Irt-gezagscrisis

Zowat de hele zaterdag besteed aan het lezen van het rapport van de commissie-Wierenga, die een kleine tweehonderd bladzijden heeft gewijd aan het onderzoek naar de deugdelijkheid van de reden waarom het Interregionaal Rechercheteam (IRT) eind vorig jaar werd ontbonden.

Daarnaast waar nodig gedeelten gelezen van de in Deel 11 bijeengebrachte verslagen van de hoorzittingen, 624 pagina’s met 53 verhoren van 49 personen. De hoofdrolspelers Van Riesen, Nordholt, Vrakking en Van Randwijck zijn twee maal gehoord, vandaar. Ik heb op geen enkele school die ik heb mogen doorlopen zo vaak moeten opletten. ‘Gelet op’ is een term die juristen, vooral van de rechtspraak, te pas en te onpas gebruiken. Maar hoe journalisten het klaarspelen dat allemaal in een paar uur door te nemen en er ook nog verantwoord verslag (vaak met commentaar) van te doen, is mij een raadsel. Het rapport, dat een zeer degelijke en naar volledigheid strevende indruk op mij maakt, bevat stof voor een tiental artikelen. Ik zal alleen iets zeggen over het hoofdthema en zulke rare zaken als de Kolibri-affaire laten rusten. De reden van de ontbinding van het IRT was toentertijd - volgens het persbericht dat werd uitgegeven door de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van politie van Amsterdam - dat het team een werkmethodiek had toegepast waarvoor die hoofdcommissaris en die hoofdofficier geen verantwoordelijkheid wilden dragen.
De commissie-Wierenga zet in hoofdstuk tien gedocumenteerd en gemotiveerd uiteen dat de werkmethodiek wel binnen de perken van het juridisch toelaatbare is gebleven. Zoals bekend wordt die conclusie door de politici van CDA en PvdA tegengesproken. Het gebeurt niet vaak dat regerende politici benadrukken dat er foute (justitiële) methoden zijn gebruikt, maar in dit geval is het duidelijk waarom: zo behoeft wat er is gebeurd, niet tot een politieke crisis te leiden. Lezing van het rapport en vooral van hoofdstuk tien en wat daar direct aan vooraf gaat, heeft voor mij aangetoond dat de conclusie van Wierenga c.s. juist is. Een argument daarvoor is ook de samenstelling van de commissie. Immers, in laatste instantie is het de strafkamer van de Hoge Raad die over de aanvaardbaarheid van een opsporingsmethode moet oordelen, en een niet onbelangrijk lid van die strafkamer zit in de commissie-Wierenga. Maar het duidelijkst is eigenlijk hoofdcommissaris Nordholt zelf, die tijdens de verhoren vertelt over de totstandkoming van het toentertijd verzonden persbericht. In het concept, vertelt Nordholt, stond de zin 'de door het conflict over de werkmethodiek ontstane gezagscrisis’, maar die 'gezagscrisis’ moest er van Van Thijn uit. Nordholt: 'Ik vind dat jammer, want nu staat de werkmethodiek erin, en dat is wel de aanleiding voor het conflict, maar uiteindelijk had het niet de feitelijke reden voor de ontbinding behoeven te zijn. En dat is het ook niet.’