Brusseprijs

Is bluffen liegen?

Door zijn graaf- en spitwerk bracht Bas Haan de Teevendeal aan het licht. Waarom accepteren we de leugens van ministers? Het gevaar voor de liegende politicus is dat zijn bedrog zelfbedrog wordt. Zodat hij een bonnetje ‘vergeet’.

Medium hh 62310821
Ard van der Steur maakt zijn aftreden bekend tijdens het debat over de bonnetjes en de Teevendeal. Den Haag, 26 januari 2017 © Maarten Hartman / HH

Elke regering is een complot, schreef Don DeLillo. In het daglicht van de openbaarheid zou geen beslissing genomen durven worden. In de diplomatie heet deze geheimhouding ‘discretie’, in Het waagstuk van de politiek spreekt Hannah Arendt over de arcana imperii – de mysteries van de regering. Het is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald (en heel helder ingeleid door Dirk de Schutter en Remi Peeters); Arendt schreef het als reactie op het uitlekken van de ‘Pentagon Papers’ in 1971, de geheime documenten van het Amerikaanse ministerie van Defensie die alle overheidsleugens en geheime beraadslagingen over de Vietnamoorlog van 1945 tot 1967 bevatten. Ze stonden op de voorpagina van The New York Times, die prompt door president Nixon werd gedwongen te stoppen met publiceren – tot het Hooggerechtshof toch toestemming gaf.

Waarom accepteren we de leugens zo makkelijk die uit de arcana imperii voortkomen? Volgens Arendt is liegen een essentieel deel van de ondernemende mens. We worden geboren in een wereld die al bestaat en als we iets willen scheppen, moeten we eerst iets vernietigen. We moeten door de huidige werkelijkheid heen kijken, om een nieuwe werkelijkheid te zien. Dat wij kunnen zeggen ‘de zon schijnt’ terwijl het regent bewijst dat de mens niet harmonieus met de werkelijkheid leeft. Deze ‘weloverwogen ontkenning van feitelijke waarheid – het vermogen om te liegen – en het vermogen feiten te veranderen – het vermogen om te handelen –, zijn onderling met elkaar verbonden; zij danken hun bestaan aan dezelfde bron: de verbeelding’.

Door onze verbeelding ontstaan wat Arendt ‘contingente feiten’ noemt, zaken die geen inherente waarheid in zich dragen. Contingente feiten bevatten een potentiële werkelijkheid, eentje die er zou kunnen zijn, maar er ook niet zou kunnen zijn. Door een schier onmogelijke hoeveelheid pr en spin van de overheid werd de Vietnamoorlog in zekere zin zo’n contingent feit. Niemand had nog overzicht wat waar was en wat niet, ook de overheid niet. Het gekke van de Pentagon Papers, schrijft Arendt, is hoe weinig nieuws erin stond. Wie vanaf de vroege jaren zestig het nieuws nauwgezet had gevolgd, had alle tegenstrijdige verklaringen van de overheid al lang opgemerkt. Wat de waarde van de Pentagon Papers was, was dat ze de door politici uit taal en mogelijkheden opgetrokken werkelijkheid – of ‘taalzwendel’ – onmogelijk maakten. De fysieke werkelijkheid was daarvoor nu te zichtbaar geworden.

Een soortgelijke taalzwendel – fijn woord – vond in Nederland plaats in het dossier dat nu simpelweg de Teevendeal heet. Er is weinig zo gênant als wanneer er tegen je wordt gelogen, en jij weet dat ze liegen, en zij weten dat jij weet dat ze liegen. Zo moet ongeveer een paar jaar het leven van Nieuwsuur-journalist Bas Haan eruit hebben gezien, terwijl hij op zoek ging naar het roemruchte bonnetje van de Teevendeal. Met terugwerkende kracht kun je die hele affaire als een van de onnodigste politieke schandalen van de laatste jaren bestempelen: in 2000 sluit officier van justitie Fred Teeven een deal met drugshandelaar Cees Helman. In het kader van de plukze-wetgeving betaalt Helman 750.000 gulden belasting en krijgt daarvoor zijn vrijheid en zijn liquide vermogen terug. Teeven doet dat zonder instemming van de Belastingdienst en zonder het college van procureurs-generaal naar volledigheid in te lichten, dat denkt dat Helman twee miljoen terugkrijgt. In werkelijkheid wordt er op 10 september 2001 4.710.627,18 gulden op zijn rekening gestort. De dag daarna vliegen er twee passagiersvliegtuigen de Twin Towers in, de beurzen kelderen, en voor Helman blijkt dat een ideaal moment om te beginnen met investeren.

Dat die deal de belastingbetaler meer kostte dan hij opleverde is evident, dat Teeven sjoemelde ook. Maar waar het echte schandaal uit voortkwam was dat Teeven, inmiddels staatssecretaris, en zijn minister Opstelten weigerden het exacte bedrag bekend te maken, aan de pers en aan de Kamer. Ze draaiden, ze logen, ze ‘konden het zich niet herinneren’. Bas Haan kreeg het afschrift van die 4,7 miljoen boven water – het bonnetje –, een verdienste die twee ministers, een staatssecretaris en, indirect, een Kamervoorzitter hun baan kostte en hemzelf de Tegel opleverde, de titel Journalist van het jaar 2015 en nu dan een nominatie voor de Brusseprijs. Je kunt je afvragen of het ook zo’n rel was geweest als het echte bedrag meteen was genoemd: twee of 4,7 miljoen (gulden, nota bene), zoveel maakt dat op het hele overheidsbudget ook weer niet uit.

Zoals Haan het beschrijft in zijn bewonderenswaardig gedetailleerde en verhalende De rekening voor Rutte zijn er vier doofpotten. De eerste ligt bij Cees Helman zelf – als de zaak meer dan een decennium later weer gaat spelen weet hij precies wat de deal inhield, hij heeft er immers het bewijsmateriaal voor. Maar dat bonnetje wil hij niet geven. Niet alleen omdat hij niet op de aandacht zit te wachten, maar ook omdat hij het, zoals hij het noemt, als ‘een joker’ ziet, iets waarmee hij manoeuvreerruimte kan krijgen bij de staatssecretaris.

‘Dit is alleen maar politiek, het heeft niets meer met de werkelijkheid te maken’

(Daar lijkt hij gelijk in te hebben: wanneer Helman later een conflict heeft over een vastgoedverkoop laat hij zijn advocaat Teeven bellen, om diens bemiddeling in te schakelen. De staatssecretaris lijkt daar nog toe bereid ook (uiteindelijk is het niet nodig). Het laat zien hoe snel een bewindsman chantabel kan zijn.)

De tweede doofpot ontstaat op het ministerie van Justitie en Veiligheid wanneer minister Opstelten de Kamer bezweert dat er maar 1,2 miljoen is overgemaakt naar Helman en dat het bonnetje daarvan onvindbaar is, omdat er van de financiële administratie geen back-ups meer bestaan. Een ambtenaar die zich verder niet met dit dossier bemoeit hoort het de minister op tv zeggen en denkt: ‘Maar er zijn wél back-ups van.’ En niet op een vergeten, stoffige plek, maar in het centrale archief in een klimaatgecontroleerde kamer. Als hij aanbiedt het bonnetje in die archieven te zoeken, wordt hij door topambtenaren ontmoedigd.

De derde doofpot legt Haan bij Ard van der Steur, die Opstelten opvolgde. Of beter gezegd: Van der Steur is hoogstpersoonlijk de doofpot. Wanneer in maart 2015 het bonnetje opduikt en bewezen is dat minister Opstelten de Kamer verkeerd heeft geïnformeerd, helpt (dan nog) Kamerlid Van der Steur het verweer van Opstelten op te stellen. In feite schrijft hij de antwoorden op de vragen die hij zelf in de Kamer zou moeten stellen. Haan: ‘Van der Steur combineert blijkbaar zonder probleem de rollen van Kamerlid, souffleur van de minister, vvd-campagnemedewerker en persvoorlichter van het departement – om nog maar te zwijgen van zijn rol als aspirant-minister.’ Je kunt bijna stellen dat Van der Steur met dezelfde manoeuvre waarmee hij minister werd ook minister-af werd, want zijn driedubbele pet kostte hem in januari 2017 zijn post.

Dan rest nog de vierde doofpot, die onvermijdelijk bij Mark Rutte ligt. De premier houdt een zekere afstand tot de zaak, bemoeit zich niet te veel met de debatten tenzij hij niet anders kan. In die debatten is hij vervolgens rutteaans, dat wil zeggen hij verschuilt zich achter woorden, gebruikt termen die van betekenis kunnen veranderen. Haan ziet hem draaien en spinnen, maar hoe de vork echt in de steel zit ontdekt hij pas tijdens het Correspondents’ Diner. Haan zegt niet zo te houden van zulke versmelting van de media en politiek – in dit geval in het tv-evenement dat door Haans Nieuwsuur-collega Twan Huys is bedacht, waarin Rutte als komiek de media de maat mag nemen. Maar wanneer Huys aanbiedt hem aan Rutte’s tafel te plaatsen ruikt hij een kans. Al snel komt het gesprek aan tafel op de Teevendeal, uiteraard, en al snel merkt Haan iets essentieels: zo goed kent Rutte de details niet. Hij heeft zich er al die tijd doorheen gebluft.

Bluf is een sleutelwoord. Teeven zegt in een tv-programma dat je soms tegen journalisten moet bluffen over wat je weet en niet weet. Opstelten bluft door resoluut een lager bedrag te noemen in de gok dat de Kamer niet zal doorvragen naar het bonnetje. Van der Steur bluft door de onvindbaarheid van het bonnetje bij ict’ers te leggen.

Maar is bluf bluf of een leugen? Het zijn twee verschillende werkelijkheden: voor de politici lijkt het het spel, voor de ambtenaren die bij het dossier zijn betrokken – en zich tot informanten van Haan zullen ontpoppen – ligt het anders. Zoals eentje zegt: ‘Dit is alleen maar politiek, het heeft niets meer met de werkelijkheid te maken.’

Iets soortgelijks ziet Hannah Arendt als een intrinsiek probleem voor de liegende politicus. Het gevaar zit ’m er niet alleen in dat zijn bedrog ontmaskerd kan worden, maar ook dat zijn bedrog zelfbedrog wordt, dat hij denkt dat alle feiten contingent zijn. ‘De zichzelf bedriegende bedrieger verliest niet alleen met zijn publiek elk contact, maar ook met de werkelijke wereld: die zal zich altijd op hem wreken, want de bedrieger kan wel zijn geest uit die wereld terugtrekken, maar niet zijn lichaam.’ Kortom, de politicus kan de wereld doen vergeten dat er ergens een bonnetje ligt, als hij zelf vergeet dat dat bonnetje bestaat is hij verloren.

In de titel van Bas Haans boek zitten twee ironieën. De eerste van De rekening voor Rutte is natuurlijk dat de rekening nooit door Rutte betaald hoefde te worden. Als alle vvd-bewindslieden die in zijn kabinetten zijn gevallen buschauffeur waren geworden – zoals Fred Teeven – dan konden ze met elkaar moeiteloos het OV-netwerk van een middelgroot krimpgebied in stand houden. Rutte lijkt voorlopig comfortabel in zijn Torentje.

De tweede zit in de ondertitel, waarin Haan spreekt van ‘de politieke prijs van leugens’. Alle opgestapte bewindslieden zijn met rechte rug vertrokken, Teeven zei zelfs dat hij alles ‘voor volk en vaderland’ had gedaan. Ze zijn niet met pek en veren de hofstad uit gereden, om het even zo te zeggen. Die prijs die ze voor hun leugens hebben betaald is louter politiek, hij is niet moreel of maatschappelijk. Het onderstreept maar eens hoe ingeburgerd politieke leugens zijn.