Opera

Is dat alles?

Opera: Elektra

Metzmacher + Elektra + Amsterdam: dat nodigt onvermijdelijk uit tot een (misschien wat vleiende maar daarom niet minder interessante) vergelijking. Ingo Metzmacher kwam dit jaar van de Hamburgse Staatsoper naar Amsterdam als nieuwe chef-dirigent van De Nederlandse Opera. Zijn opvolger aan de Elbe is Simone Young. Zij dirigeerde voor haar aanstelling aan de opera in de Hanzestad enige jaren geleden een serie Elektra’s in de Berliner Staatsoper, waarmee ze haar internationale doorbraak beleefde. Na een Strauss-engagement in Hamburg werd ze door het orkest daar tot opvolger van Metzmacher gekozen. Hij op zijn beurt presenteert nu in zijn eerste Amsterdamse seizoen ook al Strauss’ wraaktragedie-in-één-bedrijf. En dus komt de dodelijke vraag naar boven: wie doet het beter, Ingo of Simone? Simone Young zorgde er in Berlijn al bij het eerste zware Agamemnon-motief voor dat het bloed je als het ware in de aderen bevroor en ze toverde in de loop van de avond een ware bedwelming, een roes van klank te voorschijn. Metzmacher daarentegen bleef koel en afstandelijk. Bedwelming? Kent-ie niet. Extase? Wil-ie niet. Nagelbijtende hoogspanning, bijvoorbeeld in de grote nachtmerrie-scène van Klytemnestra? Geen reactie.
Hij staat sportief en aantrekkelijk voor de lessenaar, danst een beetje heen en weer, glimlacht schalks, of gehaaid, maar dat is het wel. Je zou zijn dirigeren goed-ambachtelijk Kapellmeister-werk kunnen noemen; het geniale en fascinerende van deze uitzonderlijke partituur hoor je in Metzmachers uitvoering met het NedPho nergens terug. Uitgerekend de man die het boek Keine Angst vor neuen Tönen schreef, schrikt terug voor de neutönerische grootsheid en de archaïsche kracht van deze muziek.
Natuurlijk speelt daarbij het probleem van de bezetting. Simone Young had in Berlijn Deborah Polaski als titelheldin; Metzmacher heeft Nadine Secunde gekozen. Met haar piep-piep-knars-techniek maakte zij van haar rol een soort akoestische pijniging, zonder als actrice ook maar een moment tot een tragische antieke figuur te worden. Ze mist domweg het formaat voor deze rol, voor deze muziek. Ook voor de prachtige lyrische delen van de partij, zoals de betoverende solo in de herkennings-scène met Orestes («O lass deine Augen mich sehn, Traumbild, mir geschenktes Traumbild») vond ze niet de klanken die echt het hart raken. Alles bleef schril, en stroef, zonder warmte.
Deze desastreuze bezetting getuigt van de armoe binnen de Nederlandse Opera, vooral omdat ze Secunde niet als noodoplossing, maar uit overtuiging engageerden. Ter herinnering: Secunde zong ook al in de laatste twee seizoenen Brünnhilde, en werd voor deze belangrijke Metzmacher-productie opnieuw van stal gehaald. Voor het enige operagezelschap in het land is dat niet goed genoeg, zeker niet als het in de internationale concurrentie mee wil.
Het publiek en de pers jubelden niettemin, en vierden luid de première, de titelheldin en de dirigent. Misschien is de verklaring dat de abonneehouders en de recensenten van DNO te weinig in contact zijn gekomen met de echte topzangers van dit repertoire. Kennelijk hebben zij nooit Simone Young met dit stuk gehoord, anders was hun gejuich voor Ingo Metzmacher vast veel ingetogener geweest. Mij, tenminste, maakte deze avond duidelijk waarom bij het vertrek van Metzmacher uit Hamburg weinig tranen zijn gevloeid. Misschien komen de Amsterdammers er binnenkort ook achter.