Is er leven na de waarheid?

Leven we in de tijd van de ‘post-waarheid’? Was het maar waar! Het grote gelijkhebben domineert, met populisten en trollen die leugens als ultieme waarheden verspreiden. Terwijl twijfel nodig is, en een streven naar common ground.

© Angel Boligan / Cagle Cartoons

In zijn beroemde essay Wat is Verlichting?, uit 1784, riep Immanuel Kant de mensheid op zich te bevrijden van het gedachteloos accepteren van het gezag van de traditie en de bevoogding door anderen, door gebruik te maken van de kritische rede: Sapere aude! (Mens, durf te denken!). De waarheid spreken ook al ging dat in tegen gevestigde dogma’s en heersende machten was vooral een kwestie van denkkracht en moed.

De huidige post-truth-cultuur heeft Kants Verlichtingsmotto spectaculair op zijn kop gezet. De moed om de waarheid te zeggen is het favoriete stijlkenmerk geworden van een anti-intellectuele en populistische tijdgeest. Rechts-radicale politici repeteren de slogan: ‘Wij zeggen wat u denkt, maar niet durft te zeggen’. Mut zur Wahrheit is een bekende postertekst van Alternative für Deutschland.

In deze binnenstebuiten gekeerde versie van de ‘moed van de rede’ degenereert waarheidsspreken tot een simpel durven: je uitspreken zonder nadenken, als een rauwe expressie van frustratie of woede. Waar is wat je voelt, want ‘gevoelens liegen niet’. Terwijl het Verlichtingsdenken alle vormen van autoritarisme en dogmatisme wilde ondermijnen, beleven we nu de triomfantelijke terugkeer van de pure stelligheid, van manieren van denken en spreken die zich onttrekken aan alle toetsing en kritiek.

Het zogenaamde ‘tijdperk van de post-waarheid’? Was het maar waar! Het is ironie van de bovenste plank dat we opnieuw worden geconfronteerd met allerlei Waarheden met een hoofdletter W. Want we zien meteen ook dat die waarheden niet veel meer zijn dan brutale machtswoorden, vormen van agressie, die anderen moeten overdonderen en intimideren. Het is hier niet de waarheid die zichzelf ‘uitstraalt’ of de feiten die ‘voor zich spreken’, het is de uitstraling van de brutale aap die de feiten naar zijn pijpen laat dansen. Zijn onderdanen knikken, niet omdat ze hem gelijk geven, maar omdat ze wijken en buigen voor de realiteit van de macht.

In de democratie neemt waarheid een centrale plek in, wellicht nog fundamenteler dan idealen als vrijheid, gelijkheid en solidariteit, aldus de Amerikaanse historica Sophia Rosenfeld in Democracy and Truth: A Short History (2019). Maar dan wel opgevat als de uitkomst van debatten tussen verschillende perspectieven, waarvan de opbrengst altijd voorlopig is en altijd open staat voor correctie: ‘We kunnen nooit zeker weten dat we het bij het rechte eind hebben, en dat is prima’, luidt haar slotzin. Het is dan ook bizar dat de nieuwe ‘waarzeggers’ poseren als erfgenamen van de kantiaanse vrijmoedigheid, terwijl ze alleen maar twijfelen aan wat hun niet aanstaat. Het zijn vijanden van het democratisch scepticisme, van alle vormen van intellectuele feilbaarheid en bescheidenheid.

Zo viert het Huftermanifest van GeenStijl de hufter als een moedige taboedoorbreker en vernieuwer die schijt heeft aan alle burgerlijke ‘fatsoensrukkers’, want ‘Verhuftering is ontdekken, aantonen en constant de fundamenten van je wereld in twijfel trekken… Verhuftering is zelf denken’ (Kant draait zich nog eens om in zijn graf).

Op dezelfde manier prijst alt right-goeroe Milo Yiannopoulos de internettrol als een moderne held en verdedigt hij het treiteren van ‘deugvolk’ als noodzakelijk in de strijd tegen hypocrisie en corruptie. Als iedereen liegt – politici, media en wetenschappers – dan zijn ‘trollen en waarheidsspreken’ voor elkaar gemaakt, als de twee gezichten van de moderne rebellie. Zolang de feiten aanstootgevend blijven, komt er geen einde aan het tijdperk van de trol.

Dezelfde hufterstijl kennen we van populisten als Donald Trump en van de shitlords van 4chan, 8chan, Breitbart, Fox News, TruthFeed en Infowars, met hun samenzweringstheorieën, provocaties, omineuze vragen, beledigende humor, ambiguë hondenfluitjes en flirterige ontkenningen (zoals die van Thierry Baudet over de racistische ondertoon van de term ‘boreaal’). Zij volgen stuk voor stuk de hoofdregel van alle propaganda zoals die door Adolf Hitler in Mein Kampf werd geformuleerd: ‘Wees radicaal, verkondig je visie als de absolute waarheid.’

Nu zijn degenen die de waarheid in pacht menen te hebben in de geschiedenis altijd in de overgrote meerderheid geweest: sceptici en twijfelaars als Erasmus, Montaigne en Nietzsche tellen we op de vingers van één hand. Maar geleidelijk zijn wij gematigde democraten dit absolutisme lelijk, onbeschaafd en gevaarlijk gaan vinden. De terugkeer van het grote gelijkhebben komt daarom onverwacht hard aan – ook omdat het een aantal nieuwe kenmerken laat zien.

Voor die laatste kunnen we ons licht opsteken bij de Amerikaanse politicologen Russell Muirhead en Nancy Rosenblum en hun recente boek A Lot of People Are Saying. The New Conspiracism and the Assault on Democracy. ‘Complotdenken’ is volgens hen een te groot woord voor de gedachteloze oprispingen en vileine verdachtmakingen waar de term meestal naar verwijst. Anders dan bij ‘klassieke’ samenzweringstheorieën (zoals die rond de moord op Kennedy of rond ‘9/11’) is het nieuwe complotdenken niet geïnteresseerd in theorieën, argumentatie, feiten of verklaringen. De pure bewering volstaat (‘Hoax!’, ‘Rigged!’, ‘Fake news!’,‘Witch hunt!’), die vervolgens wordt ‘waargemaakt’ door de maximale herhaling en bevestiging ervan via media als Twitter, Facebook, YouTube en Google. Geloofwaardigheid wordt bepaald door het aantal likes en retweets, die maken dat de bewering in veler ogen ‘best wel waar’ (true enough) kan zijn.

De populisten en shitlords volgen de hoofdregel van alle propaganda zoals Hitler in Mein Kampf formuleerde: ‘Wees radicaal, verkondig je visie als de absolute waarheid’

De overtuiging dat duistere, ongeziene krachten de wereld regeren wordt normaliter gekoesterd in de marges van de samenleving. Maar nu, schrijven Muirhead en Rosenblum, zit zij in het hart van het politieke systeem, in het Witte Huis. Donald Trump begon zijn politieke loopbaan met de birtherism-leugen dat Barack Obama buiten de VS geboren was, die zelfs niet werd ontkracht toen Obama zijn Amerikaanse geboortecertificaat publiceerde. Daarna passeerde de ene na de andere bizarre complottheorie, zoals Pizzagate (Hillary Clinton die zogenaamd een seksnetwerk voor minderjarigen runde vanuit de kelder van een pizzeria in Washington) of de bewering dat de ouders van slachtoffertjes van de schietpartij op de basisschool Sandy Hook in Newton, Connecticut, in 2012 eigenlijk ‘crisis-acteurs’ waren die door linkse media tegen de nra-wapenlobby werden ingezet.

Zoals in het geval van birtherism blijft het bij een idiote, onbewezen bewering, die door onafgebroken herhaling lang blijft hangen. Ook bij de klimaatontkenners gaat het niet zozeer om een alternatieve theorie of het vinden van tegenbewijzen, maar om het complot zelf als totaalvisie op de wereld. De beschuldiging van nepnieuws is niet uit op correctie van het nieuws of van de feiten. ‘Fake!’ is de enige reactie, waarbij de tegenpartij meteen wordt beschuldigd van duistere manipulatie en het fabriceren van ficties. Doel en effect zijn zuiver destructief: het delegitimeren van alle tegenspraak en oppositie, van de vrije pers, van onafhankelijke gerechtshoven, van de wetenschap en van experts in het algemeen, die stuk voor stuk worden afgeschilderd als ‘vijanden van het volk’.

© Angel Boligan / Cagle Cartoons

‘Fake news’ gaat dus over onwelkome feiten: dingen die je niet wilt zien en horen omdat zij weerstand bieden, grenzen stellen aan je vrijheid van handelen. Volgens Muirhead en Rosenblum gaat de huidige ‘aanval op de realiteit’ een stapje verder dan de ‘partijdige’ polarisatie waaraan we helaas al gewend zijn, vooral in de VS en het Verenigd Koninkrijk. Deze ‘epistemische’ polarisatie reikt dieper, omdat zij raakt aan wat het precies betekent om iets wél of niet te weten. Er is sprake van een verdere erosie van de grond waarop we staan, van gedeelde criteria van waarheid en onwaarheid, van wijzen van argumenteren en dus van het vertrouwen dat we stellen in anderen. Kennis heeft een fiduciaire basis, en als je mensen niet langer vertrouwt heb je ook geen fiducie in hun feiten. Als tegenstanders haatfiguren worden in plaats van dragers van andere opvattingen, gaat zelfs de democratische norm van agreeing to disagree verloren.

De waarheid is dus politiek geworden, politieker dan ooit. Voor velen is dit een rampzalige ontwikkeling, die graag wordt toegeschreven aan het trickle down-effect van de postmoderne cultuur- en wetenschapskritiek, die rechts-radicale denkers zich enthousiast zouden hebben toegeëigend. Maar een veel belangrijker aanjager van politieke polarisatie zijn de moderne massamedia, vanaf de doorbraak van de partijdige talk radio en nieuwszenders als Fox News vanaf de jaren negentig in de VS tot en met de wereldwijde explosie van sociale media als Facebook, YouTube en Twitter vanaf 2005. Complotten onthullen, zondebokken aanwijzen, liegen en bangmaken zijn al decennia lang een lucratief verdienmodel voor nieuwe ‘samenzweringsondernemers’, die op hun beurt allerlei opportunistische politici op hun wenken bedienen.

Daarbij komt de politieke agressie van autoritaire staten als Rusland, die grootschalige desinformatiecampagnes voeren, georkestreerd door trollenfabrieken die op industriële schaal leugens, nepnieuws en haat verspreiden. In zijn nieuwe boek This is Not Propaganda – in de vertaling: Dit is geen propaganda – beschrijft Peter Pomerantsev hoe prettig ogende jonge werknemers van het Internet Research Agency in Sint-Petersburg zonder bovenmatig schuldgevoel (maar goed betaald) dag in, dag uit hun slachtoffers besmeuren, beledigen en vernederen (kosjmarit – nachtmerriën – is het informele Russische werkwoord).

Nadat een infiltrant hun activiteiten had onthuld, schreven de trollen: ‘Er bestaan geen trollenfabrieken. Dat zijn verzinsels van journalisten die daar goed voor worden betaald’. Voor wereldwijd opererende media als Russia Today is objectiviteit niet meer dan een ‘westerse mythe’. Pomerantsev noemt Rusland daarom de ‘eerste postmoderne dictatuur’: de pionier van de ruige mix van autoritarisme, populisme en entertainment die nu overal ter wereld successen viert, niet in de laatste plaats in de VS, de oude tegenstander in de Koude Oorlog.

De centrale, door de Russen uitgevonden propagandatechniek is die van de firehosing, leggen Christopher Paul en Miriam Matthews uit in een mooi overzichtsartikel uit 2016. Via zoveel mogelijk kanalen (waaronder duizenden fake accounts) wordt een spervuur van leugens en halve waarheden de wereld ingestuurd, zonder enige consistentie of respect voor objectiviteit. Omdat het veel minder tijd kost om feiten te verzinnen dan ze te verifiëren, zijn de trollen er vaak het eerst bij met hun (nep)nieuws, en eerste impressies blijven lang hangen. Het doel van deze firehose of falsehood is niet om anderen te overtuigen, maar om ze uit te putten met een overload aan wilde beweringen die nooit allemaal kunnen worden weerlegd (denk aan de straal van Russische leugens rondom het neerstorten van de mh17).

Het reflex bij dergelijke epistemologische provocaties is nog steeds om terug te grijpen op klassieke Verlichtingsideeën over waarheid, objectiviteit en feitelijkheid. Factcheckers willen de feiten het liefst in hun oude luister herstellen: die van objectieve gegevens die je niet straffeloos kunt negeren. Tijdens de wereldwijde March for Science in 2017 tegen de klimaatsceptische uitspraken van Trump droegen deelnemers slogans mee als ‘Science Reveals Reality!’, ‘Facts Don’t Lie’ en ‘Scientific Facts Are Not Alternative Facts’. ‘Tell the Truth’ stond er op de roze zeilboot die Extinction Rebellion in april van dit jaar midden op het Londense Oxford Circus neerzette.

Dapper of naïef, of misschien allebei? Het is misschien een riskante gedachte, maar stel je eens voor dat we inderdaad gevolg zouden geven aan Nietzsche’s radicale intuïtie dat er ‘geen feiten bestaan, maar alleen interpretaties’? Dat we zouden erkennen dat de klassieke noties van waarheid, objectiviteit en feitelijkheid definitief zijn onderuitgehaald door de verzamelde inzichten van de postmoderne filosofie, de constructivistische sociologie en het sociale wetenschapsonderzoek? Stel dat de waarheid inderdaad ‘niet meer is’ dan een kwestie van perspectief, is dan de conclusie onvermijdelijk dat iedereen zijn eigen waarheid kan fabriceren?

‘Denk niet dat je de brandspuit van de leugen kunt bestrijden met het waterpistooltje van de waarheid’

John Stuart Mill wist al in 1859 dat ‘very few facts are able to tell their own story, without comments to bring out their meaning’. Het was een ‘piece of idle sentimentality’, vond hij, ‘om te geloven dat de waarheid, louter omdat zij de waarheid is, een innerlijke kracht bezit om de kerker en de brandstapel te weerstaan, die de dwaling niet heeft’. De feiten spreken inderdaad nooit voor zich, zij hebben altijd woordvoerders nodig die tevens belanghebbenden zijn (‘de feiten zijn rechts’, zegt de rechtse liberaal Frits Bolkestein; ‘de feiten zijn hysterisch’, zegt klimaatalarmist David Wallace-Wells). Maar de rede of de feiten dwingen niet; het zijn mensen die andere mensen dwingen. ‘Harde’ gegevens worden altijd gegeven (beter: opgedrongen) door degenen die er meteen een hard verhaal bij leveren. Dat betekent dat waarheid en macht, wetenschap en politiek, feiten en waarden veel nauwer met elkaar zijn verweven dan gedacht.

Uit deze postmoderne ‘onttovering van de rede’ kun je twee tegengestelde conclusies trekken. De eerste, ‘Russisch-trumpiaanse’ of autoritaire, is dat jouw werkelijkheid de enige is die er toe doet (‘mijn meningen zijn feiten’). De tweede, democratisch-pluralistische conclusie is dat we op vele manieren naar de werkelijkheid kunnen kijken, en dus zoveel mogelijk interpretaties moeten verzamelen en met elkaar in verbinding moeten brengen. Zien en kennen zijn onvermijdelijk perspectivisch, schreef Friedrich Nietzsche in Zur Genealogie der Moral (1887), ‘en hoe meer affecten we over een zaak aan het woord laten, hoe meer ogen, verschillende ogen, we voor dezelfde zaak weten te gebruiken, des te vollediger zal ons “begrip” van deze zaak, onze “objectiviteit” zijn’. Het zijn claims die als zodanig kunnen worden aangevochten (dat geldt natuurlijk ook voor deze claim).

Ook de traditionele superioriteitsclaim van de wetenschap, die de hoogste vorm van kennis zou belichamen, moet er dan aan geloven. Wetenschappelijke kennis is zowel inwendig als uitwendig pluriform en blijft een van vele manieren om de wereld te begrijpen. Zij moet zich dus bewijzen, niet door te vertrouwen op haar rationele geldingskracht, maar door zich politiek te engageren en zo haar eigen uitstraling een handje te helpen. Dat is wat de activisten van Extinction Rebellion en de spijbelaars van Fridays For Future doen (maar soms niet wat ze zeggen). Ze hoeven er niet mee te zitten dat de klimaatwetenschap de ‘mening’ is van 97 procent van de klimaatwetenschappers. Wat is harder dan dat?

De postmoderne waarheidskritiek is dus relevanter en noodzakelijker dan ooit. De uitdaging is immers vele malen groter dan die van het arrogante sciëntisme en het technocratische expertendom waar de volgelingen van Foucault en Rorty in de vorige eeuw tegen te hoop liepen. De waarheid is nog veel controversiëler geworden dan vele brave constructivisten indertijd konden vermoeden.

De huidige vijand, die van het populistisch (en jihadistisch!) absolutisme, is zowel monsterachtiger als archaïscher. Het is dezelfde vijand die Karl Popper voor zich zag in zijn oorlogsboek The Open Society and Its Enemies (1945). Popper was geen constructivist, en hield vast aan een variant van de rationalistische waarheidstheorie. Maar we weten nu dat die te zwak is, en dat de vijand een politieker antwoord verdient. ‘Denk niet dat je de brandspuit van de leugen kunt bestrijden met het waterpistooltje van de waarheid’, waarschuwen ook Paul en Matthews. We moeten onze feiten dus beter bewapenen, want ze spreken niet voor zich. In plaats van ons te laten dragen door de waarheid, moeten we feller opkomen voor onze waarden: eerlijkheid, pluralisme, generositeit, bereidheid tot zelfkritiek.

Wat betekent waarheidsstreven in een maatschappij die er niet langer van uit kan gaan dat haar leden dezelfde werkelijkheid delen? Als we niet willen dat een dictator ons zijn particuliere waarheid door de strot duwt, is er maar één weg: dat we een (altijd voorlopige) common ground proberen te vinden door met elkaar in debat te gaan over de waarde van verschillende perspectieven. ‘De werkelijkheid’ is dan niet meer (maar zeker ook niet minder!) dan datgene waarover we het eens kunnen worden. Feiten zijn niet zozeer leveranciers van onwrikbare zekerheden, maar bouwstenen van een gedeelde wereld van wederzijds vertrouwen. Truth en trust schelen niet voor niets maar één letter.

Als we de waarheid niet in pacht hebben, moeten we haar met anderen gaan zoeken, zonder de illusie haar ook te kunnen vinden. ‘Respect voor de feiten’ is niet zozeer respect voor de uitkomst van bepaalde onderzoeksregels als wel respect voor andersdenkenden, voor ongemakkelijke zaken, voor onwelkome tegenwerpingen. Dat is geen kennistheoretische, maar eerder een ethisch-politieke opdracht. In plaats van klassieke scheidingen te reactiveren tussen feiten en waarden, wetenschap en politiek of waarheid en macht, kunnen we beter een moreel getint onderscheid maken tussen absolutisten en gematigden: tussen degenen die altijd gelijk menen te hebben en zij die inzien dat de waarheid onvermijdelijk partieel en perspectivisch is.

Hoe kunnen we die cultuur van matiging bevorderen en absolutisme tegengaan? Prioriteit heeft het bestrijden van de extreme sociaal-economische ongelijkheid, waardoor winnaars en verliezers daadwerkelijk in verschillende werelden komen te leven en gevangen raken in ‘het tribalisme van de waarheid’.

Daarnaast moet een harde strijd worden gevoerd tegen de invloed van het grote geld en de goedbetaalde cultuur van hufterigheid zowel in de politiek als in de media. Extremisme is tegenwoordig big business. Dat vergt veel meer controle op online content en een politieke normering van sociale mediagiganten als Facebook en YouTube. De stem van de gematigden moet veel duidelijker klinken tegenover het ‘absolutisme van de vrije meningsuiting’ waar deze bedrijven zich op beroepen.

Terwijl de autoritaire waarheid verdeeldheid en wantrouwen zaait, gaat democratie over de wil om een gedeelde werkelijkheid te construeren. Hoe meer ogen, stemmen, affecten en belangen worden gericht op een object of probleem, des te beter en betrouwbaarder ons begrip ervan zal zijn. Dat vergt een intensivering van de scheiding en balancering van de machten (en dus van de werkelijkheidsperspectieven) in de democratische rechtsstaat. Die checks and balances breken niet alleen het enkelvoud van de macht, maar ook dat van de waarheid. Zij verankeren het perspectivisme in de politieke democratie, die daarmee tot een zichzelf matigend en corrigerend systeem wordt.

Maar dat systeem kan niet functioneren zonder burgers die een ethiek van matiging (van inwendige checks and balances) omarmen. Alleen dan kan de democratie haar belofte vervullen om de best mogelijke publieke organisatie te zijn, niet van de waarheid, maar van de onzekerheid.