Een Heerhugowaarder in The City

Is economische groei noodzakelijk?

Wie wil er nog investment banker worden? De economie krimpt, de bonussen zijn verdwenen. Maar Taas, een luidruchtige ex-leerling van het Han Fortmann College in Heerhugowaard, wilde het wel. En hij werd het.

ZE NOEMEN HEM de Hedgefundkoning en voordat iemand hem er überhaupt om vraagt vertelt hij precies hoe ver hij gekomen is bij een van de meisjes aan tafel. Hij kan vrij praten, want alle dames zijn Brits en hij spreekt Nederlands. ‘We hebben alleen gezoend. Meer niet. Ze houdt gewoon niet van seks. Dat heeft ze letterlijk gezegd. Ze vindt het saai, een gedoe.’
De Hedgefundkoning heet Joris, is eind twintig en heeft zorgvuldig onderhouden lang, blond haar. Tegen de tijd dat hij het Italiaanse restaurant vlak bij het Londense Green Park binnenkomt, arm in arm met zijn nieuwe vriendinnetje, wordt aan tafel net het nagerecht geserveerd. Het meisje dat niets om seks geeft groet hem met een wat verkrampte glimlach en gaat vlug verder met haar crème brûlée.
Wat hem precies de koning maakt wordt door het gezelschap, vooral investment bankers, niet gespecificeerd. Het is een gegeven. Net als de andere jongens – ook Nederlanders, ook eind twintig – werkte de Hedgefundkoning een paar jaar voor Merrill Lynch, een van de grootste investeringsbanken ter wereld. Maar hij ging weg. Het ging hem daar niet snel genoeg, hij verdiende er te weinig geld. Hij wil best zeggen hoe hoog zijn bonussen toen waren, niet om op te scheppen, maar omdat bonussen er nu eenmaal bijhoren, niet iets om preuts over te doen.
‘Het eerste jaar kreeg ik 45.000 euro, het tweede jaar zestig en het derde jaar ging het iets minder, toen kreeg ik 48.’
Aan het andere uiteinde van de tafel zit Ronald Tasman (26), ‘Taas’, achterover leunend, als een soort pater familias, met zijn hand boven op zijn buikje. Al een jaar zegt Taas dat die buik er echt af gaat, dat hij echt gaat sporten, maar het komt er steeds niet van. Hij werkt te veel ‘lange uren’. De opmerkingen van de Hedgefundkoning moeten cru zijn voor Taas; sinds twee jaar is Taas analist op een mergers and acquisitions-afdeling. In de financiële wereld is dat het equivalent van voetsoldaat – maar wel de eerste belangrijke stap op de ladder, en eentje die gepaard gaat met een jaarsalaris dat een veelvoud is van het nationaal gemiddelde, en daar nog eens een fikse bonus bovenop. Alleen niet dit jaar, en waarschijnlijk volgend jaar ook niet.
Die klotecrisis. Er wordt veel over gepraat; over die ene collega, een man van halverwege de veertig of zo, die de afgelopen twee jaar 120 uur in de week heeft gewerkt aan een overnamedeal tussen twee Aziatische scheepsbouwbedrijven. Al die tijd geen privé-leven gehad. Normaal gesproken zou hij een bonus op de miljardendeal krijgen van 0,6 procent; zijn pensioen zou het zijn, goed voor bijna dertig miljoen dollar. En toen kwam de crisis. Mooi niet dus.
Taas: ‘En waar die gast mee bezig was had dus helemaal niet met de crisis – hypotheken, banken, overheidssteun, die shit – te maken. Ik zie hem elke dag door de gang lopen. Hij kijkt écht niet gelukkig.’
Iedereen heeft wel zo’n verhaal, en waarschijnlijk niet alleen aan deze tafel. Je kunt de bankiers en hedgefundmannen makkelijk herkennen in de restaurants; naast de wijnglazen hebben ze pontificaal hun telefoon op hun blackberry gestapeld. De laatste tien jaar is Londen een conglomeraat geworden van de financiële wereld. Niet alleen in The City, de ‘square mile’ die traditioneel het bancaire centrum van Engeland is, maar ook daarbuiten. In Mayfair, de wijk waar Mrs. Dalloway ooit haar boodschapjes deed, doken ineens de bedrijven op die creatief met geld omgaan; de hedgefunds, maar ook de slimmere dotcoms. En daarbuiten, om Hyde Park en om de Hampstead Heath heen, namen de oliesjeiks en de Russische oligarchen hun intrek. Planeetjes gemaakt van geld waar financiële hofhoudingen omheen cirkelen. De credit crunch is door heel Londen te voelen.

WIE WIL ER NU nog investment banker worden? Wereldwijd is de omzet van mergers and acquisitions met vijftig procent gedaald. Lehman Brothers en Bear Stearns zijn failliet gegaan, Merrill Lynch moest worden overgenomen door Bank of America. Bonussen zijn van tafel, niet alleen omdat de meeste grote banken zonder overheidssteun niet overeind konden blijven, maar ook omdat de bankiers in de publieke opinie gelijkstaan aan ongedierte dat aan de fundamenten van de economie heeft lopen knagen. Voor politiek links ben je het bewijs dat onbeteugeld kapitalisme een gevaar is voor de samenleving; voor rechts ben je het type dat nationale trots – bijvoorbeeld een bank als ABN Amro – in de uitverkoop heeft gedaan om zelf vlugge winsten te behalen. Tijdens de WTO-demonstraties in Londen, vorige maand, ging er bij Taas een bedrijfsbreed mailtje de deur uit waarin werd aangeraden in ‘civiele kleding’ naar het werk te komen, zodat men niet lastiggevallen zou worden.
Het is niet de eerste keer dat de maatschappij zich tegen de beursjongens keert. Na de beurskrach van 1987 waren in New York de anti-Wall Street-gevoelens zo hoog opgelopen dat de latere burgemeester Rudy Giuliani er zijn politieke carrière op kon bouwen. In dit klimaat schreef Michael Lewis, een jonge bankier van het Amerikaanse Salomon Brothers, Liar’s Poker (1989); het was het ultieme insiders-verhaal, vol anekdotes over hoe handelaren gulzig en hypocriet tot hun winsten kwamen en hoe hun bonusexcessen eruitzagen.
Bij de viering van de twintigste verjaardag van Liar’s Poker vertelde Lewis bij Larry King dat als hij lezingen geeft op universiteiten de meeste economiestudenten zijn boeken gelezen hebben – maar dat niemand het ziet als een waarschuwing voor extreem kapitalisme. Iedereen leest zijn boek als een handleiding ‘hoe het tot bankier te schoppen’. En dat geldt voor meer. Vergelijkbare boeken als Barbarians at the Gate, Den of Thieves en Monkey Business verkopen nog steeds en masse. Op de Amsterdamse Zuidas las het afgelopen half jaar iedereen De prooi, Jeroen Smits reconstructie van de val van ABN Amro – niet alleen om er lessen uit te trekken, vooral ook om de sfeer te proeven van al die miljardendeals.
Dus luidt het antwoord: iedereen wil nog steeds investment banker worden. Voor de economiestudenten die nu in de collegebanken zitten, een paar jaar jonger dan Taas, heeft de bankierswereld amper aan aantrekkingskracht ingeboet. Met of zonder crisis, die wereld blijft de plek om ‘geld te maken’. Elke dag komen er vanuit de hele wereld op Taas’ afdeling aanvragen binnen voor stageplekken.

TWEE JAAR TERUG lag Taas de hele zomer op de bank in het studentenhuis van een paar vrienden de Tour de France op televisie te kijken, beetje gamen, beetje slapen. Na zijn studie economie aan de Universiteit van Amsterdam had hij net een stage achter de rug bij het New Yorkse filiaal van een van de grootste investeringsbanken ter wereld. Het was halverwege 2007 en de markt zat in een enorme upswing. De stage had hem een baan opgeleverd waaraan hij na de zomer kon beginnen en dit waren derhalve de laatste weken uit zijn leven waarin hij nog acht uur kon slapen, bedacht hij, dus hij nam het ervan. De hele zomer kregen zijn vrienden het tot vervelens toe te horen: hoeveel geld hij ging verdienen, wat hij van zijn eerste bonus zou kopen. Zijn vrienden kenden hem langer dan vandaag, dus uiteindelijk deelde iemand zijn salaris door het aantal uren dat hij zou moeten gaan werken, en bleek het relatief wel mee te vallen. Heel grappig Taas, nu weer effe mond dicht plz.
Een jaar later had Taas zijn eerste jaar als investment banker erop zitten. De eerste contouren van de kredietcrisis begonnen zich af te tekenen, maar tegen zijn vrienden klaagde Taas op een manier die verried dat hij eigenlijk wel heel trots was op zijn gedisciplineerde lange uren: elke ochtend, zeven dagen in de week, een half uurtje in de tube naar zijn werk, om een uur of tien, en daarna aan de bak. Analyses maken van omzetten en conjuncturen van gespecialiseerde markten, zijn bazen helpen presentaties te maken voor hun klanten, constant afspraken met advocaten, om aan het einde van de dag, vaak pas na middernacht, met een auto van de zaak naar huis te worden gebracht. Vier uur slaap is geen uitzondering. Als hij die zomer op vakantie gaat, naar Las Vegas en de Bahama’s, krijgt hij de dag voordat hij vertrekt pas daadwerkelijk toestemming om te gaan, met de voorwaarde dat hij een aantal dagen tussen vier en vijf uur ’s nachts via de blackberry bereikbaar is. Die nachten wordt Taas eindeloos gemaild, en hij is wakker.

JE HAD TAAS eens moeten zien toen-ie nog op de middelbare school zat. Mooi mannetje. Luidruchtig. Iedereen kende hem. Hij ziet er nog steeds vrijwel hetzelfde uit: donker haar, achterover geplakt op zijn schedel. Randje babyvet om zijn kaak. Taas deed zijn vwo op het Han Fortmann College in Heerhugowaard, een forensenstad net boven Alkmaar. Als je met de trein Heerhugowaard in rijdt, zie je eindeloze rijen woonhuizen staan, als soldaten in gelid. Bijna vijftigduizend inwoners, maar niets te doen.
Het Han Fortmann bestond uit allemaal noodgebouwtjes aan elkaar geplakt, met zo’n typische middelbareschoolgeur – een combinatie van linoleum en zweet. De vaste hangplek van Taas en zijn vrienden was een gangetje tussen de kantine en de leslokalen in, en alle meisjes en lagereklassers snapten dat je daar niet langs kon lopen zonder afgezeken te worden. Hormonen uiteraard, maar Taas ging altijd nog even door als zijn vrienden al waren opgehouden. Na allerlei klachten van leerlingen werd er een soort interventie gepleegd. Tijdens een mentoruur werd klassikaal besproken hoe mensen zich voelden bij zijn opmerkingen. Kim, in communis opinio met stip het Mooiste Meisje van de School, vertelde dat ze vaak ’s middags thuiskwam en dan voor de spiegel ging staan, om te kijken of ze écht zo’n dikke kont had als Taas altijd zei. De jongens lagen dubbel, natuurlijk.
Van dat groepje jongens ging het merendeel economie studeren. Taas kwam terecht bij een investmentbank; één werkt als financieel adviseur bij een multinational in Singapore; één werkt als analist bij een Nederlandse marktconsultant; één verdiende een fortuin met internetpoker en één speelt fulltime computerspelletjes op de zolder van zijn ouders.

‘TOEN IK EEN JAAR of vijf was, was ik voor het eerst op Wall Street. Mijn vader werkte toen in Washington DC. Meteen maakte het indruk op me: de hoge gebouwen, de drukke sfeer, de haastende mensen, strak in pak. Toen ik economie ging studeren kreeg ik steeds meer ambitie om die kant op te gaan. Ik las Liar’s Poker meermalen en probeerde verschillende internships bij internationale banken te krijgen: de enige manier om als Europeaan een baan op Wall Street te krijgen is via een Europees kantoor van een Amerikaans bedrijf een transfer te krijgen.’
Het is de middag na het etentje bij de Italiaan, in de bar van het Dorchester Hotel. Over de vloer, de wand en het plafond loopt hetzelfde bordeauxrode tapijt, wat de bar een wat baarmoederlijk gevoel geeft. Obers in rokkostuum haasten zich om olijfjes en pinda’s op tafel te zetten. Taas komt net uit zijn werk en draagt een grijs pak, een gekreukt overhemd met witte kraag, geen stropdas, en gympies. Dit weekend is het Pinksteren, de banken zijn dicht, maar er wordt nog volop gewerkt in de bar. Blackberry’s zijn omnipresent en een paar Oost-Europees uitziende vrouwen proberen aandacht te krijgen van de mannen die met losgeknoopte das in hun eentje aan de bar zitten.
De Hedgefundkoning is er niet bij, maar wel Sander, Taas’ collega en huisgenoot, en Taas’ vriendin. Zij werpt het uiteindelijk naar voren: ‘Geef maar toe, je wilde investment banker worden toen je Wall Street had gezien.’
Het is zo’n groot cliché dat iedereen wat lacherig reageert. Oliver Stone’s film Wall Street (1987) was bedoeld als moralistische veroordeling van kapitalisme, maar en passant creëerde hij in de vorm van Gordon Gekko (Michael Douglas) een filmschurk die voor generaties economiestudenten heeft bepaald hoe de ‘Master of the Universe’ eruit hoort te zien: de ultieme beurshandelaar die over lijken gaat om zijn winsten te halen. Gekko’s ‘greed is good’-speech is het laatste jaar in talloze krantenartikelen aangehaald als dé formulering van wat er mis was/is met het gulzige vrijemarktdenken dat door zoveel bankiers is tentoongesteld: ‘The point is, ladies and gentlemen, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed clarifies, cuts through and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all its forms; greed for life, for money, for love, for knowledge has marked the upward surge of mankind.’
‘Die speech is geweldig’, zegt Taas. ‘Maar wat vooral opvalt is zijn stijl, dat constant willen vechten, willen winnen, zijn onuitputtelijke energie.’ (Bewust of onbewust zie je die energie terugkomen bij Taas. ‘Ik neem de New York-strip, BOEM!’ zegt hij als hij zijn eten bestelt, of: ‘Dit toetje is supergoor-lekker.’)
Maar wat is de toekomst van Gordon Gekko? Er wordt gewerkt aan een vervolg op Wall Street, zonder Stone, maar met Douglas. Money Never Sleeps gaat de film heten. Hoe zou het speelveld van Gekko eruitzien nu die tomeloze energie geen uitlaatklep heeft? In een krimpende economie valt er weinig te overwinnen.
Het is niet zo dat ze zich nu vervelen, maar de vrienden van Taas merken dat hij de laatste tijd toch steeds sneller zijn e-mails beantwoordt. ‘We maken nog steeds dezelfde uren, maar het werk is minder dwingend. Er zijn minder overnames, minder deadlines’, zegt Taas. Grofweg zijn er twee types op de bank, zegt Sander: ‘Allereerst de mensen die het voor het geld doen. Zij zijn degenen die de dag doorkomen met het idee dat er aan het einde van het jaar een grote smak geld op de rekening komt. De jaknikkers. Dit type is er van alle rangen en standen. Deze week hoorde ik de personal assistent van een managing director – het niveau dat een jaarsalaris van twee miljoen vangt – aan de financiële afdeling vragen of hij toch wel alsjeblieft airmiles op zijn vluchten kreeg. Het andere type zijn de mensen die het puur voor het werk doen. De spanning, de adrenaline. Voor die laatste groep is het niet zo erg als ze nu sneuvelen bij de bezuinigingsontslagronden, want de spanning is ver te zoeken. De eerste groep zit nu bang achter de computer.’ Zowel Taas als Sander vindt zichzelf tot die tweede categorie behoren.
Bovendien, die crisis kun je niet alleen aan de banken toeschrijven, zeggen de jongens. Kom op. Het heeft er ook mee te maken dat in de Verenigde Staten mensen die het minimumloon verdienden tonnen schulden op zich namen zonder zich ooit af te vragen of ze dat konden terugbetalen. Dus die bonussen komen vanzelf wel weer terug; misschien duurt dat nog een tijdje, maar de klanten van de banken weten dat ze een incentive moeten leveren tegenover de stress en de enorme aantallen uren die de jongens leveren. ‘Hoe dan ook wordt er door de hele City nu gesproken over op z’n minst hogere salarissen, om die wegvallende bonussen te compenseren’, zegt Taas. ‘Het moet wel leuk blijven.’
Taas’ vriendin knikt. Een paar jaar terug werkte zij ook voor Merrill Lynch, maar inmiddels is ze haar eigen schoenenbedrijf begonnen. Een van haar ontwerpen gaat de tafel rond; een rode damesschoen met sleehak, ingelegd met swarovski-kristalletjes. ‘Hoezo crisis, de vraag neemt alleen maar toe’, zegt ze trots.