een bureaucratische declaratieronde mee te genereren). Weigert de ander, dan moet het hele bedrag aan mijn teruggegeven worden. Het dogma van de economische rationaliteit voorspelt dat de eerste student 1 euro weggeeft en dat de ander dat accepteert, want het is tenslotte beter om 1 euro te krijgen dan helemaal niets. De praktijk echter leert dat bij zo'n verdeling de ontvangende student doorgaans weigert. Ja, ten koste van zijn portemonnee. En omdat de meeste studenten weldegelijk rationeel zijn, maar niet op een kortzichtige calculerende manier, en rechtvaardigheidsnormen meenemen, zal de eerste dan ook doorgaans tussen de 4 en 6 euro geven. De ontvangende student zal dat accepteren, niet alleen omdat hij daar financieel beter van wordt, maar ook omdat hij het rechtvaardig vindt. Deze proef is duizenden malen gedaan over de hele wereld, en overal blijkt ongeveer hetzelfde resultaat uit het ultimatumspel te komen[v]. Sterker nog, de speltheorie heeft bewezen dat dit efficiënt gedrag is want het bevordert samenwerking, hetgeen nodig is om markttransacties tot stand te brengen.

Ik heb dit idee in een theoretische onderzoekslijn uitgewerkt in relatie tot de welvaartstheorie[vi]. Ik heb betoogd dat wanneer de ongelijkheid redelijk tot extreem groot is, herverdeling juist efficiëntie verhogend werkt. Dat is omdat verdeling van middelen (land, arbeid, hulpbronnen, kapitaal) mensen toegang verschaft tot productiemiddelen, zoals land (landherverdeling in Zuid Korea in de jaren ‘50 heeft aan de wieg gestaan van het economisch wonder daar) of werk en ervaring (Melkertbanen die langdurig werklozen weer kansen gaf op de arbeidsmarkt en die daarmee productiviteit leverden, al was het vaak laag, tegen een bedrag dat iets hoger dan een uitkering lag). Onderzoek van de Wereldbank heeft laten zien dat landherverdeling in Zuid-Afrika, India en Brazilie van grootgrondbezitters naar landloze boeren niet leidt tot productiviteitsverlies door schaalverkleining zoals de standaard economische theorie voorspelt, maar tot efficientieverhoging omdat laag productief land nu hoog productief wordt, door intensief gebruik van arbeid. Het positieve effect van herderdeling op efficiëntie loopt via drie mechanismen. (1) de wet van de afnemende meeropbrengsten, waardoor de verschuiving van de laatste toegevoegde inputs naar een activiteit worden verschoven met minder van die input productiever zullen zijn (2) het 'crowding in’ effect van complementaire productiefactoren waardoor de totale productiviteit omhoog gaat (3) afremmen van de afschrijving van menselijk kapitaal wanneer dat anders niet door werkervaring op peil blijft.

Kortom, het wordt tijd dat de toenemende ongelijkheid in Nederland en de wereld niet alleen door een sociale bril wordt bekeken, waardoor herverdeling het al gauw verliest in het dominante economische debat van bezuinigen en doorgeschoten marktwerking, maar ook door een kritische economische bril. En dan blijkt dat herverdeling weleens een sleutel zou kunnen zijn tot een stabielere en dynamischer economie.


[i] Ha-Joon Chang, 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism. London: Penguin Books, 2010.

[ii] Irene van Staveren, 'Deregulering taximarkt mislukt’, ESB 88 (4406), 2003, pp. 278-280.

[iii] Irene van Staveren, 'Home care reform in the Netherlands: impacts on unpaid care in Rotterdam’, Forum for Social Economics, 39 (1), 2010, pp. 13-21.

[iv] Irene van Staveren, The Values of Economics. An Aristotelian Perspective. London: Routledge, 2001.

[v] Joseph Henrich,Robert Boyd, Samuel Bowles, Colin Camerer, Ernst Fehr, and Herbert Gintis. Foundations of Human Sociality: Economic Experiments and Ethnographic Evidence from Fifteen Small-Scale Societies. Oxford University Press, 2004.

[vi] 'The Ethics of Efficiency’, Pluralist Economics Review, June, 2008. Online journal: http://www.feedblitz.com/f/f.fbz?articles=268315&guid=d57584d4-30ab-11dd-898f-003005d070f0


Bekijk de pagina van Irene van Staveren bij de Erasmus Universiteit