Moeizame reorganisatie van Afghaans leger

Is er leven na de rotsspleet?

Onder druk van de Verenigde Naties reorganiseert Afghanistan zijn strijdkrachten. Een moeizame exercitie. De ene nationale held wordt afgescheept met een zak rijst, de andere heeft een buigende bediende.

KABOEL — Afgelopen weken zagen de bewoners van Kaboel iets voorbijkomen dat ze nog nooit hadden gezien. Een lange stoet van voormalige verzetsstrijders, moedjahedien, trok op naar het presidentieel paleis van Hamid Karzai. De mannen, gekleed in bij elkaar geraapte uniformen, demonstreerden tegen de onheuse bejegening van hun collega’s in het ministerie van Defensie. «Karzai, waar blijf je nou met je hervormingen!» scandeerden ze. En: «Geef ons een baan, hondenkapper!»

De demonstranten refereerden aan een onlangs begonnen hervorming van het Afghaanse ministerie van Defensie, waarbij veel van hun commandanten hun baan hadden verloren. Het ministerie was en is in handen van de voormalige strijdkrachten van verzetsleider Ahmad Shah Masoed en bestaat voornamelijk uit Tadzjieken en Oezbeken. De topposities worden ingenomen door commandanten uit Masoeds Panjshervallei.

Onder druk van de Verenigde Naties moest de minister van Defensie zijn staf in overeenstemming brengen met de etnische samenstelling van Afghanistan. Dat het kantoor van de speciale afgezant van de VN maandenlang op deze hervormingen aandrong, heeft alles te maken met grootschalige plannen voor de toekomst van de Afghaanse strijdkrachten. In feite bestaan er nu twee legers. Terwijl in Kaboel de eerste achtduizend soldaten voor het nieuwe Afghaanse Nationale Leger ANA worden getraind, vormen de strijdkrachten van de Noordelijke Alliantie een probleem. Wat te doen met de moedjahedien die tegen de sovjets en de Taliban hebben gevochten?

Dat is een zeer belangrijke vraag in het huidige Afghanistan. Volgens de VN lopen er tenminste honderdduizend voormalige strijders rond. Het Afghaanse ministerie van Defensie spreekt van zeshonderdduizend moedjahedien, mannen en jongens die sinds 1979 kortere of langere tijd tegen de Russen en tegen de Taliban hebben gevochten. Veel Afghanen hebben een verleden als moedjahed, maar lang niet iedereen is tot de huidige dag strijder-in-voltijd gebleven.

Degenen die de stap naar de burgermaatschappij niet hebben kunnen zetten, moeten worden geholpen. Maar hoe? Deze kwestie kwam bijna twee jaar geleden tijdens de besprekingen in Bonn aan de orde. In de akkoorden waarin de toekomst van Afghanistan tot juni 2004 werd vastgelegd, kwam een tekst terecht waarin de demobilisatie van de moedjahedien werd aangekondigd, onder uitgebreide dankzegging voor de offers die zij en hun gevallen kameraden hadden gebracht. De noordelijke stad Koendoez gaat dit nu in de praktijk meemaken.

De VN dokterden een grootscheeps demobilisatieprogramma uit, afgekort DDR: demobilisation, disarmament en reintegration. DDR kon niet worden uitgevoerd zonder hulp van het ministerie van Defensie, dat daartoe evenwichtiger moest worden samengesteld. De numerieke overmacht van de Tadzjieken was zelfs onderwerp van gesprek in de Veiligheidsraad, tijdens het maandelijkse debat over de stand van zaken in Afghanistan. Het ministerie zwichtte. Twee belangrijke voormalige moedjahedien uit Panjsher werden gepromoveerd tot ambassadeurs in Canada en Tadzjikistan. De stoelendans die volgde, gaf plek aan een aantal Pathanen.

Tijd voor de volgende fase. Stralend van trots kondigden de belangrijkste financiers het nieuws aan: op 24 oktober zullen de eerste voormalige soldaten van de Noordelijke Alliantie hun wapens inleveren. In Koendoez moet het eerste van drie proefprojecten van start gaan. Duizend militairen uit de troepenmacht van commandant Daoed krijgen een oproep zich te melden bij de mobiele demobilisatie-eenheden. Ze tonen hun wapens en krijgen een registratie. Eén eigen wapen mogen de soldaten houden, maar mortieren en granaatwerpers moeten worden ingeleverd. Vervolgens lopen de militairen een laatste keer mee in een militaire parade, na afloop waarvan ze een medaille met een oorkonde ontvangen als dank voor hun rol in de verdediging en uiteindelijke bevrijding van hun vaderland.

Met het einde van de parade is hun militaire loopbaan afgerond. De soldaten kunnen naar huis en krijgen een voedselpakket mee dat door het Wereldvoedselprogramma wordt aangeboden en bestaat uit rijst, tarwe en blikken bakolie. Een paar dagen later komen de dan ex-soldaten terug, voor een gesprek met hun sociaal werker. Die biedt hulp aan met het vinden van een nieuwe baan, een cursus in iets praktisch als lassen of timmeren, of zaaigoed voor de boerderij.

Japan is de belangrijkste financier van dit plan. Voor de eerste fase van DDR stelde de Japanse regering meer dan vijf miljoen dollar beschikbaar. De VN regelen de bureaucratische afwerking en het ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de ingezamelde wapens.

De strijdkrachten van de Noordelijke Alliantie menen echter dat het tijd wordt dat zij iets meer terugkrijgen voor hun opofferingsgezindheid dan een medaille en een zak rijst. Zij willen werk en vooral respect. Demonstrant Esmeray is zo’n oud-moedjahed, afkomstig uit de Shamali-vlakte ten noorden van Kaboel, en soldaat in het leger van de militaire commandant Ga’da, een van de adjudanten van wijlen Ahmad Shah Masoed. Esmeray vecht sinds hij tien jaar oud is. Hij is inmiddels 28, kan lezen noch schrijven en heeft vier kinderen te onderhouden van een soldij van zo’n honderd dollar per maand, als die tenminste wordt uitbetaald. Esmeray woonde met zijn gezin een jaar gratis in een kraakpand in een chique wijk van Kaboel, maar sinds de officiële eigenaar uit het buitenland is teruggekomen en het huis heeft opgeëist, schuilt de familie bij verwanten elders in de stad. Esmeray is een van de honderdduizenden die compensatie zoekt voor twintig verloren jaren waarin hij zijn leven in de waagschaal legde, niet heeft kunnen doorleren en geen eigen leven heeft kunnen opbouwen. Teruggaan naar zijn dorp is geen optie: «Ons huis bestaat niet meer, de Taliban hebben het vernietigd. Waar zou ik het geld vandaan moeten halen om het opnieuw te bouwen? En waar moeten mijn kinderen dan naar school?»

Hij is kwaad. Dat hij en zijn kameraden niet langer als nationale helden worden gezien, maar als achterlijke boeren steekt hem. Dat zijn commandant, die de slag om Kaboel uitvocht, nu als warlord met de nek wordt aangekeken door de nieuwe elite in Kaboel is een voortdurende vernedering.

Als hij geluk heeft, komt Esmeray in de loop van 2004 in aanmerking voor de officiële DDR, wanneer de demobilisatiekaravaan volgens plan Kaboel bereikt. Tot die tijd hangt hij een beetje rond in de kazerne van zijn commandant en drukt hij op de begroting van het ministerie van Defensie. Vechten tegen de uit Pakistan terugkerende Taliban in het zuidoosten van Afghanistan mag hij niet. Die strijd valt onder de verantwoordelijkheid van het nieuw opgerichte Afghaan se Nationale Leger. En voor oud-moedjahedstrijders is in het nieuwe leger geen plaats. VN-woordvoerder Sultan Aziz trekt zijn neus op wanneer hij zegt: «Wij willen dat het nieuwe Afghaanse leger schoon is, zonder de erfenis van de Noordelijke Alliantie en hun soldaten uit Panjsher.»

Er spelen ook andere factoren een rol. De ontwapening gaat uiteindelijk niet over Esmeray en zijn honderdduizenden oud- collega’s. Het DDR-programma is in feite een strategische manoeuvre om de grote leiders achter de strijders hun macht te ontnemen. Zij zijn nu nog onaantastbaar.

Haji Hazrat Ali Shah laat zich uit principe nooit interviewen. De militaire commandant van Jalalabad en de oostelijke provincies Nagahar en Kunar heeft wel iets beters te doen. Het kost een dag van geduldig wachten alvorens hij tien minuten wil vrijmaken voor een audiëntie. Op de binnenplaats parkeren Afghaanse en Amerikaanse militaire adviseurs hun dure terreinwagens. De ontvangstruimte van zijn hoofdkwartier, aan de hoofdweg van Jalalabad, is ingericht volgens de normen van de Zuid-Aziatische nouveau riche, vol zachte sofa’s, dikke tapijten en de ijskastsensaties van een op hol geslagen airconditioning. Een vergelijking met de half ingerichte kamers in het voormalige paleis van Nicolai Ceausescu dringt zich op. Binnen hangt een zware geur van overrijpe mango’s en bananen. Het fruit ligt hoog opgetast op een tafel in het midden van de kamer, waar een buigende bediende geruisloos met fruitbordjes en mesjes in de weer is. Brokaten gordijnen weren het zonlicht. Nergens is een portret van Hamid Karzai te zien. Wel hangen de muren vol foto’s van de gastheer samen met Ahmad Shah Masoed.

Als voormalig commandant van de moedjahedien van Jalalabad en trouw kameraad van Masoed sliep de veertiger Haji Hazrat Ali Shah jarenlang op een lemen vloer of in een rotsspleet. Twee jaar na de snelle overname van Kaboel door het verzameld verzet tegen de Taliban hoeft dat niet meer, en kan hij zich als officiële vertegenwoordiger van het ministerie van Defensie in de regio met de ontwikkeling van zijn zakelijke imperium bezighouden. Er circuleren vele vooralsnog onbewijsbare geruchten over zijn in hotels in Dubai geïnvesteerde rijkdommen. Wie Jalalabad zegt, denkt opium. Rapporten van de Afghaanse Onafhankelijke Mensenrechten Commissie en Human Rights Watch zetten deze zelfbenoemde sjah neer als een schurk die alle collega-commandanten in de schaduw stelt; een brute, ongeletterde despoot die zijn psychopathische schoonzoon alle ruimte geeft te roven en verkrachten, en tegenstanders van zijn bewind te martelen in een van Hazrat Ali’s privé-gevangenissen.

Hij maakt een vermoeide, uitgebluste indruk. Een beter opgeleid en politiek getalenteerder man zou op de vraag hoe en wanneer DDR in zijn gebied begint het juiste antwoord weten te geven en vertellen hoe belangrijk het is dat de internationale gemeenschap zijn strijdkrachten helpt een nieuw leven te beginnen. En hoezeer zijn gebied gebaat zou zijn bij investeringen in infrastructuur, wegen, gezondheidszorg en onderwijs. Maar Hazrat Ali wuift alle vragen over de toekomst van hemzelf en zijn getrouwen weg; DDR zal hem en zijn mannen een zorg zijn. De VN zullen wel wijzer zijn dan met sociaal werkers en woordvoerders naar Jalalabad te komen. Zolang de talloze internationale vertegenwoordigers geen militaire macht hebben om de ontwapening desnoods met geweld af te dwingen, hoeven de Hazrat Ali’s van Afghanistan zich geen zorgen te maken. «Neem maar mee wat je hebben wilt», wappert hij bij het afscheid met een losse polsbeweging naar de tafel, «er is genoeg.»