Dichters en psychiatrie

Is er nog een Achterberg?

Tekeningen en schilderijen van psychiatrische patiënten zijn al lange tijd artistiek erkend. Maar hoe zit het met het proza en de poëzie? Is Achterberg de enige dichtende patiënt of heeft hij collega’s en lotgenoten?

In 1922 verscheen een boek dat nog steeds tot de verbeelding spreekt: Prinzhorns Bildnerei der Geisteskranken. Het was niet het eerste over dit onderwerp. Vanaf het begin van de negentiende eeuw hadden verschillende psychiaters aandacht gevraagd voor wat ze «psychopathologische expressie» noemden. Prinzhorn was de eerste kunsthistoricus die dat deed. Hij was ook de eerste die over een uitvoerige collectie beschikte bestaande uit zo’n vijfduizend tekeningen, beelden en schilderijen van 450 patiënten uit verschillende landen, waaronder Nederland. Tien van hen riep hij uit tot «schizofrene meester». Het grootste deel van het boek bestaat uit een beschouwing over hun leven en werk aan de hand van talloze illustraties.

Het waren vermoedelijk in de eerste plaats die illustraties die het boek snel beroemd maakten. In een tijd dat inrichtingen nog gesloten bolwerken waren, waar je niet gemakkelijk in kwam – en nog minder gemakkelijk uit – kreeg men nu de mogelijkheid op ruime schaal kennis te nemen van wat er binnen die muren werd gemaakt. Vooral avant-gardekunstenaars toonden belangstelling. We weten van verschillende van hen dat ze door het boek gefascineerd werden en de illustraties als voorbeeld gebruikten.

In Nederland maakte de Bildnerei indruk op het groepje surrealisten waarvan Moesman de beroemdste is geworden. Ze waren lid van het Utrechtse genootschap Kunstliefde en vroegen zich af of er ook in hun eigen stad patiënten waren met artistieke aanleg. Ze informeerden bij het Willem Arntszhuis in de Agnietenstraat, een van de oudste inrichtingen van ons land. En ja, er bleek daar een man te wonen die met sprietpenseeltjes en Ripolin-fietslak oerwouden schilderde en broeierige, theatrale taferelen. Hij heette Terpstra.

Toen de Utrechtenaren in 1932 in Parijs exposeerden, deed hij mee. Dat was geen nouveauté: vanaf de jaren twintig werden er regelmatig tentoonstellingen georganiseerd waarop men werk van psychiatrische patiënten kon zien. Het werd op den duur beschouwd als een apart genre dat ook buiten de medische wereld, op zuiver artistieke gronden, erkenning verdiende. De lijnen waarlangs dat proces verliep vormen een dankbaar studieobject voor sociologen, omdat ze inzicht geven in de vraag hoe werk dat buiten het officiële circuit ontstaat toch kunst kan worden.

Dat in ieder geval een deel van de vroegere psychopathologica van status is veranderd, blijkt uit het feit dat er nu, ruim een eeuw later, een wereld omheen ontstaan is van personen en instellingen zoals we die uit de gangbare beeldende kunst kennen, met inbegrip van galeries en musea, critici en academische onderzoekers. In die wereld nemen de «meesters» uit het verleden een speciale plaats in. Ook wat dat betreft is alles vertrouwd. In Nederland ontbreekt zo’n «meester», want van het werk van Terpstra is niets bewaard gebleven. We beschikken wel over wat kunsthistorici en veilinghouders een «moderne meester» noemen in de persoon van Willem van Genk, wiens eerste tentoonstelling (in 1964) werd geopend door W.F. Hermans, die zijn tekeningen «huiveringwekkend mooi» noemde, maar daaraan toevoegde dat ze «menigeen (zullen) herinneren aan iets dat zij liever vergeten».

Mager resultaat

Hoe vanzelfsprekend het verband is geworden tussen kunst en gekte merkt men bij een bezoek aan het «museum van de psychiatrie» Het Dolhuys in Haarlem. In een van de zalen ziet men een aantal poppen, saai-grijs gekleed en zonder hoofd. Een begeleidende tekst vertelt wie ze voorstellen. Er blijken verschillende bekenden onder te zijn, zoals Vincent van Gogh, Anton Heyboer en P.C. Kuiper, de hoogleraar psychiatrie die zelf een tijdlang patiënt was. De laatste twee hebben een kunstwerk in hun hand. Ik neem aan dat men ook graag Van Gogh iets van zichzelf had laten zien, maar dat werd natuurlijk te begrotelijk.

Er is verder een pop met een koptelefoon. Wie hem opzet hoort muziek, waarvan het tekstbord vermeldt dat ze is gecomponeerd door een Belgische patiënt, Jean-Pierre Plisnier. Is er ook een pop met een pen? Nee. Er is er weliswaar een die de schrijver Edgar Cairo voorstelt, maar die houdt in plaats van een roman een schilderij vast. De enige keer dat we merken dat er in klinieken ook wordt geschreven, gaat het om een patiënt die wiskundeleraar was en eenmaal opgenomen zowel berekeningen maakte als korte gedichten.

Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Vergeleken met de grote aandacht die het beeldend werk van psychiatrische patiënten heeft gekregen, is die voor hun proza en poëzie niet anders dan bescheiden te noemen.Met als gevolg dat de status van die teksten niet kan tippen aan die van de tekeningen, schilderijen of beeldhouwwerken.

Toch zijn ze vaak afkomstig van dezelfde personen. Dat geldt niet alleen voor de «schizofrene meesters» van Prinzhorn, maar ook bijvoorbeeld voor de patiënten die worden beschreven in het proefschrift van A.J.W. Kaas, Een vergelijkend onderzoek naar de beeldende kunst van gezonden en geesteszieken, gepubliceerd in 1942 (!). Liefhebbers van Elsschot kennen Kaas als de vriend aan wie De leeuwentemmer is opgedragen. Hij had ook zelf literaire aspiraties en publiceerde na de oorlog twee korte novellen. In deel II van zijn proefschrift bespreekt hij «het graphische en litteraire werk» van vijftien patiënten. Van vijf van hen wordt gezegd dat ze zowel tekenen als schrijven, waarbij het in het laatste geval zowel gaat om toelichtingen op het tekenwerk als om brieven, gedichten, verhalen en romans – waaronder maar liefst twee romans in vijftien delen. Het grootste deel van die productie stelt Kaas teleur. Slechts in één geval zou er sprake zijn van «een zekere litteraire begaafdheid».

Na Kaas lijken het in Nederland vooral schrijvers te zijn geweest die zich voor het onderwerp interesseerden. Een pionier op dit gebied was Paul Rodenko. Hij noemde de Europese cultuur «voor een deel een schepping van geesteszieken» en stelde dat waanzin en zelfmoord tot het beeld van «de moderne dichter» behoorden. Vanuit die gedachte vroeg hij in 1946 bij de redactie van Columbus aandacht voor het werk van psychiatrische patiënten en probeerde hij vijf jaar later een tijdschrift op te richten dat gewijd moest zijn aan literatuur en psychologie en waarin duidelijk gemaakt moest worden dat de pathologie belangrijke menselijke en culturele waarden vertegenwoordigt.

Later toonden onder anderen J. Bernlef, Stefan Hertmans, Atte Jongstra, Kreek Daey Ouwens en Jacq Vogelaar belangstelling. Maar ze vonden nauwelijks gehoor bij andere soorten deelnemers aan het literaire bedrijf zoals critici, uitgevers of onderzoekers. Zo is er tot op dit moment maar één patiënt wiens werk bij een erkende uitgever is verschenen: Bert Weijde, beter bekend als «Frans» in zowel De harde kern van Frida Vogels als Het Bureau van J.J. Voskuil. G.A. van Oorschot gaf van hem Onder het ijs (1994) uit, bestaande uit een «Psychiatrisch dagboek» en een verzameling «Dromen en monologen».

Andere patiënten komen meestal niet verder dan publicaties in tijdschriften die door henzelf of door hun instelling worden uitgegeven. Een enkeling haalt een literair of cultureel tijdschrift. Dat geldt voor Antoon Pollmann, die dankzij Atte Jongstra een paar keer aan Optima bijdroeg. Van hem bestaat ook een kleine bundel – Ik ben verheven in mijn taak (1991) – verschenen ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag en verzorgd door De Hafakker, een instelling voor zwakzinnigen.

Vergeleken met het succes van iemand als Van Genk – die verschillende tentoonstellingen had, een «Grand Prix» in Bratislava won en wiens werk werd aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Musée d’Art Moderne in Parijs – is dit een mager resultaat.

Het valt verder op dat het materiaal waaruit Bernlef c.s. citeren zo schaars is. Het grootste deel ervan komt uit het buitenland. Maar daar lijkt de situatie niet veel anders, want ook in Duitsland of Frankrijk komen we steeds dezelfde namen tegen, bijna altijd van schrijvers van voor de oorlog. De grote uitzondering is Ernst Herbeck, een patiënt van de Oostenrijkse psychiater Navratil, die op het laatst zoveel artistieke patiënten had dat de instelling waar hij werkte voor hen een speciaal paviljoen inrichtte, dat «Haus der Künstler» werd genoemd. Het merendeel van de bewoners tekende of schilderde, sommige schreven ook, een enkeling was bijna uitsluitend als dichter actief.

Herbeck debuteerde in 1966 onder het door Navratil bedachte pseudoniem Alexander, maar gebruikte later zijn eigen naam. Auteurs als Elfriede Jelinek, Gerhard Roth en W.G. Sebald toonden zich enthousiast en Herbeck groeide uit tot een beroemdheid, over wie academische studies verschenen waarin zijn poëzie met dezelfde ernst en acribie wordt behandeld als die van Hölderlin. Ook in Nederland heeft hij een zekere faam, maar dan vooral dankzij de roman März van Heinar Kipphardt die op zijn persoon en zijn werk is geïnspireerd.

Lyriek uit de kliniek

Wie iets aan de geschetste situatie wil veranderen, moet het voorbeeld van de Utrechtse surrealisten volgen en op onderzoek uitgaan. Dat heeft Menno Wigman begrepen, getuige een boek dat rond de jaarwisseling uitkomt. Wigman wordt altijd vanwege zijn vertalingen van Baudelaire met de negentiende eeuw in verband gebracht. Maar hij vertaalde ook Benn, Van Hoddis en Lasker-Schüler, wat hem in de buurt brengt van Prinzhorn, die in de Bildnerei expliciet naar het expressionisme verwijst en bevriend was met Erich Nolde.

Uit Wigmans nieuwe boek blijkt dat hij Prinzhorn ook kent en al jarenlang om literaire en andere redenen in psychopathologie geïnteresseerd is. Dat laatste was een van de redenen om op het verzoek in te gaan drie maanden «writer in residence» te worden op de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Dat is een inrichting die in 1911 werd opgericht als dependance van het pand in de Agnietenstraat met de speciale bedoeling de patiënten in de gelegenheid te stellen op het land te werken. Wigmans boek, Het gesticht, is het verslag van die tijd, doorgebracht in een verlaten paviljoen aan de rand van een «weldadig, maar voor stedelingen wat luguber bos».

Een belangrijk deel van zijn tijd besteedt Menno Wigman aan het zoeken naar schrijvende bewoners van de Hoeve. Tot die bewoners behoorde vroeger – in 1933 om precies te zijn – Gerrit Achterberg. Hij was opgenomen in het paviljoen voor «onrustige lijders derde klasse» en verbleef een week in de isoleer, waar zijn voedsel, zonder mes en vork, werd aangereikt op een stuk papier. Wigman is niet zo naïef om te denken dat hij gemakkelijk een andere Achterberg kan vinden, maar hij doet zijn uiterst best om onder de patiënten – die tot zijn verbazing in het moderne taalgebruik «cliënten» heten – talent te ontdekken. Hij zoekt in archieven, neemt jaargangen door van tijdschriften als de Gekkenkrant en het Bulletin van de Cliëntenbond en probeert met allerlei mensen in contact te komen.

Net als Kaas is hij meestal teleurgesteld over het peil van wat hij aantreft. Het is vaak vlak en banaal: «pijn» rijmt op «zijn», «pillen» op «willen». Aan het eind van zijn verblijf noteert hij: «Is het ziek om juist naar gedichten van zieke mensen te willen kijken? Ik weet het niet. In ieder geval schrok ik van de hooggestemde verwachtingen die ik had en de welbeschouwd toch vrij alledaagse poëzie die ik onder ogen kreeg.» Maar hij laat daar direct een «En toch, en toch» op volgen. Want hij had ondanks alles «genoeg aardige gedichten gevonden om een bescheiden bloemlezing met ‹lyriek uit de kliniek› samen te stellen. En nu ik de smaak te pakken heb, zou ik best eens beter op zoek willen gaan, benieuwd naar wat ik in, ik noem maar wat, de Valeriuskliniek zou vinden.»

Laten we hopen dat hij dat inderdaad doet, zelfs al levert dat geen nieuwe Achterberg op. * Nico Laan is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA