Ironiedyslexie

Vrij regelmatig krijg ik mailtjes van scholieren die teksten van mij hebben gekregen waarvan ze willen weten wat ik ‘er nu eigenlijk mee wilde zeggen’.

Dat verontrust me wel, want wie schrijft wil begrepen worden. Inmiddels heb ik de basso continuo onder dit onbegrip ontdekt: de ironie.

Schrijf ik bijvoorbeeld ergens over een evident raar overheidsplan: ‘Geen verstandige ziel zal twijfelen aan dit fascinerende plan’, dan vraagt de scholier (3 vwo): ‘Waarom denkt u dat dit plan zo goed gaat werken? (In mijn ogen namelijk niet.)’ Nee, in de mijne ook niet, maar je bent blijven steken op de letterlijke betekenis!

De ironiedyslexie rukt op, niet alleen bij scholieren; ik merkte het ook bij mijzelf. Ik was in een minipolemiekje beland nadat ik voorzichtige twijfels had geopperd over het integraal lezen van Max Havelaar door scholieren. Op de televisie praatte Herman Pleij (een voortreffelijke professor overigens) tien minuten gloedvol over dat boek. Daarbij noemde hij een keer of vijf mijn naam, steevast gevolgd door de frase ‘die overigens een voortreffelijk schrijver is’. Van diverse kanten kreeg ik daar schouderkloppende berichtjes over, maar mij zat het niet helemaal lekker, al sloot ik niet uit dat Pleij (overigens een voortreffelijke professor) misschien toch ook nog iets aardigs wilde zeggen.

Pas een paar dagen later hoorde ik Frits Spits in een radiorubriek precies deze kwestie analyseren. Volgens Spits was het een klassieke stijlfiguur die je ook in Shakespeare’s Julius Caesar zag, waar Brutus zo vaak ‘overigens een fatsoenlijk man’ genoemd werd dat hij regelrecht het graf in werd geprezen.

Ironie is de vonkende energie tussen de letterlijke betekenis en de bedoelde lading, en de kracht is dat die lading altijd met een vertraging ontploft. Eerst tuimel je door de letterlijke laag heen en daarna moet je de echte betekenis (‘Weijts is een flapdrol’) zélf bedenken, en wat we zelf bedenken geloven we eerder dan wat anderen ons opdringen.

Knap gedaan dus van Pleij (een voortreffelijke professor overigens), maar hoe effectief is zulke ironie als nog maar een handjevol shakespearianen haar verstaan? Bij ironie moet je subtiele codes en signalen herkennen. Neem mijn ‘geen verstandige ziel’: hier klinkt ineens een lichtelijk hoogdravend register, dat moet een reden hebben, die uit de context duidelijk had moeten worden.

Vijf keer noemde Pleij mijn naam, steevast gevolgd door ‘die overigens een voortreffelijk schrijver is’

Het rare is dat scholieren deze eenvoudige, nogal grove ironievorm – het omgekeerde zeggen van wat je bedoelt – zelf juist veel gebruiken. Maar daar is iets cruciaals in veranderd. Ironische digitale berichtjes tref je bijna nooit meer aan zonder knipogende smiley aan het eind, het bordje dat je meteen waarschuwt voor de dubbele bodem. Mind the gap.

Milan Kundera schrijft in een essay hoe hij eens in verlegenheid werd gebracht toen hij ergens bewonderend werd onthaald met een citaat uit zijn werk: ‘De reis van Odysseus is verinnerlijkt.’ In de bewuste roman had hij dat zinnetje laten uitspreken door een overigens voortreffelijke maar nogal pompeuze en ijdele professor. Het was een persiflage van het soort gewauwel dat destijds in academische kringen modieus was.

Zulke wat complexere ironie, die subtiliteit vereist en het aanvoelen van de verschillende taalregisters, is een uitstervende diersoort, die straks alleen nog in de reservaten van schoolboeken en collegezalen is te bewonderen op sterk water, en niet langer in levende lijve.

Waar komt die ironiedyslexie vandaan? Misschien is het, ironisch genoeg, ook wel de nadruk op ‘begrijpend lezen’, ‘communicatie’, ‘tekstverklaring’ enzovoorts, die de taal graag reduceert tot een enkelvoudig vehikel voor enkelvoudige betekenissen die je gemakkelijk kunt navertellen ‘in je eigen woorden’.

Literaire taal gaat nooit om letterlijke betekenissen. Er staat nooit wat er staat. Een kunstwerk is geen informatieoverdracht, geen politieke stellingname. Literaire taal is tot in elke punt en komma gedrenkt in ironie, de ruimte tussen het letterlijke en de lading.

De enige manier om het aanvoelen van zulke ironie levend te houden is om scholieren veel te laten lezen, in boeken die ze raken en aanspreken, en dat zal niet altijd de klassieke canon zijn. Geschiedenis en literatuurgeschiedenis zijn ook boeiende vakken. Het tv-pleidooi van Pleij (een voortreffelijke professor overigens) kan zo in de lessen geschiedenis of Nederlands getoond worden. Daarna lees je klassikaal wat stukjes uit de Havelaar, en voilà, je hebt een prachtles over de koloniale geschiedenis, toen we Indië nog hadden en een dubbeltje nog een dubbeltje was.

Literatuuronderwijs verschilt van geschiedenis of wiskunde omdat literatuur onder de kunsten valt. Net als bij muziek en beeldende kunst gaat het er niet om kennis maar om gevoeligheid. Je gebruikt er andere zintuigen voor (volgens Nabokov lees je met je ‘ruggenmerg’) die zich nooit onder dwang openen maar nieuwsgierig een eigen weg moeten vinden. Een goede docent begeleidt hier alleen maar bij. De remedie tegen ironiedyslexie is ze aansprekende boeken aanreiken en zeggen: lees maar, er staat niet wat er staat.