Verslag van een aardbeving

Is daar iemand?

Op dinsdag 12 januari 2010 zit Evelyn Margron met haar kleinzoon op haar kantoor in Haïti. Plotseling begint het gebouw te schudden. Even later liggen de twee onder het puin. ‘Stil, oma!’

OP DIE DINSDAG rond vier uur beginnen Mariecke en ik te skypen; zij is mijn baas en zit in Managua in Nicaragua. Om half vijf komt mijn kleinzoon Matias binnen. Hij komt me elke dag na school ophalen en dan halen we Guy - mijn partner - op en gaan naar huis. Ik geef Matias pen en papier om zich bezig te houden. Hij vindt het leuk om Mariecke te zien op het computerscherm en zegt dag. Daarna gaat hij aan het andere bureau tegenover me zitten. De telefoon gaat. Het is Guy die me vertelt dat ik laat ben. Ik zeg dat ik bijna klaar ben met mijn onderhoud. Ik hang op en dan begint het gebouw te schudden. Ik kan nog net tegen Mariecke zeggen: ‘Terremoto’ ('aardbeving’ in het Spaans). Ik zeg tegen Matias: 'Kom onder de tafel, snel’, en we duiken er samen onder.

'MATIAS? Gaat het, ben je in orde?’
'Ja.’
(Later begrijp ik dat ik het bewustzijn verloor op het moment van de schok, meteen nadat ik onder het bureau was gedoken.)
De grond blijft bewegen. Ik probeer mezelf te inspecteren. Ik lig op mijn rechterzij, mijn rechterarm wordt tegen de grond gehouden door een houten balk. De linkerarm kan een beetje bewegen. Ik raak de onderarm aan; hele-maal draderig en plakkerig. Op de grond ligt een dikke vloeistof, warm en kleverig. Ik verwijder mijn koptelefoon, mijn bril, mijn halssnoer. Beter om complicaties te vermijden. Ik begrijp dat ik in een uiterst gevaarlijke situatie terecht ben gekomen.
'Oma, gaan we dood?’
Misschien wel. Maar ik doe mijn best om het te voorkomen. Ik vraag vergiffenis aan iedereen die ik kwaad heb gedaan, in gedachten of in werkelijkheid. 'Zo kan het wel weer. We komen er wel uit.’
Ik controleer samen met hem of hij geen verwondingen heeft en niet ergens vastzit. Alleen zijn linkerarm zit geklemd onder mijn rechterarm die aan de grond is vastgepind. Verschillende keren vraag ik hem - vervolgens commandeer ik hem zelfs - om hard te trekken zodat zijn arm loskomt. Als ik moet sterven, laat hij dan tenminste in staat zijn te ontsnappen. Hij probeert het, maar het doet pijn en hij geeft het op.
Ik hoor stemmen. Een collega zit vast en is gewond geraakt op de begane grond van het -gebouw dat in elkaar is gezakt, en dat nog steeds doorgaat met in elkaar te zakken want de aarde houdt niet op met schudden. Ik begin te roepen om de anderen erop te wijzen dat ik ook onder het puin vastzit. Ze vragen me geduld te hebben en om mijn energie te sparen terwijl ze proberen bij me te komen om me te verlossen. Ik weet niet hoeveel tijd ik nog kan wachten. Met elke ademhaling neemt de druk op mijn borstkas toe.
Met veel moeite weten de collega’s Abdonnel uit het puin te halen. Ze brengen hem weg. Matias en ik blijven alleen achter. Ik hoor geen enkele stem meer. Ik besluit te gaan roepen, aan één stuk door, voor het geval er iemand langskomt…
'Callate, abuela! Vamos a dormir hasta que nos vienen a rescatar.’ ('Stil, oma! Laten we gaan slapen totdat ze ons komen redden.’)
Mijn gegil maakt hem bang. Oma’s gillen niet. Oma’s zijn er om je gerust te stellen, je om de tuin te leiden. 'Ga slapen Matias. Ik moet blijven roepen om voorbijgangers te waarschuwen.’
Ik ga door met roepen. De aarde -beweegt weer. Matias slaapt. Ik hou me rustig om niet al mijn energie kwijt te raken. Tussen twee rondes van geroep om hulp - 'amwey!’ - haal ik adem en mediteer ik, probeer ik aan niets te denken, probeer me op het moment zelf te concentreren. En ik denk na over de dood - mijn dood. Ik vertel mezelf dat ik binnenkort waarschijnlijk een statistisch getal ben. Stom om zo dood te gaan - zonder te weten waarom, zonder enige aanleiding. Wat heeft het voor zin gehad om altijd maar te proberen het leven zin te geven? Bestaat er iets na de dood? Ik denk daar al veertig jaar over na. Maar ik weet het nog steeds niet en ik zit opgescheept met een lichaam waarin ik wil blijven bestaan. Moet ik mezelf laten gaan? Toegeven? Ik wil liever proberen te blijven leven. Ik moet in elk geval Mati-as redden. Ik probeer weer onder het gewicht uit te komen dat me tegen de grond gedrukt houdt. Aan mijn linkerkant doet het erg pijn. Het lukt me niet.
Stemmen op straat. Een groep mensen. Ze horen me roepen. 'Is daar iemand?’
'Ja, een kind en ikzelf.’ Ze zoeken me met een zaklamp waarvan ik het schijnsel kan zien. 'We zien u, ja, we kunnen u zien. Maar met geen moge-lijkheid kunnen we u eruit halen. We gaan.’
Maar één van hen protesteert. 'Maar heren! Er zijn hier nog levenden onder het puin. Laten we in elk geval een poging doen hen te redden!’
'Hoe kunnen we bij u komen?’
'Neem de trap.’
'Die is er niet meer.’
'We zijn dicht bij het raam aan de straatkant.’
'Maar hoe kunnen we die betonplaat oplichten?’ Ze zoeken een toegang. De aarde beweegt nog steeds. Iedere keer als het gebeurt rennen de mannen naar buiten.
Matias, die wakker is geworden, en ik smeken ze ons niet in de steek te laten. Ze beloven bij ons te blijven. Ik denk na hoe ik hen kan helpen om ons hieruit te krijgen. De betonplaat oplichten, dat vereist kracht, een hefboom… 'In mijn auto die voor het gebouw staat geparkeerd ligt een hydraulische rode krik die vier ton kan tillen. Sla de autoruit kapot.’
Ze gaan de krik zoeken en brengen hem aan onder de betonplaat. Het gewicht wordt minder. Ik kan mijn rechterarm bewegen en Matias bevrijden, die ze meteen wegtrekken. De reddingsbrigade plaatst blokken onder het stuk beton dat ze omhoog gekrikt hebben en plaatst de krik nu dichter bij mij. Gedurende enkele seconden neemt de druk op mijn borst toe. Ik schreeuw het uit: 'Neeeeee!’ Maar dan komt het gevaarte omhoog. Handen raken me aan; ze trekken mijn tas los die vast is komen te zitten tussen het ingestorte bureau en mijn hoofd; ze trekken me onder mijn oksels omhoog - maar ik kan niet op mijn benen staan - en ze leggen me op straat neer, op het asfalt. Matias staat naast me. We zijn eruit! De warmte van de grond vloeit aangenaam door me heen. Wat een mooie hemel! Ik maak mezelf een beetje belachelijk - hoe kun je nou de hemel liggen te bewonderen? Ik vraag een jonge man om mijn gewonde arm af te dekken zodat Matias het niet ziet. De man slaat er zijn gele maillot omheen.

PROSPERY, een collega, arriveert. Hij geeft Mati-as een fles water en wat vijgen en zoekt een auto om ons te vervoeren. Ik word voorzichtig op de achterbank gehesen en naar het ziekenhuis bij Canapé Vert gebracht. Het is gedeeltelijk inge-stort en niet in staat de tientallen gewonden op te nemen. De mannen vinden een brancard en brengen me naar een verdieping waar een dokter me een infuus geeft. Ik heb het koud. Prospery vindt een gordijn dat me een beetje warm houdt. Hij zegt dat hij een andere dokter gaat zoeken. (Hij vindt er geen die nacht.) Vervolgens vertrekt iedereen. Ik kan me niet bewegen en de aarde blijft maar schudden. Ik vraag Matias om naar beneden te gaan. Ik denk dat het gebouw ieder moment verder kan instorten gezien de naschokken die maar niet ophouden. Hij belooft dat hij buiten bij de ingang blijft, -zodat hij me ziet als ik later naar buiten kom.
Ik ben alleen, omringd door drie gewonden die de een na de ander de laatste adem uitblazen. Ik ben kalm. Ik laat me gaan in de wetenschap dat ik in dit stadium niets anders kan doen dan de tijd doorbrengen. Ik vraag me af wat er met Guy gebeurd is. Misschien is hij zwaar gewond of dood. Als ik iets voor hem moet doen, moet ik eerst uitvinden wat er met hem gebeurd is. Ik zal mijn lichaam bij elkaar moeten rapen. Ik houd mezelf voor dat ik morgen, als ik ben uitgerust en als ik hulp krijg om overeind te -komen, misschien steunend op Mati-as naar huis kan lopen - of naar Guys kantoor, dat dichterbij is. Anders kan Matias hem misschien gaan zoeken. Hij moet de weg kennen die hij twee keer per dag neemt.
Even later komt een man opdagen die me naar de binnenplaats brengt. Samen met drie anderen tilt hij me op en installeert me daar. Riboul Matadore brengt de rest van de nacht met me door. Hij streelt langdurig mijn hoofd, maakt mijn bebloede gezicht schoon, controleert het -infuus en stelt me gerust. 'U gaat echt niet dood, mevrouw, dat kan ik u verzekeren. Ik ben een dronkelap en God houdt van me. Ik ben een goed mens als ik dronken ben en God beloont me daarvoor. Ik zal bij u blijven. Ik zie dat u -alleen bent.’ Hij haalt een paar keer een mobiel zodat ik familie kan bellen. Maar er is geen verbinding en de batterijen raken op. Hij gaat naar andere gewonden kijken en laat een vriend waarnemen. In de vroege ochtend stapt hij op, met de belofte met soep terug te keren.
Even later komt Yolette opdagen die vermiste collega’s zoekt. Ze biedt aan mijn echtgenoot te waarschuwen en vraagt Tamara om bij me te blijven. Zij vertelt me dat de moeder van Yolet-te is overleden in hun huis. Ze geeft me haar mobiel en om zes uur ’s ochtends krijg ik Guy te pakken. Als ik hem vertel dat ik in het ziekenhuis lig, vraagt hij me in welke kamer! Hij is in leven en heelhuids! Hij komt me halen. Dan komt ook Prospery met zijn schoonzuster die dokter is en me verzorgt. Maar Guy en mijn zuster hebben er inmiddels al voor gezorgd dat ik naar de ambassade van de Dominicaanse Repu-bliek word vervoerd. Onze vriend, ambassadeur Ruben Silie, zegt dat hij me per helikopter kan laten evacueren. De weg naar Pétion-Ville is overal opgebroken. Vanaf de achterbank zie ik niets. Maar ik kan de verschrikking en de desolaatheid afmeten aan de stilte om ons heen. We houden allemaal onze adem in als ware het een wachtwoord waarvan ons leven afhangt.

OP DE BINNENPLAATS van de Dominicaanse ambassade word ik ontvangen door vrienden die zichtbaar zijn aangeslagen. Miguelina -omhelst me snikkend. Een vrouwelijke Cubaan-se arts maakt de verwonding aan mijn arm schoon. De pijn is hevig. Ze doet me kronkelen op de brancard. Ik schreeuw het uit. De arts beveelt aan me zo snel mogelijk te evacueren. Ik word in een helikopter gelegd die me naar Jimani vervoert. De artsen in het ziekenhuis ter plaatse onderzoeken me en maken een paar röntgenfoto’s. Ik vraag hun om me naar Santo Domingo te sturen waar ik weet de benodigde verzorging te kunnen krijgen. Ik ben er slecht aan toe. Ze gaan ermee akkoord. Guy, Matias en ik worden ingeladen in een ambulance. Santo Domingo is vierenhalf uur rijden van Jimani.
Mijn zoons, die in Santo Domingo wonen en weten dat ik uit het puin gehaald ben en op weg ben naar de hoofdstad, zoeken intussen een heli-kopter die me sneller naar het ziekenhuis kan brengen. Tientallen vrienden worden gemo-biliseerd om er een te vinden. De helikopter treft ons bij Barahona, na anderhalf uur in de ambulance. Om zeven uur ’s avonds landen we op de binnenplaats van het Plaza de la Salud–ziekenhuis. Een ambulance vervoert me naar de eerste hulp. Daar word ik door een professionele equipe uitvoerig onderzocht en getest. Gerustgesteld wil ik nu gaan slapen. Ik heb de indruk dat er een eind is geko-men aan al mijn ellende. De dokters leggen uit dat ik diezelfde avond geopereerd moet worden. Mijn borstkas is beschadigd (linkersleutelbeen en vier gebro-ken ribben hebben de long geperforeerd) en mijn rechteronderarm is 'vermalen’ (de huid en de aderen liggen in reepjes). Ik heb veel bloed verloren. Ik geef me over. Ik kan in elk geval rusten en me laten gaan. Ik ben gered. Matias is levend en gezond. En Guy is heelhuids…
In een lange estafette van onvoorwaardelijke solidariteit hebben enkele tientallen mensen - aan beide zijden van de grens - mij m'n leven cadeau gedaan.


Evelyn Margron (56) is de Haïti-directeur voor de ontwikkelingshulporganisatie ICCO/Kerk in Actie. In de chaotische dagen na de aardbeving probeerde ik Evelyn te bellen. Dat er geen gehoor was maakte me niet echt ongerust. Evelyn woonde immers hoog boven Pétion-Ville waar weinig schade was. Pas veel later hoorde ik van haar medewerkers dat ze zwaar gewond was geraakt en misschien haar arm zou verliezen.
Omdat de ramp bijna een jaar geleden plaatsvond, maak ik een afspraak met Evelyn. De studenten van onze filmworkshop Haiti Reporters zetten het interview op in de tuin van het nieuwe kantoor. Met gemak praat Evelyn over wat er die nacht gebeurde. Ze weet zeker dat er een volgende aardbeving komt, maar ze is niet meer zo in paniek. Ze kan weer werken en aan andere zaken denken. Dankzij dagelijkse revalidatie voelt ze zich fysiek ook sterker. Ze lacht en lijkt vrolijk. De vraag hoe de ramp haar heeft veranderd brengt haar echter opeens hard aan het huilen. Ze herstelt zich snel. 'Ik heb bijna niet gehuild in het afgelopen jaar. Het verlies van zo veel vrienden - ik wilde het niet voelen. Ik had al mijn energie nodig om beter te worden. Niet alleen mijn arm, mijn longen, mijn borstkas, alles was kapot.’
Evelyn heeft er geen schuldgevoelens over dat ze dankzij het sociale netwerk van haar en haar man - een voormalige ambassadeur - de mogelijkheid had te ontsnappen aan de hel waarin de andere slachtoffers in de overvolle -ziekenhuizen van Port-au-Prince zich bevonden. 'De mensen die mij gered hebben die nacht, de man die mijn gezicht schoonmaakte toen ik op straat lag en me niet kon bewegen, zij kenden me niet en ik weet nog steeds niet wie het geweest zijn.’
De wederopbouw van Haïti komt niet van de grond: een cholera-epidemie, honderdduizenden mensen nog steeds in tentkampen en recente presidentsverkiezingen die corrupt en ongeldig waren. Evelyn wijt het gebrek aan vooruitgang vooral aan het onvermogen van de nationale politiek. Ze gelooft niet dat de buitenlandse hulp er debet aan is. 'I worry a lot. Iedereen probeert zich in te dekken. Het is allemaal zo duister op het ogenblik. We weten niet eens waar nu over onderhandeld wordt.’ TON VRIENS