Conservatisme Burkeanen versus revanchisten

Is er in Amerika nog conservatisme?

Volgens Sam Tanenhaus, schrijver van The Death of Conservatism, is het klassieke, burkeaanse conservatisme in de Verenigde Staten dood. Wat resteert is geen echt conservatisme, maar ‘radicaal revanchisme’. Verder in deze mini-special: gesprekken met ’s lands bekendste conservatief J.L. Heldring en CDA’er Hans Hillen. Plus: de internationale denktank van Geert Wilders.

HET IS EEN NOGAL paradoxaal dilemma waarmee Sam Tanenhaus de lezer in zijn boek The Death of Conservatism opzadelt. Dit zijn conservatieve tijden in de Verenigde Staten, schrijft hij. Zo conservatief dat homo’s het recht opeisen om een traditioneel gezin te stichten. Zo conservatief dat de Republikeinse senator Arlen Specter naar de Democraten kon overstappen zonder ook maar een enkel standpunt te veranderen. En toch beweert Tanenhaus dat conservatisme in de VS zo goed als dood is – gedegenereerd tot wat hol geschreeuw aan de zijlijn, zonder enig contact met de meerderheid van de bevolking, namens wie het tot voor kort nog sprak.
Ter illustratie van deze paradox werd Amerika afgelopen zomer op een naoorlogs novum getrakteerd: straatprotesten van rechts, georganiseerd door conservatieve groeperingen en gepromoot door de rechtse kabelzender Fox News. Was de straat voorheen het terrein van links, nu klonken daar de leuzen van conservatieven – tegen een grotere rol van de overheid in de gezondheidszorg, tegen belastingverhogingen, tegen socialisme, tegen Barack Obama. En in het Congres hebben Republikeinen en een handjevol Democraten uit traditioneel conservatieve staten genoeg invloed om een stevige stem te hebben in de hervorming van de gezondheidszorg. Voeg daarbij dat de kijk- en luistercijfers van Fox News en de uiterst rechtse talkradio-host Rush Limbaugh nog altijd uitstekend zijn, en je vraagt je af: wat bedoelt die Tanenhaus met zijn ‘dood van het conservatisme’?

DIE VRAAG WORDT hem continu voorgelegd, zegt Tanenhaus vanaf de redactie van The New York Times, waar hij chef is van het boekenkatern en de populaire weekendbijlage Week in Review: ‘Conservatisme is helemaal niet dood, zegt men dan, want er is veel verzet en protest van conservatieven tegen Obama’s beleid. Maar ik beschouw dat verzet en protest niet als conservatisme: het is een radicale, anti-overheid-houding. Als constructieve kracht in het serieuze politieke leven speelt conservatisme geen rol meer. Het is niet slechts ontspoord, het is dood.’
Tanenhaus onderscheidt twee soorten conservatisme, en dit is meteen het belangrijkste argument in zijn boek: ‘Het ene is historisch en traditioneel, of klassiek, het andere is revanchistisch. De revanchistische vorm van conservatisme, ook wel movement-conservatism genoemd, lijkt als enige overgebleven.’
Met revanchisme bedoelt Tanenhaus een politiek die erop gericht is om terug te krijgen wat verloren is gegaan: ‘Ik gebruik de term metaforisch voor het soort politiek dat iemand als Sarah Palin personifieert. Of demonstranten die dingen zeggen als: “We moeten de cultuur terugpakken”, of: “Dit is niet het Amerika waarin ik ben opgegroeid”. Dergelijke sentimenten leiden tot een beschuldigende politiek in plaats van tot een onderhandeling over verschillende inzichten, terwijl historisch juist daar de wortels van het Anglo-Amerikaanse conservatisme liggen.’
Tanenhaus’ grootste bezwaar tegen movement-conservatism is dat het zich niet inzet voor behoud van de bestaande orde: ‘Het voert een culturele oorlog waarbij alleen de eindoverwinning telt, en het is niet geïnteresseerd in serieus debat. Klassieke conservatieven, in lijn met grote denkers als Edmund Burke en Benjamin Disraeli, verkiezen daarentegen geleidelijke verandering boven revolutie.’
De Britse staatslieden Burke en Disraeli zijn voor Tanenhaus de helden van het conservatieve gedachtegoed. Burke wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van het moderne conservatisme en is vooral vermaard vanwege zijn kritiek op de Franse Revolutie, die hij afkeurde juist vanwege haar revolutionaire karakter. Burke verwierp elke vorm van ideologie en propageerde een politiek van verandering door voort te bouwen op de bestaande orde (‘de burkeaanse correctie’).
Disraeli concludeerde in de negentiende eeuw dat hij als politicus verplicht was de wensen van het volk in te willigen, zelfs als deze niet strookten met zijn eigen overtuigingen. Tijdens de Industriële Revolutie ontpopte hij zich als een innovatieve hervormer – deels om zijn Conservative Party levensvatbaar te houden in een dynamisch tijdsgewricht, maar ook omdat hij vond dat conservatisme behoefte had aan een activistische overheid die over de belangen en behoeften van de hele bevolking waakte.
Een dergelijk klassiek conservatisme past volgens Tanenhaus beter in de Amerikaanse traditie van consensuspolitiek: ‘Zelfs een president als Reagan, die sterke banden had met movement-conservatism, bouwde voort op het beleid van zijn Democratische voorganger, vooral op het gebied van buitenlandpolitiek. Er heeft altijd continuïteit in de Amerikaanse politiek gezeten omdat consensus steeds de leidraad was. Daarom hebben we maar twee partijen, die vaak veel op elkaar lijken. Dit veranderde echter met de opkomst van die dogmatische ideologie, movement-conservatism. In mijn boek leg ik uit waarom dat gebeurde, wanneer dat gebeurde en hoe dit het Amerikaanse conservatisme ging domineren.’

EEN JOURNALIST van The New York Times, een krant die in de Verenigde Staten als links wordt gepercipieerd, lijkt in deze zwaar gepolariseerde tijden niet de voor de hand liggende autoriteit om conservatisme in Amerika dood te verklaren. Maar Tanenhaus heeft uitstekende geloofsbrieven. Zo schreef hij een voor de National Book Award genomineerde biografie over Whittaker
Chambers (1901-1961), een voormalige communist die zou uitgroeien tot een vooraanstaande conservatieve denker, en werkt hij aan de geautoriseerde biografie van William F. Buckley Jr. (1925-2008), de invloedrijkste figuur in het Amerikaanse moderne conservatisme.
The Death of Conservatism – dat om verwarring te voorkomen wellicht beter The Death of Classical, Burkean Conservatism had kunnen heten – is een overbrugging tussen beide langjarige projecten. Het vrij dunne boek is een uitwerking van het spraakmakende essay Conservatism is Dead, dat Tanenhaus in maart van dit jaar voor opinieblad The New Republic schreef, in die euforische maanden vlak na de historische inauguratie van Amerika’s eerste zwarte president.
Desondanks leest The Death of Conservatism in het geheel niet als een vluggertje dat in de euforie van het moment de waan van de dag tot waarheid verklaart. Integendeel, het leest als een klassieker. Dat komt deels door Tanenhaus’ uiterst bruikbare schema ‘revanchist-burkeaan’, dat in één klap het verwarrende veelvoud aan termen als sociaal-conservatief, economisch-conservatief, neoconservatief, theoconservatief en gematigd conservatief aan de kant schuift.
Maar het komt ook door de compassie en brutaliteit waarmee Tanenhaus zijn onderwerp tegemoet treedt. Aan de ene kant is hij een oprecht bewonderaar van de rol die het conservatisme in het verleden in het Amerikaanse politieke leven heeft gespeeld, een rol die hij terugverlangt, aan de andere kant heeft hij een gloeiende hekel aan het destructivisme van het huidige movement-conservatism. Zo schrijft hij vol afschuw: ‘De conservatieven van tegenwoordig lijken op de versteende figuren uit Pompeï (…), gegrepen door de rigor mortis van een disfunctionele ideologie.’

TANENHAUS BEGINT zijn narratief begin jaren dertig, midden in de Great Depression, als president Franklin D. Roosevelt (FDR) net gekozen is en zich aan de uitrol van de New Deal zet. ‘Dat heb ik gedaan omdat die periode hetzelfde moet hebben aangevoeld als nu: een nieuw begin’, zegt Tanenhaus. ‘Maar je zou voor de opkomst van movement-conservatism ook kunnen teruggaan naar het begin van de twintigste eeuw, naar de jaren van Teddy Roosevelt, de Republikeinse president die volgens sommigen binnen zijn partij te progressief was.’
Hoe dan ook, tijdens de New Deal-jaren moesten de conservatieven toezien hoe FDR en de Democraten in rap tempo de rol van de overheid uitbreidden. Nieuwe instanties werden in het leven geroepen, die zich onder meer gingen bezighouden met – in de ogen van conservatieven – onzalige taken als beurstoezicht, het vaststellen van landbouwquota’s en het verstrekken van landbouwsubsidies en werkloosheidsuitkeringen.
In eerste instantie had de Republikeinse Partij alleen extreem oppositionisme als antwoord op de hervormingen – vergelijkbaar met nu. Ook toen werd de regering ‘socialistisch’ en zelfs ‘fascistisch’ genoemd, dat laatste vanwege de centrale sturing door de ‘autoritaire’ Roosevelt-regering. Maar al gauw realiseerde de partij zich dat louter verzet haar niet verder hielp.
Bovendien werkte het ‘rooseveltism’, schrijft Tanenhaus: Amerika kwam uit de Tweede Wereldoorlog als ’s werelds dominante supermacht en de bevolking accepteerde in grote lijnen de maatschappij zoals die door de New Deal-politiek was hervormd. Er zat voor de Republikeinen niets anders op dan deze nieuwe orde te accepteren (conform Disraeli) en door middel van onderhandeling en debat de ingezette, progressieve koers in te dammen (de burkeaanse correctie). En om voor het eerst sinds 1932 de presidentsverkiezingen weer eens te winnen, realiseerde de partij zich dat het een gematigde kandidaat moest nomineren. Dat gebeurde in 1952 ook, in de vorm van Dwight Eisenhower, die prompt won en twee termijnen zou aanblijven.
De nominatie van Eisenhower markeerde ook de opkomst van movement-conservatism, of, in Tanenhaus’ termen, het revanchistische conservatisme. Dit was de radicale tak van de partij die de kandidatuur van senator Robert Taft had gesteund, die campagne had gevoerd voor totale terugdraaiing van de New Deal en herinvoering van het laissez faire-republicanisme uit de jaren twintig. Op de senaatsvloer werd deze tak het luidst vertegenwoordigd door Joe McCarthy, vooral bekend vanwege zijn jacht op communisten. In intellectuele kringen ontpopte William H. Buckley, die zichzelf omschreef als ‘radicaal conservatief’, zich als vaandeldrager. Buckley richtte in 1955 het tijdschrift National Review op, het eerste serieuze politieke periodiek van de nieuwe beweging.

TEGEN HET EINDE van de jaren zestig veranderde het politieke klimaat in de VS. In de ogen van een breed publiek had de linkse elite haar hand overspeeld: Vietnam en de gewelddadige rassenrellen in Detroit en Los Angeles ondermijnden de autoriteit van de Democratische Partij en haar moderne versie van de New Deal, Lyndon Johnsons ‘Great Society’.
Om de morrende kiezers in het centrum aan zich te binden, zagen de Republikeinen zich gedwongen te erkennen dat deze kiezers een actieve rol van de overheid niet alleen accepteerden, maar ook wenselijk achtten. Het was Richard Nixon die deze kiezers uiteindelijk in 1968 over de streep trok, door ze aan te spreken als ‘de stille meerderheid’.
Deze puur pragmatische (en in die zin ook ‘burkeaanse’) koerswijziging verhevigde het debat dat al woedde binnen het Amerikaanse conservatisme en leidde tot zijn intellectuele bloeiperiode, die Tanenhaus plaatst tussen 1965 en 1975. Het waren de jaren van publicaties als The Public Interest met zijn niet-partijgebonden politieke analyses, Commentary met essays van onder anderen Jeane Kirkpatrick en Daniel Patrick Moynihan, en natuurlijk Buckley’s National Review, dat werk van conservatieve houwdegens als James Burnham en Jeffrey Hart naast dat van liberalen als Gary Wills en Joan Didion publiceerde.
Telkens wonnen de revanchisten de ‘aanhoudende herhaling van hetzelfde debat’, zoals Tanenhaus de interne strijd noemt. Dit gebeurde volgens hem voornamelijk doordat de intellectuele zwaargewichten van het naoorlogse conservatisme vaak oud-marxisten waren – James Burnham, Whittaker Chambers, Irving Kristol – die weliswaar van hun geloof waren gevallen, maar die hun revolutionaire temperament hadden behouden. In plaats van de marxistische dialectiek kwam een politiek van goed en slecht, die overigens in 2009 nog springlevend is. Bijvoorbeeld: belastingverlagingen zijn altijd goed, ongeacht de economische omstandigheden.
Zo verruilden de conservatieven langzaam maar zeker hun burkeaanse principes voor een rigide absolutisme, dat zich uitte in een politiek die zich voor een belangrijk deel tegen de overheid richtte. Ronald Reagan verwoordde het in deze termen: ‘De overheid is niet de oplossing voor onze problemen; de overheid is het probleem.’
De moeilijkheid van een dergelijk uitgangspunt is dat politieke macht alleen via de overheid kan worden uitgeoefend. Vandaar ook dat revanchisten volgens Tanenhaus het best georganiseerd lijken als ze in de oppositie zijn, terwijl ze zich eenmaal aan de macht als politieke schavuiten gedragen. Als voorbeelden daarvan noemt Tanenhaus onder anderen Richard Nixon (Watergate), Ronald Reagan (Iran-Contra), Newt Gingrich (afzetprocedure tegen Bill Clinton) en George W. Bush (schending van de Conventie van Genève).

TANENHAUS LAAT in The Death of Conservatism zijn ‘revanchist-burkeaan’-schema ook los op de beoordeling van naoorlogse presidenten. Hiermee gaat hij soms voorbij aan het feit dat presidenten eerst en vooral met de politieke realiteit te maken hebben. Zo zou Reagan volgens Tanenhaus burkeaanse trekjes hebben vertoond omdat hij de welvaartsstaat zo goed als intact liet en op een zeker moment zelfs de belastingen verhoogde. Het is echter zeer de vraag of Reagan de welvaartsstaat ook ongemoeid had gelaten als hij geen Democratische parlementsmeerderheid tegenover zich had gehad.
Onder George W. Bush blies het klassieke, burkeaanse conservatisme zijn laatste adem uit, stelt Tanenhaus. Bush, gesteund door een coalitie van christelijk rechts en neoconservatieven, kreeg na 9/11 van de Republikeinse Partij carte blanche om zijn revanchistische agenda uit te voeren. Wat volgde had volgens Tanenhaus niets meer met conservatisme te maken. Hij noemt de belastingverlagingen voor rijke Amerikanen, het loslaten van de fiscale discipline en Bush’ poging om de algemene pensioenvoorziening (‘Social Security’) te privatiseren – wat dankzij Democratische oppositie en verzet van ouderen mislukte.
De definitieve nekslag voor het conservatisme was de inval in Irak, schrijft Tanenhaus: ‘Zoals Bush onverschillig was tegenover de noden van de civiele maatschappij in eigen land, zo vroeg hij zich nauwelijks af hoe moeilijk het zou zijn om een democratie te creëren in een vergelegen land met een geheel andere geschiedenis. Wie zich binnen de regering daarover uitsprak, werd gemarginaliseerd of verwijderd.’
Hoe dogmatisch en absoluut de Republikeinse Partij inmiddels was geworden, bleek tijdens de aanloop naar de laatste verkiezingen, toen John McCain zich gedwongen zag zijn gematigde standpunten aan de partijdoctrine aan te passen en als running mate de revanchist Sarah Palin koos. Gevolg is ook dat er voor conservatieve intellectuelen als David Brooks, Francis Fukuyama en Fareed Zakaria geen plaats meer is. ‘De partij lijkt niet meer in ze geïnteresseerd’, zegt Tanenhaus. ‘Ze zullen proberen de partijdynamiek te veranderen of eindigen als Democraten of Independents.’
Ondertussen noemt volgens een peiling van Washington Post/ABC News nog maar twintig procent van de Amerikanen zichzelf Republikein. Het bureau Public Policy Polling ziet een wellicht nog groter gevaar voor de partij: 35 procent van de partijkern vindt dat de partij te links is. Geen ideaal klimaat om de in electoraal opzicht vereiste beweging naar het centrum te maken.
Ook Tanenhaus voorziet problemen voor de partij: ‘Ze spelen geen rol van betekenis en hebben geen indrukwekkende leiders. Ze laten het formuleren van oplossingen voor de grote hedendaagse kwesties over aan de Democraten. Dat zal ze marginaliseren voor minstens een generatie.’
De dood van het conservatisme is overigens geen ontwikkeling waarin Tanenhaus zich verheugt: ‘We hebben conservatieven nodig omdat zij in staat zijn om op een beredeneerde, gedetailleerde en logische wijze de vraag te stellen: waar zal het beleid van de huidige regering ons naartoe voeren? Niet of dit beleid kwaadaardig of socialistisch is, maar of het ten koste gaat van onze vrijheid en wat het gaat kosten.’
Desalniettemin eindigt Tanenhaus The Death of Conservatism met een hoopvolle noot voor de nabije toekomst. Hij ziet in president Obama een figuur die in de Amerikaanse traditie van klassiek, burkeaans conservatisme past: ‘Obama’s plan om vijftig miljoen Amerikanen een ziektekostenverzekering te bezorgen is puur Disraeli. En Obama’s buitenlandpolitiek, gebaseerd op diplomatie en multilateralisme, is de krachtigste afwijzing van het imperiale presidentschap dat we in moderne tijden hebben gezien. Dit zijn stuk voor stuk acties van een leider die, hoewel in politiek opzicht liberaal, het temperament heeft van een conservatief, en die vertrouwt op de houdbaarheid, en vernieuwbaarheid, van Amerikaanse instituties.’

Sam Tanenhaus: The Death of Conservatism, Random House, 144 blz., $ 17.00