Cuba na de Castro’s

Is er een Cuba na Raúl?

Het opstappen van Raúl Castro, na twaalf jaar aan de macht te zijn geweest, is een symbolische gebeurtenis van formaat in Cuba, maar de politieke reikwijdte ervan zal wel meevallen.

Medium hh 55516299
Cubaans leider Raul Castro ® in Havana in gesprek met zijn verwachte opvolger Miguel Diaz-Canel, 1 mei 2016. © Xinhua/Liu Bin) Xinhua News Agency

Weet u wie er op 1 januari 1959 premier van Nederland was? Het antwoord is Louis Beel, een naam die niemand nog iets zegt, want sindsdien heeft Nederland twaalf andere premiers gehad, inclusief Mark Rutte.

In Cuba ligt dat eenvoudiger. Daar weet elk schoolkind het antwoord op de vraag wie er op 1 januari 1959 aan de macht kwam: op die dag reden de gebroeders Fidel en Raúl Castro (samen met de Argentijnse arts Ernesto Che Guevara) zegevierend Havana binnen na een guerrillastrijd van een kleine drie jaar. De Cubaanse kinderen hebben ook geen drie handen nodig om ‘s lands leiders vanaf die dag tot aan vandaag te tellen. Twee vingers zijn genoeg: Fidel en Raúl Castro.

Een Cuba zonder een Castro aan de macht is bijna onvoorstelbaar. Alle Cubanen onder de zestig waren nog niet eens geboren toen de Castro’s de macht grepen. En de jongste van de twee zit er nog altijd.

Maar het ongelooflijke lijkt zich nu toch te gaan voltrekken. Op 19 april, deo volente, treedt Raúl af als president van Cuba en komt er na 59 jaar en 209 dagen een einde aan de heerschappij van de Castro’s.

Raúl kwam in 2006 als vice-president even ‘tijdelijk’ zijn zieke broer Fidel vervangen, maar is inmiddels al weer bijna twaalf jaar de baas. Formeel is hij president sinds 24 februari 2008. Bij zijn benoeming door de Staatsraad verklaarde hij zich zonder een spoor van ironie een tegenstander van ongelimiteerde ambtsperioden. Hij beloofde zelf het goede voorbeeld te geven en na maximaal twee termijnen van vijf jaar te zullen terugtreden.

De belofte werd met nogal wat cynisme ontvangen door de Cubanen, maar Raúl lijkt zijn woord te houden. Tijdens de laatste zitting van de huidige volksvergadering eind december bevestigde hij zijn voornemen: ‘Wanneer de nieuwe Nationale Assemblee aantreedt zal ik mijn tweede en laatste mandaat aan het hoofd van de staat en van de regering hebben voltooid, en zal Cuba een nieuwe president hebben.’ Castro, die in juni 87 jaar wordt, toonde ook gevoel voor humor bij die gelegenheid: ‘Ik ga niet een betovergrootvader zijn, want dan gaan de Cubanen zich vervelen met mij.’ Overgrootvader is genoeg.

De keuze van 19 april voor zijn afscheid is niet toevallig. ‘Revolutionaire’ regimes hechten grote symbolische waarde aan ‘historische’ dagen en dit is een bijzonder symbolische dag: de 57ste verjaardag van de overwinning van Playa Girón, waar het regime de invasie van een door de CIA geleid huurlingenleger in de Varkensbaai pareerde, ‘de eerste nederlaag van het Yankee-imperialisme in Latijns-Amerika’.

Het plan is dat Raúl nog wel tot 2021 eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba (PCC) blijft, dus helemaal weg is hij nog niet. Bovendien blijft hij de sterke man van het leger, dat de Cubaanse economie domineert. Castro heeft erop gezinspeeld dat hij na zijn aftreden uit Havana verhuist naar Santiago, helemaal aan de andere kant van Cuba, zijn geboortegrond, waar de as van zijn eind 2016 overleden broer Fidel is bijgezet. Met die verhuizing zou hij het dagelijkse contact met het politieke machtscentrum in Havana min of meer verbreken, en daarmee zijn opvolger wat bewegingsruimte geven. De bekende blogster Yoani Sánchez gelooft er niet zo in dat hij de macht werkelijk uit handen geeft: ‘Castro houdt de leiding over de Communistische Partij tot 2021, een post die krachtens de grondwet meer macht heeft dan de regering.’

Op 11 maart waren er op Cuba verkiezingen die eerder twee maanden waren uitgesteld vanwege de orkaan Irma in september die grote verwoestingen aanrichtte, met een geschatte schade van meer dan dertien miljard dollar. Verkiezingen communistische stijl uiteraard, met slechts kandidaten van één partij. Daarbij kozen de Cubanen de afgevaardigden in de provinciale assemblees en afgevaardigden in de Nationale Assemblee, zeg maar het parlement, het instituut dat op 19 april de nieuwe president aanwijst.

In theorie kan elke Cubaan de opvolger worden van Castro, stelt Alina Balseiro Guttiérrez, voorzitster van de Nationale Kiescommissie: ‘Iedere Cubaan die op het eiland woont en aan de wettelijke vereisten voldoet, kan president worden.’ In de praktijk heeft Raúl Castro natuurlijk zelf al de man aangewezen die hem opvolgt: zijn rechterhand en eerste vice-president Miguel Díaz-Canel.

Met de verwachte benoeming van Díaz-Canel komt een nieuwe generatie aan de macht, maar het ziet er niet naar uit dat deze verversing ook tot een politieke verversing gaat leiden.

Díaz-Canel wordt wel omschreven als de model-apparatsjik, die drie decennia lang keurig en gestaag is opgeklommen in de hiërarchie. Hij is de uitverkorene om de continuïteit van het socialistisch bewind te garanderen, de Revolutie te consolideren en tegelijk de door Raúl Castro in gang gezette economische hervormingen voort te zetten. Zijn baas zelf noemde hem een voorbeeldig volger van de Revolutie: ‘Hij is geen omhooggevallen of een onvoorbereid man’, maar al ‘dertig jaar loyaal en met solide ideologische vastberadenheid’.

Díaz-Canel kennen de Cubanen als de zwijgzame man op de achtergrond, met een doordringende blik en bepaald niet de vrolijkste in huis. Sommigen vinden dat hij met zijn grijze haardos wel iets weg heeft van Richard Gere. Hij is geen begenadigd spreker, maar dat is Raúl Castro evenmin. Bovendien hebben de Cubanen na een halve eeuw ellenlange redevoeringen van Fidel Castro hun buik vol van al te retorisch begaafde leiders.

Raúl koos hem in 2013 totaal onverwacht tot zijn tweede man en liet zich de afgelopen jaren steeds vaker door hem vertegenwoordigen in binnen- en buitenland. Díaz-Canal is een civil, zoals ze in Cuba zeggen, dat wil zeggen geen revolutionair die nog heeft meegevochten in de guerrilla. Maar die generatie is ook zo goed als uitgestorven. Hij houdt van fietsen, is een fanatiek fan van de Beatles (die in de beginjaren van de Revolutie als een decadent westers verschijnsel werden beschouwd) en heeft zich een modern uiterlijk aangemeten, compleet met spijkerbroek, wat nogal afsteekt tegen Raúl die óf in olijfgroen uniform óf in een duf donker pak verschijnt.

Het is moeilijk hoogte te krijgen van waar Díaz-Canel staat. Hij schijnt voorstander te zijn van een betere toegang van de Cubanen tot internet en een wat kritischer pers. Mocht dat waar zijn, dan is het al heel wat. Maar hij trekt tegelijk fel van leer tegen de oppositie. Vorig jaar zette hij een video op YouTube waarin hij de leiders van de Communistische Partij voorhoudt dat de transitie ook een gelegenheid is om de omvermurwbaarheid van het regime te tonen jegens de ‘contrarevolutionairen’, met name een aantal onafhankelijke nieuwssites op internet, enkele ambassades in Havana en natuurlijk de oppositie.

Vóór hem pleit, zeggen zijn verdedigers, dat hij ‘weet te luisteren’ naar de gewone man. Critici noemen hem een grijze muis, die er voortdurend voor zorgt vooral niet uit de pas te lopen, geen aanleiding tot discussie te geven en daarom zelden het achterste van zijn tong laat zien.

Er is in de loop der jaren een hele stoet kroonpretendenten gepasseerd, zeker toen Fidel nog de baas was. Maar doordat El Comandante zo lang weigerde de brui eraan te geven en pas opgaf toen hij letterlijk in elkaar zakte, hadden die telkens zoveel tijd dat ze in hun ongeduld onvermijdelijk fouten maakten en aan de zijlijn werden gedeponeerd. De laatste was vice-president Carlos Lage, een van Díaz-Canels voorgangers. Daarvoor was de gedoodverfde opvolger van Fidel geruime tijd Felipe Pérez-Roque, de piepjonge privé-secretaris van de leider van de Revolutie en later minister van Buitenlandse Zaken, die zich echter nog roomser dan paus Fidel voordeed en vanwege zijn bovenmatige ambities uiteindelijk werd afgeserveerd.

Díaz-Canel komt uit de provincie Villa Clara en was als elektrotechnisch ingenieur verbonden aan de universiteit. Hij maakte snel carrière binnen de Communistische Partij. In 1994 werd hij, 34 jaar oud, benoemd tot eerste secretaris van de partij in zijn provincie, midden in de grote crisis na de val van de Sovjet-Unie, die Cuba altijd op de been had gehouden. In 2003 trad hij toe tot het absolute machtscentrum toen hij lid werd van het slechts vijftien leden tellende Politburo van de partij.

Raúl Castro haalde Díaz-Canel in 2009 naar Havana, maakte hem minister van Hoger Onderwijs. In 2013 werd hij vice-president als opvolger van de 87-jarige José Ramón Machado Ventura, een van de overlevende comandantes van de guerrillastrijd.

De beoogde nieuwe Cubaanse president heeft altijd blind het beleid van de Castro’s verdedigd en benadrukt dat mocht hij inderdaad de uitverkorene zijn Cuba niet op de schop gaat. ‘Ik voorzie geen breuken in ons land. Ik denk dat er vóór alles continuïteit moet zijn’, zei hij een paar maanden geleden.

De oppositie is kritisch. ‘Hij heeft de juiste leeftijd maar geen enkele andere kwaliteit’, vonniste een Cubaanse journalist in ballingschap. Maar omdat niemand weet wat Díaz-Canel werkelijk denkt, is het niet waarschijnlijk maar evenmin uitgesloten dat de grijze muis plotseling tot leven komt en zich ontpopt als een ware hervormer. Tenslotte zagen weinigen in het geval van Gorbatsjov zijn drastische koerswijzigingen aankomen die uitmondden in het einde van de Sovjet-Unie.

Het Cubaanse leger heeft de afgelopen jaren steeds meer macht gekregen, Raúl was niet voor niets sinds de overwinning van de Revolutie minister van Defensie. Hij is nog altijd de hoogste generaal in rang, zonder de toevoeging b.d., en de opperbevelhebber, en het is de vraag of hij die functie ook overdraagt aan Díaz-Canel.

De nieuwe president moet om te beginnen de machtige oude garde van ‘historische generaals’ in bedwang houden, van wie er velen hoge posities bij de staatsbedrijven bekleden die de grootste economische macht in het land vormen. Op het eerste gezicht is hij niet de sterke man waaraan de strijdkrachten, en de rest van de Cubanen, gewend zijn.

Fidel en Raúl konden altijd terugvallen op hun status als helden die persoonlijk voor de Revolutie hadden gestreden. Ook al was dat voor de vele generaties na hen al lang louter retoriek geworden. Maar Díaz-Canel ontbeert deze uitweg. Foto’s van de Castro-broers tref je in alle uithoeken van het eiland. Van de nieuwe president niet, die is gewoon een bureaucraat.

Ter ondersteuning krijgt hij van Castro een lijstje mee met de politieke en economische doelen die vóór 2030 bereikt moeten zijn. Allemaal binnen het kader van het consolideren van het bewind en doorgaan met het ‘actualiseren’ van de volledig op de klippen gelopen economie.

Raúl Castro kondigde in 2010 hervormingen aan die de economie uit het slop moeten halen. Maar de veranderingen gaan tergend langzaam, zeker naar de zin van veel Cubanen. Het werken voor eigen rekening, dat wil zeggen de mogelijkheid om kleine privé-bedrijfjes te beginnen, is echter een ongekende verbetering. Vandaag de dag kun je overal in privé-restaurants goed eten. Cubanen mogen ook huizen kopen en verkopen, wat resulteert in restauratie van het alom zeer vervallen onroerend goed, en in het verlengde daarvan een enorme boom van Airbnb. Dat gaat zo goed dat Havana nu zelfs het probleem van Europese steden begint te kennen: de bewoners van opgeknapte panden en wijken worden steeds verder naar de buitenkant van de stad gedreven omdat de nieuwe eigenaren liever verhuren aan toeristen.

Een grote verandering in het straatbeeld van de hoofdstad is teweeggebracht door de wifi-hotspots die in de openlucht zijn ingericht. Daar verzamelen de Cubanen zich met hun laptops, tablets en telefoons om contact met de buitenwereld te maken. De apparaten worden al een paar jaar lang aangesleept door de aan de overkant in Florida neergestreken Cubanen. Maar het internet was schaars, zwak en peperduur, en de meeste Cubanen mogen nog steeds geen internet thuis hebben. De vijf wifi hotspots in Havana hebben een revolutie ontketend, al is het gebruik van dat woord heiligschennis. Straathandelaren proberen er prepaidcards van het staatstelefoonbedrijf met forse winst aan de man te brengen. Rond de verzameling internetters zijn spontaan eet- en drankstalletjes verrezen, het soort privé-handeltjes dat vijf jaar geleden nog verboden was.

Volgens de regering werken ongeveer 580.000 mensen voor eigen rekening. Ze erkent opvallend genoeg dat de staat nog altijd te weinig steun verleent om de nieuwe bedrijfjes tot een succes te maken. De bureaucratie blijft ongewenste hindernissen opwerpen voor Cubanen die voor eigen rekening aan de slag willen. Castro gaf onlangs op een bijeenkomst van het Centraal Comité toe dat er bij de planning en uitvoering van de economische hervormingen fouten zijn gemaakt. Volgens de partijkrant Granma was het doel van de vergadering te onderzoeken ‘wat er goed is gegaan, wat gerectificeerd moet worden en welke problemen de implementatie van de aangekondigde maatregelen in de weg staan’. Zelfkritiek van Castro, ja, maar niet overdreven natuurlijk: ‘Ondanks de fouten en onvolkomenheden erkend in dit plenum is de situatie gunstiger dan een paar jaar geleden.’

Marino Murillo, verantwoordelijk voor de economische hervormingen, stak eveneens de hand in eigen boezem: ‘De eerste drie jaar was er een hoog rendement in de implementatie van de hervormingsmaatregelen, maar vanaf 2011 is het tempo gedaald door de complexiteit van de maatregelen en door fouten in de planning en de controle’. Voornaamste oorzaak waren volgens hem financiële beperkingen ‘die de noodzakelijke steun onmogelijk maakten aan de maatregelen die investeringen vergen’. Geen geld dus, het bekende probleem van Cuba.

Wat ook niet helpt is dat er zo ongeveer elk jaar minstens één orkaan over het eiland raast. Die gaan vrijwel zonder uitzondering onder- of bovenlangs Cuba en nemen steevast een stuk van het eiland te grazen. Irma veroorzaakte vorig najaar overstromingen in het centrum van Havana dat toch al een gebombardeerd oorlogsgebied lijkt met al zijn half ingestorte gebouwen. Het opknappen gaat heel langzaam, nu er geld van toeristen binnenkomt, maar de beschikbaarheid van bouwmaterialen blijft een enorm probleem.

De hervormingen komen erop neer dat binnen het socialistische systeem de staat de controle houdt over de grote strategische sectoren terwijl er meer ruimte wordt gegeven aan het privé-initiatief en de dienstensector en de opening voor het buitenlands kapitaal.

Wat maar niet wil lukken is een van de financiële prioriteiten van het regime: het in elkaar laten opgaan van de twee munten. Op het eiland leven twee munteenheden naast elkaar. De Cubaanse peso is voor de gewone Cubaan en daarnaast bestaat de convertibele peso (CUC) die de rol van de dollar overnam nadat Fidel Castro de Amerikaanse munt tot een illegaal betaalmiddel had verklaard.

De twee munten hebben geleid tot een tweedeling in de maatschappij waarin officieel iedereen gelijk is. Wie contact heeft met familie in het buitenland of zaken doet met toeristen is een stuk beter af dan wie moet zien rond te komen van een peso-inkomen.

En dan is er nog de boze buurman. Volgens Raj Desai, onderzoeker van de Georgetown Universiteit in Washington, ‘kan een enkele stap van de Verenigde Staten een grotere impact hebben op de richting van de hervormingen in Cuba dan het opheffen van de restricties op reizen, handel en financiën’.

Maar Donald Trump heeft juist de deur die Obama met zijn historische bezoek aan Havana drie jaar geleden opende razendsnel weer dichtgeslagen. Alle afgesproken uitwisselingen en samenwerkingsverbanden zijn weer stopgezet. Trump tekende een decreet betreffende Cuba dat het beleid van Obama annuleerde en een terugkeer naar de meest agressieve jaren van het embargo betekent.

De Amerikaanse ambassade in Havana, door Obama heropend, is zo goed als leeg nadat Washington vrijwel alle diplomaten heeft teruggetrokken vanwege de mysterieuze ‘akoestische aanvallen’, die zelfs door Republikeinse senatoren als een fabeltje worden afgedaan. Audiospecialisten die door The New York Times werden geraadpleegd, zeiden dat dergelijke ‘aanvallen’ meer met fictie uit een James Bond te maken hebben dan met de realiteit.

De affaire heeft een hoog Koude-Oorloggehalte. Onderdeel van de represailles van Washington was het uitwijzen van vijftien Cubaanse diplomaten. Ook zijn de oude hindernissen voor de Amerikanen om als toerist Cuba te bezoeken weer aangescherpt.

Misschien dat druk vanuit het Amerikaanse bedrijfsleven het Congres ertoe kan verleiden het embargo op te heffen. Internationale hotelconcerns als Kempinski en Iberostar kopen achter elkaar verwaarloosde maar schitterende panden op, om die te restaureren en er een nieuwe vestiging in onder te brengen. Maar Amerikaanse ketens als Hilton en Marriott staan buiten spel, die mogen nog steeds geen handel drijven in Cuba. Als de zaak daar echt open gaat is er voor de Amerikanen geen plaats meer. Misschien moet Castro de Amerikaanse president het openen van een Trump Tower in Havana voorspiegelen.

In ieder geval heeft Raúl Castro niet gekozen voor de Kim-variant van de erfopvolging. Zijn zoon Alejandro Castro Espín is een legerkolonel die geen Cubaan op straat zou herkennen, evenmin als zijn broer die vice-president van de Academie van Wetenschappen is. Castro’s dochter Mariela is wel een nationale bekendheid, als directeur van het Nationaal Centrum voor Seksuele Opvoeding en voorvechtster van de rechten van de LGBT-gemeenschap in Cuba, maar zij heeft altijd gezegd niet geïnteresseerd te zijn in de politiek.

Fidel Castro op zijn beurt heeft er altijd zorg voor gedragen zijn kinderen verre van de macht te houden. Zijn oudste zoon, Fidel Castro Díaz-Balart, pleegde begin dit jaar zelfmoord, gevangen in een zware depressie. De 68-jarige kernfysicus was secretaris van de Commissie voor Atoomenergie van 1983 tot 1992, toen zijn vader hem ontsloeg omdat hij te lui zou zijn. Twee andere zoons zijn ingenieurs, een derde is cameraman bij de staatstelevisie en fotograaf, en de vierde is arts van de Cubaanse honkbalpoeg.

Het opstappen van Raúl Castro is een symbolische gebeurtenis van formaat in Cuba, maar de politieke reikwijdte ervan zal wel meevallen. Het maakt hoogstwaarschijnlijk niet zo veel uit wie formeel president is, tot het moment dat Raúl sterft. Zo blijft hij als partijvoorzitter het leger en de staatsveiligheidsdienst controleren.

Dezelfde verhalen kwamen in omloop nadat Fidel door ziekte in 2006 de zaak had overgedragen aan Raúl. Is er een Cuba na Fidel? was de vraag. Niet zolang hij nog niet dood is, luidde het populairste antwoord. Nu is de vraag: is er een Cuba na Raúl? En het antwoord: ‘Niet voor Raúl dood is.’ Oftewel de biologische oplossing als enige mogelijkheid tot werkelijke hervormingen. In het geval Fidel was het niet zo moeilijk, zijn ziekte verhinderde dat hij zich al te veel bleef bemoeien met beleid. Raúl daarentegen schijnt nog goed gezond. Maar ja, hij is 86, dus dat kan van de ene op de andere dag veranderen. Een rol op de achtergrond ligt hem wel, uiteindelijk heeft hij meer dan veertig jaar in de schaduw gestaan van zijn grote broer die wél graag de schijnwerpers zocht.