© Eddy de Jongh / Nederlands Fotomuseum

Midden in het vernietigingskamp Bergen-Belsen ligt een baby onder een schoon lakentje. Een lakentje met een open zoom, schrijft Abel Herzberg. ‘Met een kantje, dat zijn moeder zelf had gehaakt, zo’n gewone vrouw, die te midden van al dat vuil en die stank, te midden van al die zelfzucht, dat kijven en vechten om een lepel soep, de honger, de ziekten en de dood, de gewone instincten niet verloren had van een jonge moeder voor een kind.’ Het kindje floreert onder alle liefdevolle zorg; het heeft een roze gezichtje en speelt met zijn handjes.

De blonde kapo Irmy, belast met toezicht op de gevangenen, raakt erdoor vertederd. Als ze de barak komt inspecteren, zorgen de vrouwen ervoor dat ze het kindje al bij binnenkomst ziet liggen en daardoor vergeet dat ze een oorlogstaak heeft. Ontroerd zegt Irmy: ‘Als jullie allemaal vergast of doodgeschoten worden, red ik deze kleine.’ Herzberg schrijft droog: ‘Dat was bedoeld als troost en oprecht gemeend.’

Abel Herzberg staat bekend als baken van verdraagzaamheid en mildheid. Maar Amor fati, de bundeling van de opstellen die hij schreef na terugkomst uit Bergen-Belsen, is niet per se een mild boek – het is raak. Dat blijkt alleen al uit zijn analyse van gevangene Irmy, die als kapo en Blockführerin meedogenloos toezicht houdt.

Irmy is een round character, ze heeft haar momenten, ze snuit de neuzen van weeskinderen, praat met vrouwen over lapjes en katoentjes, over broekjes en jarretelletjes, en zodra ze genoeg gebabbeld heeft, zegt ze: ‘So, jetzt geh’ ich mal ein bisschen prügeln im Frauenlager.’ En dan verlaat ze de gevangenenbarak om met haar karwats Poolse vrouwen te gaan afranselen in de nog lagere regionen van de hel. Irmy gelooft in haar eigen goede bedoelingen.

De casus van Irmy interesseert Abel Herzberg in hoge mate. Hij bestudeert haar met de nieuwsgierigheid van de onderzoeker die ‘zelfs als hij tegen de grond geslagen wordt, de belangstelling niet verliest voor zijn tegenstander’. Uit overlevingsdrang, om straks terug te kunnen slaan. Maar vooral uit moreel zelfbehoud. Herzberg streeft niet naar begrip van de situatie uit mildheid of om de tegenstander later te kunnen verdedigen: hij wil doordringen in de gebeurtenissen in de kampen ‘ter wille van ons zelf en onze zuiverheid’. Gewetenloosheid is besmettelijk. Hoe wapen je je ertegen? Hoe voorkom je je eigen morele faillissement?

De berustende titel Amor fati – ‘liefde voor het onvermijdelijke’ – lijkt mij daarom bedrieglijk. In even afstandelijk Latijn had de bundel veel beter Tua res agitur kunnen heten: ‘je eigen belangen staan op het spel’. De waarschuwing van Horatius duikt hier en daar in de tekst op: Tua res agitur, paries cum proximus ardet – ‘je eigen zaak staat op het spel als het huis van je buurman in brand staat’.

De mensheid is een groot ecosysteem en je kunt je niet isoleren van het groteske geweld en de morele waanzin van anderen, je wordt erdoor geraakt. Als je niet oppast, steekt de wreedheid je aan. Dan word je zelf de gevangene die andere gevangenen onder toezicht houdt, vernedert, verraadt en denkt daaraan goed te doen.

Kernvraag bij bestudering van de geschiedenis draait dus om Irmy: hoe krijgt ze zichzelf zo ver dat ze niet hele volkeren vergast en doodschiet? Of althans dat ze moord niet normaal gaat vinden en, in moderne termen, de oproep ertoe retweet?

Niet dat ik pretendeer te weten hoe je Amor fati moet lezen: ik kan hooguit zeggen hoe ik het boek zelf lees. Allereerst met bijna onoverwinnelijke schroom. Opgegroeid met de oorlog als een nerveus familieverhaal durf ik van oudsher nauwelijks over de geschiedenis te praten – alsof dat een raar soort culturele toe-eigening zou zijn. Het probleem – mijn probleem – is dat mijn grootvader bij het uitbreken van de oorlog in vreemde krijgsdienst trad en later met de Duitse legertroepen naar Rusland trok. Door die beladen oorlogsgeschiedenis heb ik mijn wortels in schuld en schaamte. Hoe haal ik het eigenlijk in mijn hoofd hier over het verleden te beginnen? Ben ik niet al van geboorte af aan moreel failliet?

Tegelijkertijd heb ik uiterst betweterige meningen over de aanpak die anderen kiezen. Ik heb vooral een hekel aan boeken en films die de oorlogsgeschiedenis presenteren als een gruwelkabinet. Er leeft onder de mensheid een morbide fascinatie voor geweld en misdaad die in feite afbreuk doet aan de ernst ervan.

Hoe krijgt kapo Irmy zichzelf zo ver dat ze niet hele volkeren vergast en doodschiet? Of althans dat ze moord niet normaal gaat vinden?

Al die luidruchtige verhalen over de holocaust maken het verleden gereed voor consumptie, muziekje eronder, het geluid van Duitse legerlaarzen: het is een pervers teren op de misdaden van een ander. De grootste wandaden teruggebracht tot het decor waartegen wij onze brave afschuw en goede inborst tonen. Het is onernst. En ik heb beslist niet het gevoel dat je als lezer of kijker daarmee je persoonlijke morele faillissement afwendt. Integendeel.

Als ik dit voorjaar voor het eerst Amor fati lees, veegt Abel Herzberg in een haal deze bewasemde ruit van de geschiedenis schoon. Het blijkt mogelijk zo intiem te schrijven over de vernietigingskampen dat er een vreemd soort nabijheid tussen schrijver en lezer ontstaat. De essays mikken niet op onze fascinatie voor normloosheid, maar proberen gezamenlijk de norm te zoeken. Dat is zeldzaam. En het is vooral ook leerzaam voor de 21ste-eeuwer die worstelt met de vraag hoe je de wereldgeschiedenis op papier moet krijgen.

© Eddy de Jongh / Nederlands Fotomuseum

Natuurlijk begint geschiedschrijving gewoon bij de feiten. Maar gaat schrijven niet ook over betekenis? En zit die betekenis uiteindelijk niet in een vraag die je jezelf al lezende stelt? ‘Auschwitz is als een zonsverduistering’, zegt de Amerikaanse schrijfster Vanessa Zoltan deze zomer in een interview over de werking van literatuur. Te fel om direct naar te kijken, maar ‘via een tekst’ kun je er betekenis uit destilleren.

Iets dergelijks, maar dan nog pertinenter, zegt de joodse pedagoge Lea Dasberg in 1965 naar aanleiding van haar proefschrift. ‘En nou geloof ik dus dat de kinderen door het kennen van feiten uit de Tweede Wereldoorlog – veldslagen zowel als namen van politici en hun functies, namen van concentratiekampen, feiten over hongerwinters en jodenvervolging, over de aantallen gesneuvelde soldaten en gebombardeerde steden – dat de leerlingen met deze feiten op zichzelf nog helemaal niets aan historisch bewustzijn hoeven te winnen. En dat ze dat zelfs uitdrukkelijk niet zullen winnen, wanneer men het bij deze feitenkennis laat.’

Het kwam Dasberg min of meer op verwijten van holocaustontkenning te staan, maar laat ik me niet in de toenmalige onenigheid begeven, zelf vermoed ik dat ze hier simpelweg wees op het belang van normativiteit. Met alleen de naam- en adresgegevens van daders en slachtoffers kom je uiteindelijk niet verder. Wil je iets opsteken van het verleden, dan kun je beter de vraag stellen hoe bereidheid tot moorden werkt. En als je niet in een totalitaire staat wil leven, moet je leren verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen toekomstige keuzes. Als student van de geschiedenis, zei Dasberg later, moet je ‘het probleem der moraliteit’ leren kennen.

Op een heel delicate manier is dat precies wat Abel Herzberg doet met Amor fati: het probleem der moraliteit aan de orde stellen. De ingewikkelde kwestie van de morele norm – want wat is de norm dan en hoe pas je haar van geval tot geval toe? – ligt als onderwerp van onderzoek midden op tafel.

Herzberg kijkt in het kamp met een lichte frons naar Labi, een schoolmeester uit de Libische stad Benghazi, die weigert soep met paardenvlees te eten, omdat hij zich rechtzinnig aan de joodse spijswetten houdt. Jawel, de gevangenen zijn het erover eens, Labi is ‘een man als een lelie’, maar in Bergen-Belsen is het niet verstandig je soep te laten staan en het zou ‘zeer zonde’ zijn als Labi doodging. Je zou het hem zelfs kwalijk kunnen nemen: de spijswetten eisen niet dat je jezelf uithongert. Ze spreken hem erop aan. ‘Labi, waarom eet je geen soep?’ En dan fluistert Labi: ‘Omdat er een verschil is tussen rein en onrein.’

Wat je ook vindt van de verstoktheid van Labi, schrijft Herzberg, deze zin onderscheidt hem van degenen die niet weten en ook niet willen weten dat er een scheidslijn loopt tussen geoorloofd en ongeoorloofd. De nazi’s hebben het besef niet: Göbbels niet en de Führer al helemaal niet. Daarbij gaat het natuurlijk niet om paardenvlees, maar om de eerste zin uit de menselijke beschaving. ‘Om de erkenning, dat er iets is, dat mag en iets, dat niet mag.’

In deze onrustige nieuwe eeuw – met het huis van allerlei buren in brand en onze eigen zaak op het spel – denk ik dat we van de episodes met Irmy en Labi twee lessen kunnen leren. Of misschien vind ik de lessen daar zo gemakkelijk omdat ik ze er zelf in leg.

De eerste les die ik leer voor de 21ste eeuw is dat we snel af moeten van die populaire identitaire vraag: tot wie behoor ik, de goeden of de slechten, de reinen of de onreinen, de normalen of de abnormalen? De vraag is niet wie we zijn en bij wie we horen, maar op welke normatieve argumenten we ons handelen baseren. Of dat handelen rechtvaardig is en dus niet alleen de eigen groep dient, maar ook de zaak der anderen.

Het heeft geen zin zulke morele vragen te negeren en fatalistisch te verzuchten dat je niet weet wat je zelf ooit nog zal doen in oorlogsomstandigheden. ‘Wie weet hoe ik zal reageren’ – het is al zolang ik me kan herinneren bon ton om dat te zeggen, maar ik heb het altijd schandelijk moreel gemakzuchtig gevonden.

Je kunt je op z’n minst voornemen je onder alle omstandigheden minimaal menselijk tegenover de ander te gedragen. Je hoeft geen heilige te zijn, zelfs niet altijd een barmhartige Samaritaan, maar wel, zoals de filosoof Judith Jarvis Thomson dat ooit noemde, een minimaal fatsoenlijke Samaritaan, dat is een plicht. Zal achteraf blijken dat je daar onder extreme en ontmenselijkende omstandigheden niet aan hebt kunnen voldoen, dan zien we dat dan wel weer, maar de norm ligt er.

De tweede les is dat we een levende omgang met de norm moeten behouden en de normering van menselijk gedrag niet kopflos moeten automatiseren en uitbesteden aan systemen en technologie.

Psychopaten zijn het minst interessant. Interessanter zijn de normale mensen die de norm uit het oog verliezen

Tel eens wat recente berichten bij elkaar op over de 21ste-eeuwse normering en aansturing van gedrag. Een besluit van de EU om data uit te wisselen tussen EU-landen op basis van automatische gezichtsherkenning; opsporing van de minderheid der Oeigoeren door Russische gezichtsherkenningssoftware; Facebook dat biometrische data koppelt aan profielen. Ik voel nattigheid, om het maar eens voorzichtig te zeggen.

‘Zie je er alleen onveiligheid in of ook veiligheid’, vraagt een vriendin als we op een Amsterdams terras onder een camera zitten. ‘Alleen onveiligheid’, zeg ik. Ik zie er een administratieve moordmachine in, denk ik, maar dat zeg ik niet.

De twee actuele kwesties – identiteit en automatisering – zijn nauw verbonden, met elkaar en met de geschiedenis van het geweld. Ik zit op een stoel en probeer de puzzel te leggen. Als ik maar hard en diep genoeg nadenk, kom ik met een vondst, een conclusie over normering en geweld die niet alleen de toekomst verandert, maar zelfs het verleden. Toch? Je weet maar nooit. Af en toe denk ik dat dat mijn opdracht in het leven is.

Abel Herzberg in 1980. Wat is de norm en hoe pas je haar van geval tot geval toe? © Eddy de Jongh / Nederlands Fotomuseum

In mijn huis, in de kamer waar ik ontbijt en de krant lees, hangt een piepklein Russisch icoon met een afbeelding van Sint Joris. Dat icoontje heeft mijn grootvader uit Rusland meegenomen, toen hij als ordonnans aan het oostfront was en ik weet niet of hij het heeft gekocht of achterovergedrukt. Helemaal gerust ben ik er niet op. Maar hoe kom je daarachter?

Mijn grootvader was vreemd genoeg ook nog even commandant van het opleidingsinstituut voor de Landwacht, maar hij was geen nazi en geen psychopaat; hij was een avonturier die werkloos raakte aan het begin van de oorlog en een opening zag – een opportunist zou je kunnen zeggen. Dat onderscheid maak ik beslist niet ter vergoelijking, maar ter verduidelijking. Hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik geloof dat er een profiel bestaat van het daderschap. Je kunt niet via dna-onderzoek onderscheid maken tussen goede en slechte mensen – je kunt eigenlijk alleen maar iets zeggen over gedrag.

In zo’n oorlog neemt daderschap heel wat verschillende vormen aan en er zijn daarom ook heel wat profielschetsen gemaakt. Er zijn overtuigingsdaders. Er zijn psychopaten die in de woorden van Abel Herzberg ‘met vreugde en wellust’ leed toebrengen aan anderen. Er zijn de gehoorzaamheidsdaders, de sociaal conformisten, Daniel Goldhagens Hitler’s willing executioners en Christopher Brownings ordinary men. Er zijn vrijbuiters zoals mijn grootvader. En al die mensen zijn nodig om de oorlog draaiende te houden.

De ellende wordt mogelijk, zegt Herzberg, en dat vind ik verhelderend, doordat al die betrokkenen zich ontdoen van de last van het geweten, van het onderscheid tussen wat mag en niet mag. Er is een bandeloos barbarisme dat in ons allemaal leeft en dat naar vrijheid verlangt. In psychopathie kun je dat barbarisme het makkelijkst herkennen en zelf denk ik dat psychopaten daarom het minst interessant zijn. Interessanter zijn de normale mensen die de norm uit het oog verliezen.

Mijn grootvader heeft geen gruweldaden verricht en in het gerechtelijk dossier staan dingen die voor hem pleiten; hij was geen slecht mens. Maar het gaat niet om de vraag of je een slecht mens bent, en bij het onderzoek naar daderschap moet daar nooit de aandacht naar uitgaan. Het gaat erom dat er dingen zijn die je niet doet, zoals meewerken met een regime dat onloochenbaar de hele joodse bevolking deporteert. Kijk maar eens wat er van die medewerking geworden is.

Ik lees Amor fati dus om te voorkomen dat ik zelf in de toekomst volkeren vermoord en uitroei. Hoe zorg je ervoor – hoe zorgt een samenleving ervoor – niet besmet te raken door moreel geweld dat rondwaart? Twee lessen, heb ik gezegd. Die lessen gaan allebei over groepsvorming, profilering, statistische categorisering, stereotypering en stigmatisering.

Nu zijn dat grote woorden, en ik weet uit mijn columnistenpraktijk dat mensen niet gauw warm lopen voor een onderwerp als je zo begint. Laten we dus nog even in mijn ontbijtkamer naar rechts kijken, want daar hangt tegenover dat icoontje uit Rusland een tekening van de Madonna, gemaakt door Paul Goesch. Die heb ik als student ooit vrij naïef gekocht, zonder te weten wie Goesch was, maar tegenwoordig weet ik dat zijn werk valt onder de noemer ‘outsider art’. Kunst van buitenstaanders, mensen met de kenmerken van het abnormale.

Goesch was psychiatrisch patiënt en had dus een ‘geschonden identiteit’, zoals Erving Goffman dat noemt in zijn klassieke boek Stigma uit 1963. Mensen als de geesteszieke, de blinde, de ex-gedetineerde en de transseksueel moeten leven met het stigma van de sociaal afwijkende in een maatschappij van ‘normalen’ en belanden met hun stigma in een groep.

Zo gauw ik stuit op het 21ste-eeuwse identiteitsdenken, met zijn groepsgedrag en zijn groepsvlag, gaan bij mij steevast twintigste-­eeuwse alarmbellen af

Paul Goesch werd vanwege dat sociaal afwijkende in 1940 door de nazi’s vermoord. Sindsdien is zijn werk dat van een nazislachtoffer en een paar jaar geleden was het daadwerkelijk te zien op een tentoonstelling die Kunst und Stigma heette.

Precies hierom, omdat veel geweld voortkomt uit stereotypering, ben ik zo huiverig voor technologieën die onze beslissingen voor ons nemen: de systematiek erachter is immers per definitie gebaseerd op stereotypen. En daarom ben ik al net zo huiverig voor menselijke stereotypering en zelfstereotypering. Nestel je vooral niet al te behaaglijk in de groep, is de les, want groepsvorming werkt via uitsluiting, zowel van de ander als van jezelf. Of je nu zelf een regenboogvlag op je deur hangt of dat een ander het doet: je verdwijnt met je regenboog in de regionen van het abnormale.

Zo gauw ik stuit op het 21ste-eeuwse identiteitsdenken, met zijn groepsgedrag en zijn groepsvlag, gaan bij mij steevast twintigste-eeuwse alarmbellen af.

© Eddy de Jongh / Nederlands Fotomuseum

In de vernietigingskampen waren de gevangenen door de nazi-ideologie finaal teruggebracht tot hun groepskenmerken, hun geschonden identiteit: ze werden gedepersonaliseerd. De vraag was hoe ze onder die omstandigheden nog als persoon konden blijven handelen. Van buitenaf tot hun groepsidentiteit gereduceerd, moesten ze hun uiterste best doen individueel overeind te blijven en Abel Herzberg portretteert ze tijdens die zoektocht. Hij beschrijft ze niet als een homogene groep gestigmatiseerden, maar als mensen die verschillend op de volstrekt abnormale omstandigheden reageren.

Sommigen vertonen nog steeds gezond instinctief gedrag, zoals de moeder die een kanten zoom haakt voor het lakentje van haar baby. Maar in de gekte van de situatie komen ook ongezondere instincten boven. ‘Het leed heeft weer eens vergeten te veredelen’, zucht Herzberg. Er zijn stralende mensen, mensen als een melodie, als een lelie, mensen als Labi – maar ook mensen die alleen uit instinctief zelfbehoud handelen. Er ontstaat een hiërarchie waarin sommige gevangenen zich verlustigen aan hun snipper autoriteit, de macht die ze over anderen hebben. Mensen als Irmy. ‘Je wordt niet alleen getrapt, je mag ook trappen, en dus ben je wat.’

Primo Levi, die in Is dit een mens over Auschwitz schrijft, leidt uit zulk gedrag af dat er geen grond is voor ‘de mythe’ van de oorspronkelijke gelijkheid van alle mensen: de mensen in het kamp reageren immers allemaal verschillend. Maar hij verbindt daaraan een andere eindconclusie dan de jurist Abel Herzberg.

Volgens Levi worden al die diverse enkelingen namelijk ook niet meer verenigd door een gedeelde norm van rechtvaardigheid. ‘Hier in het Lager bestaan geen misdadigers of gekken’, schrijft hij. ‘Geen misdadigers, omdat er geen morele wet is die je kunt overtreden, geen gekken omdat we gedetermineerd zijn en alles wat we doen op die tijd en die plaats kennelijk het enig mogelijke is.’ Voor Abel Herzberg geldt de morele wet juist nog wel in Bergen-Belsen. De gevangenen hebben immers nog steeds de mogelijkheid keuzes te maken en dus zijn ze verantwoordelijk te houden voor hun daden.

Herzberg is ook niet de enige jurist in Bergen-Belsen die er zo over denkt. Vanwege de wet en vanwege de individuele verantwoordelijkheid is op de appèlplaats van Bergen-Belsen een rechtbank opgericht. Een tribunaal met drie joodse rechters en Abel Herzberg als openbaar aanklager, de Prokurör General.

Diefstallen worden berecht, leugens aan verdachten tegengeworpen. De procureur-generaal walgt soms van zijn aanklagende rol, omdat de verdachten zo berooid en haveloos zijn, maar er wordt recht gesproken. Totdat de verdachten sterven, de rechters sterven, de advocaten en de getuigen sterven en de zaak bij gebrek aan levende partijen moet worden overgelaten aan de grote onzichtbare Rechter die oordeelt over de doden.

En zo kom ik terug op de veelbezongen mildheid van Abel Herzberg. Want hoe zit dat: moeten we een man mild noemen die uitgehongerde gevangenen aanklaagt zodra ze een brood hebben gestolen? Ja, misschien wel. In de omstandigheden waarin ze verkeren is het mildheid, lijkt me. Want Herzberg blijft zijn medegevangenen hardnekkig zien als morele actoren, als personen, mensen die zich aan de wet moeten houden en die zich daaraan ook kunnen houden. Dan gaat het niet om de wet die het bevoegd nazigezag ter plekke heeft afgekondigd, maar om de wet die dat positieve recht overstijgt.

Die natuurwet, zoals juristen haar noemen, is gebaseerd op de al genoemde basisovertuiging van de beschaving: de norm dat er iets is, dat mag en iets, dat niet mag. Die norm ligt er. Ook al vindt de joodse rechtbank op de appèlplaats in Bergen-Belsen het lastig die aan de gevangenen te moeten voorhouden. Ook al heeft Primo Levi gelijk dat je in extreme omstandigheden niet altijd kunt weten dat het verkeerd is wat je doet. Ook al weten de nazi’s niet dat die scheidslijn tussen geoorloofd en ongeoorloofd bestaat. En ook al is het bon ton voor ons als nageslacht te zeggen dat je niet weet wat je zelf in zulke omstandigheden zou doen. De norm ligt er.

Het probleem der moraliteit is dat we nooit precies weten wat de norm onder allerlei uiteenlopende omstandigheden inhoudt en hoe je haar moet toepassen. En daarom is het zo belangrijk erover te blijven praten, er een levende omgang mee te behouden, casuïstiek te bedrijven en je gewetensfunctie niet uit te besteden aan anderen of aan machines.

Zo eindigt dan mijn leesverslag van dit wonderlijke boek, streng en mild tegelijk, zwaar en licht, en bij vlagen vreemd grappig. Ik heb er maanden mee op een stoel gezeten, ik heb mijn hersens gekraakt om de puzzel van de vernietigingskampen voor altijd te leggen, maar is dat me gelukt? Natuurlijk niet. De puzzel valt niet te leggen. ‘Hoe men het ook keert of wendt, het blijft een merkwaardige geschiedenis’, zegt Abel Herzberg onderkoeld. Het helpt alleen erover na te denken – en daarbij is Amor fati een gids.


Dit is een bewerking van de lezing die Maxim Februari woensdag 22 september uitspreekt in De Balie in Amsterdam, in het kader van de programmareeks Publieke Intellectuelen. Zie ook debalie.nl om de lezing en het debat na afloop terug te zien. Later dit najaar zullen in deze reeks Oek de Jong spreken over Johan Huizinga, Franca Treur over Anna Blaman en Stephan Sanders over Edgar Cairo