achterhoede of gevaar

Is Bert de norm?

Oud-CDA-politicus Bert de Vries scoort met zijn boek Overmoed en onbehagen weinig begrip bij de nieuwe generatie partijgenoten. «Ik zou het op prijs hebben gesteld als De Vries eens had gebeld.»

Zijn het de laatste stuiptrekkingen van een oude man die zijn tijd heeft gehad? Of komt er een nieuwe Bert-norm, omdat CDA-coryfee Bert de Vries in zijn vorige week verschenen boek Overmoed en onbehagen een in zijn partij breder gedragen, maar ondergesneeuwde visie op staat en maatschappij verwoordt?

Eén ding is zeker. Hier is niet zomaar sprake van kritiek uit eigen kring op de huidige koers van die partij. Wie alle verwijten over toon, emoties en intenties weglaat, ziet een diepe, gapende kloof. Zo een waarop de dichtregel van Rudyard Kipling van toepassing is: And never the twain shall meet. Die kloof ontstond dan ook al jaren terug.

Voormalig CDA-kamerlid Hans Hillen herinnert zich de discussies in zijn partij uit de jaren tachtig. Ruud Lubbers was toen premier, De Vries zette als fractievoorzitter in de Tweede Kamer de Bert-norm neer om de collectieve uitgaven te beteugelen en Hillen zelf was hoofd voorlichting bij het ministerie van Financiën. «De Vries en zijn antirevolutionaire tijdgenoten van de Vrije Universiteit zoals Lou de Graaf (voormalig staatssecretaris Sociale Zaken – avr) en Hannie van Leeuwen (lid van de Eerste Kamer) zijn voor een sterke verzorgingsstaat. Zij willen de solidariteit via het belasting formulier regelen. Ik vind, en vond toen ook al, dat burgers veel meer eigen verantwoordelijkheid moeten dragen voor elkaar. Solidariteit moet niet alleen via het belastingformulier lopen. Daar verhuftert de samenleving van. Types zoals ik werden er door De Vries in die tijd uit gehouden. Wij werden verdoemd, golden als half liberaal.»

De katholiek Hillen heeft toen wel eens tegen de antirevolutionair De Vries gezegd: «Jouw samenleving, Bert, is helemaal door de staat georganiseerd, in jouw samenleving zal er geen vuiltje op straat liggen, maar de mensen zullen voor alles naar de overheid kijken en van die overheid afhankelijk zijn. In mijn samenleving zal er heus wel eens een vuiltje op straat liggen, maar de mensen zullen wél zelf initiatief tonen.»

In Overmoed en onbehagen is volgens Hillen niet «een zielige, oude man» aan het woord: «Ik zie het als een afscheid met weemoed van een man die in zijn tijd, eerst als fractievoorzitter en later als minister van Sociale Zaken, een imposante macht had.» Maar Hillen vindt wel dat De Vries met die macht van het CDA een, ideologisch gezien, kleurloze partij had gemaakt: «Wij gingen lijken op de PvdA, maar dan zonder rode rozen. Dat leidde in 1994 tot een verlies van twintig zetels. Nu zijn we gelukkig weer veel ideologischer, meer dan de PvdA, die eigenlijk alleen maar reageert op de praktische problemen van de dag.»

Gerda Verburg is in de Tweede Kamer van nu hét CDA-gezicht als het gaat over sociale zaken. De Vries was ooit minister op dat terrein en heeft nu ook juist op dit onderwerp de meeste kritiek op zijn eigen partij. Verburg ziet, net als Hillen, in het boek van De Vries een wezenlijk andere opvatting over mens en maatschappij naar voren komen. «Het gaat over de mate van maakbaarheid van de samenleving. De Vries zit nog heel sterk op de beschermingsgedachte.» Net als Hillen vindt ook Verburg dat De Vries te sterk leunt op, wat zij noemt, solidariteit via de portemonnee. «Hij heeft het in zijn boek alleen over de vraag of wij wel voldoende doen voor de zwakkeren. In zijn tijd was je goed voor de medemens als je zorgde voor een uitkering. Je mist in zijn boek de bredere context van nu. Wij willen mensen loswrikken uit hun inertie, wij willen niet dat er families zijn waar ze van generatie op generatie werkloos zijn. Dat leidt tot een optelsom van problemen, tot alcoholisme, schulden problematiek, noem maar op.»

Verburg wist dat De Vries een boek aan het schrijven was, maar was verrast over de inhoud. «Ik dacht dat het zou gaan over de woelige periode in onze partij van een paar jaar geleden, toen met De Hoop Scheffer en Van Rij, waardoor De Vries een tijdje partijvoorzitter werd. Nu het hierover blijkt te gaan, zou ik het wel op prijs hebben gesteld als De Vries eens had gebeld, of langs was gekomen om met mij te filosoferen.»

Is volgens haar in het boek misschien iemand aan het woord die vindt dat zijn partij te weinig luistert naar een oud-coryfee? Verburg denkt van niet. Ze ziet hem weliswaar weinig op bijeenkomsten van de partij. «Maar ik heb hem wel eens gebeld en ben ook wel eens bij hem langs gegaan in zijn mooie huis in Bennekom.»

Verburg voorziet dat wat De Vries ter tafel brengt niet doodgezwegen zal worden in de partij. Met de begroting voor 2006 voor de boeg, alle maatregelen die op de Nederlandse burgers afkomen en daarna alweer de gesprekken over een nieuw verkiezingsprogramma, denkt ze dat in menig debat het boek van De Vries aangegrepen zal worden om kritiek te uiten op de koers van het CDA.

Collega-kamerlid Liesbeth Spies vraagt zich af of De Vries een breed draagvlak heeft in de partij: «De lijn die we nu volgen, daar is in het CDA tien jaar aan gewerkt, door het Wetenschappelijk Instituut en tijdens vele bijeenkomsten in het land. Die lijn wordt zo breed gedragen, ik denk niet dat De Vries veel medestanders krijgt.» Waarbij ze ook nog even haar verbazing wil uitspreken, omdat De Vries in die tien jaar nog een tijdje partijvoorzitter is ge weest en zich in die hoedanigheid met de koers van het CDA heeft bemoeid.

Ook Hillen denkt dat de opvattingen van De Vries in het CDA passé zijn: «Noem mij één CDA’er die nu actief is en zich profileert die denkt zoals De Vries.»