De antiracistische revolutie

Is dit het begin van het einde?

Het presidentschap van Donald Trump heeft het diepgewortelde racisme in de Amerikaanse samenleving eens te meer blootgelegd. Het probleem is sinds Trumps aantreden helder, en dat is niet het gedrag van zwarte mensen.

Protest bij een geïmproviseerd monument voor George Floyd in Minneapolis, Minnesota. 4 juni © Chandan Khanna / AFP/ ANP

Marine One wachtte op de president van de Verenigde Staten op het South Lawn van het Witte Huis. Het was 30 juli 2019, niet lang na negen uur ’s ochtends. Donald Trump was op weg naar het historische Jamestown om de vierhonderdste verjaardag te vieren van de eerste volksvertegenwoordiging van Europese kolonisten in de Amerika’s. Maar zwarte parlementsleden uit Virginia boycotten het bezoek. De daaraan voorafgaande twee weken was de president betrokken geweest bij een van de meest racistische politieke aanvallen op leden van het Congres in de Amerikaanse geschiedenis.

Net als zoveel andere controverses tijdens het presidentschap van Trump was het allemaal begonnen met een tweet vroeg in de ochtend. ʻHoe interessant om te zien dat “progressieve” Democratische Congresleden, oorspronkelijk afkomstig uit landen waarvan de regeringen een volledige en totale catastrofe zijn, de slechtste, meest corrupte en onbekwame waar dan ook ter wereld (als ze überhaupt al een functionerende regering hebben), nu luidkeels en venijnig tegen het volk van de Verenigde Staten, het grootste en machtigste land ter wereld, zeggen hoe onze regering moet worden geleid’, tweette Trump op zondag 14 juli 2019. ʻWaarom gaan ze niet terug om te helpen de totaal berooide en van misdaad vergeven plekken waar ze vandaan zijn gekomen er weer bovenop te krijgen. Kom daarna maar weer hierheen om ons te laten zien hoe je dat doet. Die plekken hebben jullie hulp hard nodig, je kunt niet snel genoeg vertrekken.’

Trump had het over vier nieuwe Congresleden: Ilhan Omar uit Minnesota, een Somalische Amerikaan; Ayanna Pressley uit Massachusetts, een Afrikaanse Amerikaan; Rashida Tlaib uit Michigan, een Palestijnse Amerikaan; en Alexandria Ocasio-Cortez uit New York, een Puerto Ricaan. Pressley maakte een screenshot van de tweet van Trump en zei: ʻDIT is hoe racisme eruitziet.’

Op het South Lawn stond Trump verslaggevers en camera’s te woord. Tegen de achtergrond van het geluid van draaiende helikopterwieken vroeg een verslaggever aan Trump of het hem iets kon schelen dat ʻsteeds meer mensen’ hem een racist noemden. ʻIk ben de minst racistische persoon waar dan ook ter wereld’, antwoordde Trump, met zijn armen omhoog en zijn handpalmen naar voren, als om dat te onderstrepen.

Zijn armen kwamen weer omlaag. Vervolgens nam hij een zeer uitgesproken criticus, dominee Al Sharpton, op de korrel. ʻDat is pas een racist’, aldus Trump. ʻWat ik voor de Afrikaanse Amerikanen heb gedaan heeft volgens mij geen enkele andere president gedaan (…) En de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap is mij zeer dankbaar.’

Het was een absurde uitspraak. Maar op een rare manier had Trump gelijk. Nu de eerste termijn van zijn regering er bijna op zit, moeten zwarte Amerikanen – nee, alle Amerikanen – hem in één opzicht dankbaar zijn. Hij heeft de Amerikaanse samenleving een spiegel voorgehouden, en die spiegel heeft een grotesk beeld laten zien dat veel mensen tot nu toe weigerden te zien: een beeld, niet alleen van het racisme dat het land nog steeds in zijn greep houdt, maar ook van de reflex om die werkelijkheid te ontkennen. Onder Donald Trump zijn méér Amerikanen dan ooit, meer dan onder zijn voorgangers, opgehouden het bestaan van het racisme te ontkennen.

We zitten midden in een antiracistische revolutie. Dit voorjaar en deze zomer hebben demonstraties voor raciale gerechtigheid honderdduizenden mensen getrokken in Los Angeles, Washington, New York en andere grote steden. Kleinere betogingen deden zich voor in noordoostelijke enclaves als Nantucket, Massachusetts, en Bar Harbor, Maine; in westelijke steden als Havre, Montana, en Hermiston, Oregon; in middelgrote steden als Waco, Texas, en Topeka, Kansas; en in rijke voorsteden als Chagrin Falls, Ohio, en Darien, Connecticut.

Oude activisten en nieuwe rekruten voor de goede zaak drongen er bij beleidsmakers op aan gewelddadige politieagenten ter verantwoording te roepen, wurggrepen en huiszoekingen zonder te kloppen in de ban te doen, de geldstroom voor de politie over te hevelen naar de sociale diensten, en een einde te maken aan de praktijk van het sturen van gewapende en gevaarlijke agenten als reactie op incidenten waarbij de verdachte gewapend noch gevaarlijk is. Maar deze activisten pleitten niet alleen maar voor een paar beleidsveranderingen. Zij riepen ertoe op het racisme in Amerika voor eens en voor altijd uit te roeien.

De president heeft geprobeerd de betogingen af te schilderen als het werk van plunderaars en criminelen, maar veel mensen die thuis hebben zitten kijken hebben dat niet zo ervaren. Deze zomer zei een meerderheid van de Amerikanen – 57 procent, volgens een peiling van Monmouth University – dat het waarschijnlijker is dat politieagenten excessief geweld zullen gebruiken tegen zwarte ʻdaders’ dan tegen witte. In december 2014 was dat nog maar 33 procent, nadat een grand jury had geweigerd een politieagent uit New York City aan te klagen voor de moord op Eric Garner. Begin juni zeiden bovendien drie op de vier Amerikanen dat ʻraciale en etnische discriminatie’ een ʻgroot probleem’ is in de Verenigde Staten – tegen slechts ongeveer de helft van de Amerikanen in 2015, toen Trump zijn presidentscampagne lanceerde.

Het zou makkelijk zijn om deze veranderingen te beschouwen als het directe gevolg van de afschuwwekkende gebeurtenissen die zich dit jaar voltrokken: een pandemie die een onevenredig effect heeft op mensen van kleur; de video van de stervende George Floyd onder de knie van een onbewogen politieagent uit Minneapolis; de vreselijke moord op Breonna Taylor, die werd doodgeschoten in haar eigen huis. Maar fundamentele veranderingen in de manier waarop Amerikanen over ras nadenken waren al zichtbaar vóórdat de onevenredige gevolgen van Covid-19 duidelijk werden en vóórdat de jongste voorbeelden van politiegeweld boven water kwamen. Het percentage Amerikanen dat tegen de opiniepeilers van Monmouth zei dat raciale en etnische discriminatie een groot probleem is, maakte een grotere sprong tussen januari 2015 (51 procent) en juli 2016 (68 procent) dan tussen juli 2016 en juni 2020 (76 procent). Waar we nu getuige van zijn is de culminatie van een langer proces – een proces dat nauw verbonden is met de politieke carrière van Donald Trump.

In de dagen die voorafgingen aan de aanval van Trump op Omar, Pressley, Tlaib en Ocasio-Cortez had Fox News vernietigend uitgehaald naar de ʻSquad’, met name naar Omar. Alle vier hadden ze in het openbaar geredetwist met de Democratische spreker van het Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi, over een pakket van 4,6 miljard dollar aan grenshulp, omdat ze vonden dat dit Trumps immigratiebeleid niet genoeg in de wielen reed. Maar Pelosi schoot haar mede-Democraten op 14 juli 2019 prompt te hulp. ʻAls @realDonaldTrump tegen vier Amerikaanse Congresleden zegt dat ze terug moeten gaan naar hun eigen land’, tweette Pelosi, ʻbevestigt hij dat zijn plan om “Amerika weer sterk te maken” altijd is gegaan over het weer wit maken van Amerika.’

Toen Democratische politici die zondag tegen de president tekeergingen, hielden de Republikeinen zich gedeisd. ʻHet is angstwekkend gebruikelijk geworden voor veel van mijn Republikeinse collega’s om deze momenten voorbij te laten gaan zonder ook maar iets te zeggen’, zei de Democratische minderheidsleider Chuck Schumer in de Senaat.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de maandag daarop een paar Republikeinen de tweets van de president racistisch noemden. Maar Trump, gesterkt door de stilte van de rest van zijn achterban, deed er vervolgens nog een schepje bovenop. ʻALS JULLIE HIER NIET GELUKKIG ZIJN’, schreef Trump aan de vier vrouwen op Twitter, ʻKUNNEN JULLIE VERTREKKEN.’ De president voegde daar nog aan toe: ‘Als de Democraten zich willen verenigen rond de smerige taal & racistische haat die voortvloeit uit de monden en daden van deze zeer impopulaire & onrepresentatieve Congresleden, zal het interessant zijn om te zien hoe dit zich ontwikkelt.’

Op maandagavond hadden de Democraten in het Huis van Afgevaardigden er genoeg van. Ze kwamen met een resolutie waarin de racistische tweets van de president ʻkrachtig’ werden veroordeeld. De volgende ochtend werd Trump wakker in een staat van woedende ontkenning. ʻDie tweets waren NIET racistisch’, tweette hij. ʻEr zit geen racistisch bot in mijn lichaam!’

Leden van Black Lives Matter samen met sympathisanten tijdens een demonstratie in New York. 23 september © Spencer Platt / Getty Images

De Amerikanen zien zichzelf – en hun land – terug in de president. Sinds de dagen van George Washington personifieert de president het Amerikaanse lichaam. Het motto van de Verenigde Staten is E pluribus unum – ʻUit velen één.’ Die ʻene’ is de president.

Volgens Trump en veel van zijn aanhangers moet het Amerikaanse lichaam een wit lichaam zijn. Toen hij op 16 juni 2015 zijn campagne voor de presidentsverkiezingen lanceerde, begon hij met aanvallen op immigranten van kleur en op de persoon wiens burgerschap hij ten onrechte betwistte: Barack Obama. Deze mensen zouden allemaal het Amerikaanse lichaam ontheiligen. Over Mexicaanse immigranten zei hij: ʻZe nemen drugs mee. Ze brengen misdaad mee. Het zijn verkrachters.’ Van Obama zei hij: ʻHij is een negatieve kracht geweest. We hebben iemand nodig die het merk van de Verenigde Staten weer sterk kan maken.’

Trump presenteerde zichzelf als deze persoon. Om Amerika weer sterk te maken, zou hij het doen voorkomen alsof Obama nooit president was geweest, en hem uit de geschiedenis wissen door zijn belangrijkste prestaties ongedaan te maken, van de Affordable Care Act (Obamacare) tot daca, de Deferred Action for Childhood Arrivals (het beleid om kinderen van illegale immigranten een tijdelijke verblijfsvergunning te geven). Hij zou ook een muur bouwen om immigranten buiten de deur te houden en een verbod uitvaardigen op de immigratie van moslims.

Dagen nadat hij voor het eerst zijn immigratieverbod voor moslims had voorgesteld, in december 2015 – in de begintijd van zijn kandidatuur – zei Trump tegen Don Lemon van cnn: ʻIk ben de minst racistische persoon die je ooit bent tegengekomen.’ Trumps ontkenning was gedurfd, maar destijds droeg die gedurfdheid alleen maar bij aan het zelfgenoegzame gevoel van veel Amerikanen dat deze indringer uit de wereld van de reality-tv geen serieuze bedreiging vormde. Toch leefden de Amerikanen die Trumps kansen van de hand wezen zelf in ontkenning.

Voor velen was het presidentschap van Obama het bewijs dat het land pal stond voor de idealen van vrijheid en gelijkheid. Als een zwarte man het hoogste ambt in het land kon bekleden, betekende dit dat het land postraciaal was geworden, of op zijn minst dat de geschiedenis zich onverbiddelijk in deze richting bewoog. De regering-Obama zelf beriep zich erop dat zij streed tegen de laatste restanten van het racisme – een schoonmaakoperatie in een oorlog die zo goed als gewonnen was.

Drie dagen na zijn uitspraak: ‘Waarom komen al die mensen uit 'shithole countries* hierheen?’ zei Trump weer: ‘Nee, ik ben geen racist’

Ik was minder optimistisch. In de maanden die naar de verkiezingen van november 2016 leidden zei ik tegen mijn familie en vrienden dat Trump een goede kans had om te winnen. In de hele Amerikaanse geschiedenis was raciale vooruitgang doorgaans gevolgd door het tegenovergestelde. Op 8 november 2016 keek ik thuis op de bank in mijn eentje naar het binnenkomen van de uitslagen. Mijn dochter Imani sliep in haar wiegje. Mijn vrouw Sadiqa was in het ziekenhuis om patiënten te behandelen tijdens haar nachtdienst op de afdeling voor kindergeneeskunde.

Ik bleef op tot half twee in de ochtend. Toen Trump in Pennsylvania had gewonnen, deed ik de televisie uit en belde ik Sadiqa om te horen hoe haar dienst verliep. Later zou ik lezen hoe Trump, rond een uur of drie ’s ochtends, zijn uitzinnige aanhangers in New York City had begroet met een overwinningstoespraak. Hij beloofde een ʻpresident voor alle Amerikanen’ te zullen zijn.

Binnen een paar dagen nadat hij was ingezworen verbrak Trump deze belofte. Hij herzag de opschorting van twee oliepijpleidingprojecten, waaronder het project dat dwars door het indianenreservaat Standing Rock liep en waartegen ruim tweehonderd inheemse stammen zich verzetten. Hij kwam met executive orders voor de bouw van een muur langs de zuidelijke grens van de VS en voor de deportatie van individuen die ʻeen risico vormen voor de openbare of nationale veiligheid’. Hij gaf opdracht tot de invoering van de eerste van drie immigratieverboden voor moslims.

Aan het eind van het voorjaar van 2017 droeg minister van Justitie Jeff Sessions de federale aanklagers op altijd de zwaarst mogelijke gevangenisstraf te eisen. Sessions legde tevens de basis voor de opschorting van alle zogenoemde consent decrees die voorzagen in federaal toezicht op politiediensten die blijk hadden gegeven van een patroon van racisme.

Onder leiding van Steve Bannon en Stephen Miller werkte de regering aan manieren om de immigratie van mensen van kleur te beperken. Er was een gevoel van urgentie, omdat – zoals Trump zei tijdens een besloten bijeenkomst in het Witte Huis in juni 2017 – ʻalle Haïtianen aids hebben’ en Nigerianen nooit ʻzouden terugkeren naar hun hutten’ als ze eenmaal in de Verenigde Staten waren.

Toen kwam Charlottesville. Op 11 augustus 2017 marcheerden ongeveer 250 witte nationalisten op de campus van de Universiteit van Virginia. Terwijl ze betoogden tegen het plan van Charlottesville om beelden te verwijderen die helden van de Confederatie vereerden, riepen zij: ʻBloed en bodem!’, ʻDe joden zullen onze plaats niet innemen!’, en ʻWitte levens doen ertoe!’ De witte nationalisten botsten die avond en de volgende middag met antiracistische demonstranten. Witte levens deden er echter niet toe voor de witte nationalist James Alex Fields Jr. Hij reed met zijn Dodge Challenger in op een menigte tegenbetogers, doodde Heather Heyer en verwondde negentien anderen.

ʻWij veroordelen, in de krachtigst mogelijke termen, deze schandalige vertoning van haat, onverdraagzaamheid en geweld aan vele zijden, vele zijden’, aldus Trump in een reactie. Hij zei dat er ʻaan beide zijden heel fijne mensen waren’.

Op 5 september 2017 begon Trump aan zijn langdurige en niet succesvolle poging om daca te elimineren, het programma dat ervoor had gezorgd dat de deportatie van grofweg zo’n achthonderdduizend ongedocumenteerde immigranten die de VS als kinderen waren binnengekomen was opgeschort. De regering-Trump begon ook de beschermde status ongedaan te maken van duizenden vluchtelingen voor oorlogen en natuurrampen van jaren geleden in Soedan, Nicaragua, Haïti, El Salvador, Nepal en Honduras. Tegen het einde van zijn eerste jaar als president vroeg Trump zich tijdens een bijeenkomst in het Witte Huis hardop af: ʻWaarom komen al die mensen uit shithole countries hierheen?’ Hij bedoelde Haïti, El Salvador en landen in Afrika. Hij opperde dat de VS meer mensen zouden moeten laten immigreren uit landen als Noorwegen.

Drie dagen later, op 14 januari 2018, tijdens een ontmoeting met journalisten in West Palm Beach, Florida, werd hem opnieuw de vraag gesteld of hij een racist was. ʻNee, ik ben geen racist’, antwoordde hij. ʻIk ben de minst racistische persoon die jullie ooit hebben geïnterviewd.’

Het Amerika dat zijn racisme ontkende tijdens het presidentschap van Obama heeft moeite gehad zijn racisme te ontkennen tijdens het presidentschap van Trump. Tussen 1977 en 2018 werd in de General Social Survey de vraag gesteld of zwarte Amerikanen ʻslechtere banen, een lager inkomen en slechtere behuizing hebben dan witte mensen (…) vooral als gevolg van discriminatie’. Er zijn slechts twee antwoorden op deze vraag mogelijk. Het racistische antwoord is ʻnee’ – het veronderstelt dat racistische discriminatie niet langer bestaat en dat raciale ongelijkheid het gevolg is van het feit dat er iets mis is met zwarte mensen. Het antiracistische antwoord is ʻja’ – het gaat ervan uit dat er niets goeds of slechts, inferieurs of superieurs is aan welke raciale groep dan ook, dus dat de verklaring voor raciale ongelijkheid moet liggen in discriminatie.

In 2008, toen Obama op weg was naar het Witte Huis, antwoordde slechts 34,5 procent van de respondenten ʻja’ – een percentage dat ik het antiracistische percentage zal noemen. Dit was het op één na laagste antiracistische percentage in de 41 jaar dat deze enquête werd gehouden. Het percentage steeg naar 37,7 procent in 2010, wellicht omdat de opkomst van de Tea Party sommige witte Amerikanen ertoe bracht hun mening te herzien, maar het viel terug naar 34,9 procent in 2012 en naar 34,6 procent in 2014.

In 2016, toen de schaduw van Trump over de Amerikaanse politiek hing, steeg het antiracistische percentage naar 42,6 procent, het steeg zelfs naar 46,2 procent in 2018. De stijging laat zich voor een groot deel verklaren door verschuivingen in de witte publieke opinie. Het witte antiracistische percentage bedroeg nauwelijks 29,8 procent in 2008. Het sprong omhoog naar 37,7 procent in 2016 en naar 40,5 procent na twee jaar presidentschap van Trump. De ontkenners van racisme, degenen die mensen van kleur de schuld geven van raciale ongelijkheid en onrechtvaardigheid, zijn meestal wit, maar niet uitsluitend.

Tijdens het presidentschap van Trump is het moeilijker geworden om zwarte mensen de schuld te geven van raciale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Het is ook moeilijker geworden om tegen zwarte mensen te zeggen dat het aan henzelf ligt, en om hen ertoe aan te zetten hun positie te verbeteren door zich op een rechtschapen of respectabele manier te gedragen. In de Trump-jaren is het probleem helder, en dat is niet het gedrag van zwarte mensen.

De Verenigde Staten zijn vaak een land van tegenstrijdigheden genoemd, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de tekortkomingen gepaard zijn gegaan met opmerkelijke prestaties: een New Deal voor veel Amerikanen in de jaren dertig, de overwinning op het fascisme in het buitenland in de jaren veertig. Maar inzake raciale aangelegenheden kunnen de VS met recht worden beschreven als een land dat in ontkenning leeft. Het is een land van bloedbaden geweest dat zei het leven te koesteren, een land van slavenhouders dat zei de vrijheid hoog in het vaandel te dragen, een hiërarchisch land dat zei de gelijkheid te waarderen, een land dat mensen het stemrecht ontnam terwijl het beweerde een democratie te zijn, een gesegregeerd land dat claimde weliswaar gescheiden maar ook gelijk te zijn, een land dat mensen buitensloot en desondanks pochte iedereen een kans te geven. Een land is wat het doet, niet wat het ooit beweerd heeft te zullen zijn. Dikwijls is een land zelfs precies datgene wat het ontkent te zijn.

Er deed zich echter een geweldig moment voor toen een grote groep Amerikanen een geschiedenis van raciale ontkenning vaarwel zei. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw hadden slavenhouders hun bereik uitgebreid naar het noorden. Hun ʻslavenvangers’, gesteund door de federale macht, trokken zich niets aan van plaatselijke wetten en deden hun best om weggelopen slaven (en vrije zwarte mensen) te vangen die waren ontsnapt uit het zuiden. Voorheen tot slaaf gemaakte mensen als Frederick Douglass en Sojourner Truth, evenals journalisten als William Lloyd Garrison, stonden op spreekgestoelten in het noorden en westen van het land om de wreedheid en de onmenselijkheid van de slavernij aan te klagen.

Intussen probeerden de slavenhouders hun macht naar het westen uit te breiden – waar witte mensen die niet met zwarte slavenarbeid wilden concurreren ertoe opriepen om hun land ʻvrij’ te verklaren. Begin 1854 bonden de slavenhouders in Kansas de strijd aan met deze ʻfree soilers’ (en voorstanders van de afschaffing van de slavernij, zoals John Brown) over de vraag of deze staat – en de hele Verenigde Staten – vrij moest zijn of een slavenstaat. De Dred Scott-uitspraak in 1857 van het Hooggerechtshof impliceerde dat zwarte mensen en noordelijke staten ʻgeen rechten hadden’ die slavenhouders ʻmoesten respecteren’.

De slavenhouders leken erop uit om hun plantages uit te breiden van kust tot kust. Als gevolg daarvan raakten steeds meer witte Amerikanen tegen de slavernij gekant, of dit nu was omdat zij zich bekommerden over het lot van de tot slaaf gemaakten of uit angst voor de oprukkende economische macht van de slavenhouders. Zwarte Amerikanen ontvluchtten het land intussen naar Canada en Liberia – of bleven in de VS en drongen aan op een radicale breuk met de slavernij. Een kritische massa van Amerikanen wees de bewering van het zuiden af dat slavernij goed was en ging dit verschijnsel juist als iets slechts beschouwen.

De pogingen van de slavenhouders om hun systeem in stand te houden mislukten; in de jaren voor de Burgeroorlog werd de onmenselijkheid en wreedheid van de slavernij té flagrant voor de noorderlingen om nog langer te kunnen negeren of ontkennen. Evenzo is het racisme van Trump – en dat van zijn bondgenoten en enablers – té flagrant voor de Amerikanen om nog langer te kunnen negeren of ontkennen. En net zoals de jaren vijftig van de negentiende eeuw de weg vrijmaakten voor de revolutie tegen de slavernij, heeft het presidentschap van Trump de weg vrijgemaakt voor een revolutie tegen het racisme.

Een protest in Minneapolis na de dood van George Floyd. 31 mei © Victor J. Blue / The New York Times / ANP

Op 16 juli 2019 voerde het Huis van Afgevaardigden een bitter debat over de resolutie om Trump te berispen voor zijn racistische tweets tegen de vier Congresleden van kleur. Deze vier waren leden van de meest diverse groep Democraten uit de Amerikaanse geschiedenis, die het Huis bij de tussentijdse verkiezingen van 2018 van de Republikeinen terugwonnen.

Veel Amerikanen denken: een routineoperatie – de nederlaag van Trump bij de verkiezingen – zal het Amerikaanse lichaam genezen

ʻElk lid van deze instelling, Democratisch en Republikeins, zou zich bij ons moeten aansluiten om de racistische tweets van de president te veroordelen’, zei spreker Pelosi in het Huis van Afgevaardigden. De Republikeinen floten haar weg uit protest. Pelosi wendde zich tot hen, verhief haar stem, en voegde eraan toe: ʻAls u iets minder doet zou dit een schokkende afwijzing zijn van onze waarden en een beschamende verwerping van onze eed om het Amerikaanse volk te beschermen.’

De Republikeinen beweerden dat Pelosi een regel had geschonden door een actie als ʻracistisch’ te bestempelen. Ze wilden het woord uit het verslag van de beraadslaging laten verwijderen. De motie die zij met het oog daarop indienden haalde het niet. ʻIk ken racisme als ik het zie, ik ken racisme als ik het voel, en op het hoogste regeringsniveau is er geen ruimte voor racisme’, zei afgevaardigde John Lewis, het burgerrechtenicoon, tijdens het debat.

Uiteindelijk stemden slechts vier Republikeinen en de enige onafhankelijke in het Huis van Afgevaardigden met de Democraten mee om de president van de Verenigde Staten te veroordelen. Dit betekent dat 187 Republikeinen in het Huis, oftewel 98 procent, ontkende dat het racistisch was om tegen vier Congresvrouwen van kleur te zeggen dat ze terug moesten gaan naar hun eigen land. Zij meenden, zoals de meerderheidsleider Mitch McConnell van de Senaat zei, dat ʻde president geen racist is’.

Het veroordelen van het racisme van de president zou zijn neergekomen op het veroordelen van hun eigen racisme. McConnell verwees stilzwijgend allerlei antiracistische wetsvoorstellen naar de prullenbak die sinds januari 2019 uit het Huis waren gekomen, te beginnen met het eerste wetsvoorstel van het nieuwe Huis, dat tot doel had Amerikanen te beschermen tegen ondermijning van hun stemrecht.

De dag nadat hij door de Democraten in het Huis van Afgevaardigden was berispt, hield Trump de eerste bijeenkomst van zijn herverkiezingscampagne. Hij besteedde een groot deel van zijn toespraak in Greenville, North Carolina, aan het uitvaren tegen de vier Congresleden. Toen hij een reeks aanvallen op Omar afvuurde, begon de menigte te roepen: ʻStuur haar terug! Stuur haar terug! Stuur haar terug!’

Trump stopte met spreken. Hij deed geen moeite om het roepen te stoppen toen het luider werd. Hij koesterde zich dertien seconden lang in de raciale laster.

ʻStuur haar terug! Stuur haar terug! Stuur haar terug!’

De donderdag daarna waren de Republikeinen er als de kippen bij om het geroep te veroordelen. ʻEr is geen plaats voor dit soort praatjes’, aldus Tom Emmer uit Minnesota tegen de verslaggevers. Maar, zo voegde hij eraan toe: ʻEr zit nog geen racistisch bot in het lichaam van de president.’

Trump wees het ʻstuur haar terug’-geroep van de hand, maar op vrijdag kwam hij daar weer op terug. Hij noemde de roepers ʻongelooflijke patriotten’ en ontkende hun racisme, net als het zijne. Veel Amerikanen doorzagen deze valse beweringen. Eind juli zei een meerderheid van de kiezers voor het eerst dat de president van de Verenigde Staten in feite een racist was.

Ik dacht dat ik oog had voor de kracht van de ontkenning nadat ik jarenlang de geschiedenis van racistische ideeën had bestudeerd. Maar ik heb die kracht op een persoonlijke manier leren begrijpen tijdens het eerste jaar van het presidentschap van Trump. In 2017 werd ik ziek; ik voelde me zo ziek als ik nooit eerder was geweest. Maar ik maakte mezelf wijs dat mijn regelmatige bezoekjes aan het toilet niets voorstelden. Het bloed was niet ernstig. Ik negeerde de symptomen maandenlang. Ik wachtte tot de pijn ondraaglijk was voordat ik toegaf dat ik een probleem had. En zelfs toen kon ik het nog niet op eigen kracht toegeven.

Sadiqa zag het geheel van mijn symptomen tijdens een vakantie rond Nieuwjaar. Het was de eerste keer in maanden dat we de hele week samen waren, elke dag. Zodra we thuiskwamen, in januari 2018, sleepte ze me naar de dokter.

Ik stemde in met de afspraak, maar wilde nog steeds niet toegeven dat mijn toestand ernstig was. Ik had geen van de algemeen bekende risicofactoren voor darmkanker. Ik was 35 jaar en ik ging regelmatig naar de sportschool, rookte niet, dronk zelden en had geen familieleden met darmkanker. Ik was zelfs veganist, dus waar hadden we het over.

Ik besef nu dat ik bezig was met een krachtige ontkenning. Ook Amerikanen kunnen met gemak een hele reeks redenen opnoemen waarom hun land niet racistisch is: kijk maar naar de verlichte principes waarop de natie is gegrondvest. Kijk naar de vooruitgang die het land heeft geboekt. Kijk naar de verkiezing van Barack Obama. Kijk naar de donkere gezichten op hoge plaatsen. Kijk naar de diversiteit van de Democratische Congreskandidaten van 2020.

Zelfs nadat de dokter de tumor had gevonden, hield mijn ontkenning stand. Toen ik eenmaal accepteerde dat ik kanker had, was ik ervan overtuigd dat het fase één moest zijn, om dezelfde redenen dat ik ervan overtuigd was geweest dat ik helemaal geen kanker had. Een routineoperatie zou volstaan, en dan zou alles goed komen.

Ik ben bang dat dit is hoe veel Amerikanen op dit moment denken: een routineoperatie – de nederlaag van Donald Trump bij de verkiezingen – zal het Amerikaanse lichaam genezen. Het is niet nodig om dieper te kijken, op de politiebureaus, op scholen, in de huisvesting. Erkennen de Amerikanen het racisme nu, maar maken ze zichzelf wijs dat het probleem is ingeperkt? Maken ze zichzelf wijs dat het een groot probleem is, maar dat het zich niet kan hebben verspreid naar bijna ieder deel van het politieke lichaam? Wordt dit de nieuwe vorm van de Amerikaanse ontkenning?

Valse hoop was mijn nieuwe normaal, totdat het niet langer kon. Toen ze mijn lichaam scanden, ontdekten de artsen dat de kanker zich had uitgezaaid. Ik had fase vier darmkanker. Ik had twee keuzes: ontkenning en dood, of erkenning en leven. Amerika heeft nu ook twee keuzes.

Trump zal blijven beweren dat hij van gekleurde mensen houdt, dezelfde mensen die hij met zijn beleid schaadt. Hij zal zichzelf ʻniet racistisch’ blijven noemen en de term ‘racistisch’ blijven gebruiken voor iedereen die de moed heeft om zijn eigen vooroordelen ter discussie te stellen. Het is duidelijk dat Trump hoopt dat zijn racistische ideeën, samen met zijn beleid om het kiezers onmogelijk te maken om te stemmen, zullen leiden tot zijn herverkiezing. Maar nu Trump een kritische massa van Amerikanen naar een punt heeft geduwd waar ze de zonden van de natie niet meer kunnen ontkennen, is het de vraag wat die Amerikanen eraan zullen doen.

Eén weg voorwaarts leidt tot louter restauratie. De vicepresident van Barack Obama verslaat Trump en haalt de slechte appel uit de mand. Als Trump eenmaal weg is, zal de natie geloven dat het weer de goede kant op gaat. Op deze route zullen de Amerikanen racisme als een belangrijk probleem beschouwen. Maar ze zullen de ware ernst van het probleem en de noodzaak van drastische maatregelen ontkennen. Op deze route zullen de monumenten van het racisme ontmanteld worden, maar zullen de Amerikanen terugschrikken voor de ontzagwekkende taak om het land met antiracistisch beleid opnieuw vorm te geven. Als Trump weg is, zullen de Amerikanen besluiten dat ze niet langer actief antiracistisch hoeven te zijn.

Of de Amerikanen kunnen zich realiseren dat ze een point of no return hebben bereikt. Er is geen terugkeer mogelijk naar de slechte oude gewoonte van het ontkennen. Er is geen terugkeer mogelijk naar het cynisme. Er is geen terugkeer mogelijk naar het normale – het normale waarin racistisch beleid, ondersteund door racistische ideeën, leidt tot raciale ongelijk-heden.

Op deze route hebben Trumps ontkenningen de manier waarop de Amerikanen naar zichzelf kijken voorgoed veranderd. Het Trump-effect is echt, en zal blijvend zijn. De afrekening waar we deze lente en deze zomer getuige van zijn geweest bij betogingen verandert in een afrekening in de wetgevende instanties, de C-suites, de bureaus voor toelating tot de universiteit. Op deze route eist het Amerikaanse volk rechtvaardige resultaten, en geen toespraken die hen louter een goed gevoel geven over zichzelf en hun land.

De afschaffing van de slavernij leek in de jaren vijftig van de negentiende eeuw net zo onmogelijk als gelijkheid vandaag de dag lijkt. Maar net zoals de abolitionisten van destijds de onmiddellijke afschaffing van de slavernij eisten, moet onmiddellijke gelijkheid vandaag de dag de eis zijn. Schaf het politiegeweld af. Schaf massale opsluiting af. Schaf de raciale welvaartskloof af, en de kloof in de onderwijsfinanciering. Schaf de barrières voor het burgerschap af. Schaf de ondermijning van het stemrecht af. Schaf de gezondheidsverschillen af. Niet over twintig jaar. Niet over tien jaar. Nu.


Ibram X. Kendi is hoogleraar geesteswetenschappen aan de Andrew W. Mellon-universiteit en directeur van het Boston University Center for Antiracist Research. Hij is de auteur van verschillende boeken, waaronder het met de National Book Award bekroonde Stamped From the Beginning: The Definitive History of Racist Ideas in America en How to Be an Antiracist. Dit stuk verscheen eerder in The Atlantic. Vertaling Menno Grootveld