22 januari 1920 – 18 september 2009

Irving Kristol

Irving Kristol geldt als de godfather van het neoconservatisme. Vooral zijn kritiek op de verzorgingsstaat en de maakbare samenleving is gemeengoed geworden.

OP 18 SEPTEMBER OVERLEED in Washington Irving Kristol, algemeen beschouwd als de godfather van de neoconservatieven. Zo werd hij ook neergezet in de necrologieën, met in een bijzin dat hij onder president George W. Bush zijn hoogtijdagen beleefde. Een misvatting. Niet het agressieve optreden van de buitenlandse-politiek-ideologen onder Bush was Kristols ware erfenis. Veel invloedrijker was de kritiek die Kristol formuleerde op de verzorgingsstaat, kritiek die anno 2009 gemeengoed is geworden.
Als kind van joodse immigranten uit Rusland groeide Kristol op in Brooklyn, waar hij politiek actief was op de uiterst linkse vleugel van het spectrum. Als trotskist ontwikkelde hij een ideologisch wantrouwen tegen liberals, de progressieven die in de New Deal tot een vergelijk kwamen met het kapitalisme. De oorlog en het afscheid van links werkten ontnuchterend. Verlost van zijn linkse veren kwam Kristol begin jaren vijftig als essayist en hoofdredacteur terecht bij de ideeëntijdschriften waarvan Amerika er altijd tientallen heeft gekend. Hij runde Commentary van 1947 tot 1952, richtte Encounter op (met CIA-geld), daarna The Public Interest, was uitgever bij Basic Books en docent aan New York University. Bovenal werd hij het middelpunt van een groep intellectuelen, wetenschappers en traditionele Democraten die zich in toenemende mate stoorden aan de drift naar links van de Democratische Partij. Ze waren ongelukkig met de sociale programma’s van Lyndon Johnson (de Great Society), woedend over het omarmen van de jeugdcultuur inclusief het verzet tegen Vietnam. Ze maakten zich kwaad over de détente met de Sovjet-Unie. Ze wilden niet morrelen aan de basis van de New Deal, maar het big government-programma van de jaren zestig en zeventig werd hen te veel. Toen sociaal-democraat Michael Harrington Kristol en zijn vrienden tooide met de titel ‘neoconservatief’ nam Kristol die over als geuzennaam.
Samen met Daniel Bell (in 1960 de auteur van The End of Ideology) had Kristol in 1965 het tijdschrift The Public Interest opgericht. Sceptisch als ze waren over elke vorm van ideologie vreesden ze dat Johnsons Great Society dermate ideologisch was dat een eerlijke evaluatie van programma’s onmogelijk was. Bij elk programma vroeg Kristol simpelweg: ‘Kan het wel werken?’ Voor de meeste Great Society-programma’s was het antwoord nee. Een goed voorbeeld waren de uitkeringen voor alleenstaande moeders met kinderen. De socioloog en latere senator Daniel Patrick Moynihan schreef in 1965 een rapport over het uiteenvallen van zwarte gezinnen. Al snel bleek dat proces verergerd te worden door deze uitkeringen. Om ze binnen te halen moest de man het huis uit; de overheid kwam checken of moeders wel alleen woonden. Bovendien loonde het om als alleenstaande moeder kinderen te krijgen.
Kristol werd ideologischer naarmate Amerika in de jaren zeventig cultureel meer en meer zijn kompas kwijtraakte en volgens Kristol ook steeds meer zijn rol als leidende natie. Geleidelijk begon zijn neoconservatieve winkel een totaalpakket te bieden: verdediging van het kapitalisme, van bourgeois normen en waarden en cultuur, oppositie tegen sociale programma’s en een assertieve buitenlandse politiek. Toen de Democratische Partij in 1972 en 1976 koos voor leiders als George McGovern en Jimmy Carter in plaats van de neoconservatieve favoriet Scoop Jackson, de hardline senator van de staat Washington, dwarrelden de haviken stilaan richting Republikeinen. Ook daar verkeerden ze overigens in eerste instantie aan de buitenrand van de consensus, als grote tegenstanders van détente en accommodatie met de Sovjet-Unie. Ze vonden onderdak bij een relatief nieuwe denktank, The American Enterprise Institute, die met een slim beleid van grote namen en gratis publicaties in die jaren de meest interessante club in Washington was.
Voor de neoconservatieven die nog aarzelden gaf Jimmy Carter de doorslag. Toen Ronald Reagan eind jaren zeventig zijn macht consolideerde stapten ze over naar de Republikeinse Partij. Steeds meer ook ging buitenlandse politiek een rol spelen, waarbij Kristol het voortouw liet aan zijn vriend Norman Podhoretz. Volgens hen dreigde Amerika de Koude Oorlog te verliezen, met een agressieve Sovjet-Unie en een slap Amerika. Toen Reagan aan de macht kwam kreeg een aantal mensen uit de omgeving van Kristol een plek in de regering. Je mag dan ook wel zeggen dat de regering-Reagan Kristols hoogtepunt is geweest, veel meer dan die van George W. Bush, waarin zijn zoon Bill Kristol als hoofdredacteur van de neoconservatieve Weekly Standard de rol van huisintellectueel kon spelen.
In latere jaren raakte Kristol steeds meer gegrepen door wat hij zag als de onmisbare rol van geloof in de samenleving. Hij ging zelfs zo ver te verkondigen dat geloof in Amerika als natie een vereiste was voor goed burgerschap. De Republikeinse agenda van geloof, nationalisme en kapitalistische groei juichte Kristol toe. Hij voerde vooral verbaal oorlog aan het cultuurfront, net als zijn vrouw, de historica Gertrude Himmelfarb, die provocerende boeken schreef over normen en waarden en haar voorkeur om terug te gaan naar Victoriaanse tijden. Voor Kristal waren de liberals, de progressieven, de absolute vijand geworden.
Het neoconservatisme ging intussen een eigen leven leiden, vooral onder post-Koude Oorlog-haviken die Amerika’s unilaterale moment volledig wilden uitbuiten. Zo werd neoconservatisme vrijwel synoniem met de ideologisch gedreven buitenlandse politiek van de regering-Bush. Het oorspronkelijke neoconservatisme, als kritiek op de verzorgingsstaat en de overmatige aspiraties van de progressieve elite en haar ideeën van maakbare samenlevingen, is Kristols werkelijke erfenis, en die is eigenlijk veel interessanter. Als we in Nederland de verzorgingsstaat heroverwegen, stimulansen inbouwen en maakbaarheid wantrouwen, dan zijn de wortels daarvan direct te traceren tot Irving Kristols neoconservatisme. In een variant op Nixons stelling over Keynes: we zijn nu allemaal neoconservatieven.