Is de arbeidsvoorziening nog wel nodig?

De arbeidsvoorziening is voor de tweede keer mislukt. De eerste keer was toen de overheid als bestuurder van de arbeidsbureaus niet kwam tot fatsoenlijke resultaten. De oplossing luidde toen: tripartisering. De sociale partners zouden het beter doen. Stonden zij niet dichterbij de werkelijkheid? Hoe dan ook, het kabinet- Lubbers II zette graag een stapje terug. Zo werd de overheid tenminste niet als enige aangesproken op het falende arbeidsmarktbeleid.

De centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, die sterk aan invloed inboeten door de steeds verdergaande decentralisatie, zagen een gouden kans om hun kwijnende positie flink op te vijzelen. Al was het maar door de vele miljoenen die aan de nieuwe status van koninklijk goedgekeurde arbeidsbemiddelaars vastzaten. Er kwamen maar liefst 28 regionale arbeidsbureaus met daarboven een Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening dat voor de beleidscoordinatie moest zorgen. Maar tussen de juichtonen door vroeg een enkeling zich al af: waar moet dat heen met een bestuur dat het van z'n leven niet eens wordt over de doelstellingen van die club?
Die enkelingen hebben gelijk gekregen. Eerst van minister Melkert, die besloot een kwart van het budget te korten. Een gelijk dat nog eens werd geaccentueerd door de reactie van het CBA zelf, dat besloot te bezuinigen op de regio’s, waar het werk gebeurt, en op de scholing. Ofte wel: men bezuinigt het werk weg in de hoop zelf te kunnen blijven zitten.
En nu de officiele evaluatiecommissie onder leiding van de nationale bovenmeester C. van Dijk. Die heeft de betrokkenen op niet zuinige wijze beknord. Aftreden, luidt het parool, want de centrale organisatie heeft niet gecoordineerd, niet gestuurd en zelfs niet opgelet waar het geld aan werd uitgegeven. Die heeft zich vermaakt met onderlinge ruzies. In de regio ging ieder dan ook zijn eigen gang, met verschillend resultaat.
De parttime voorzitter van het geheel, R. de Boer, wordt niet moe te benaderukken hoeveel kansarmen zijn organisatie toch maar aan het werk heeft geholpen. Hetgeen de bovenmeester slechts een zure glimlach ontlokte, benevens de opmerking: ‘Uw cijfers zijn boterzacht. Hetgeen verwijst naar tellingen van het type “licht hinkende Turkse dame scoort drie maal: gehandicapt, allochtoon en vrouw”.’
Intussen wordt het kleed onder de dames en heren vandaan getrokken. De commissie-Van Dijk concludeert dat onduidelijk is wat de arbeidsbureaus hebben bijgedragen aan de plaatsing van kansrijke werklozen. Met andere woorden: die waren ook zonder u wel aan het werk gekomen. Om vervolgens vast te stellen dat men zich moet richten op de kansarme groepen. Maar daar heeft de arbeidsvoorziening al lang geen monopolie meer op. De rijksoverheid zelf besteedt het werven van 1500 gedeeltelijk arbeidsongeschikten uit aan uitzendbureau Start; een landelijk project dat verstandelijk gehandicapten aan een reguliere baan moet helpen, wordt door de betreffende organisaties eveneens aan Start uitbesteed; de maatwerkaanpak van langdurige werklozen in de steden verloopt via de gemeenten. Zo langzamerhand luidt de echte vraag: waartoe hebben wij de arbeidsvoorziening nodig?