Is er nog hoop voor de sociaal-democratie?

Jos Perry e.a., Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland, 1894-1994. Uitgeverij Bert Bakker/Wiardi Beckman Stichting, 365 blz., f49,90
IN 1981, GEDURENDE de hoogtijdagen van het thatcherisme en de reaganomics, publiceerde de liberale socioloog Ralph Dahrendorf de brochure After Social Democracy. Hierin schreef hij dat de sociaal-democratie in de voorafgaande eeuw de dominante politieke factor in de westerse wereld was geweest. Het initiatief tot politieke en sociale vernieuwing was steeds van haar uitgegaan, en daarmee had de sociaal-democratie als geen andere stroming haar stempel op de afgelopen eeuw gedrukt.

Tegelijkertijd haastte Dahrendorf zich echter deze ‘sociaal-democratische eeuw’ voor beeindigd te verklaren. Voor de problemen van deze tijd waren de sociaal-democratische antwoorden ontoereikend. De sociaal-democratie was in het defensief gedrongen en had daarmee eigenlijk haar bestaansreden verloren.
Aangezien de oprichting van de SDAP op 26 augustus 1894 altijd wordt beschouwd als het geboorteuur van de Nederlandse sociaal-democratie, wordt de 'sociaal-democratische eeuw’ hier pas dit jaar volgemaakt. Voor de auteurs van het boek Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland, 1894-1994 - een initiatief van de Wiardi Beckman Stichting - moet het een vreemde gewaarwording zijn geweest: het boek zou rond de Tweede-Kamerverkiezingen verschijnen, en de PvdA schrompelde bij elke opiniepeiling verder ineen. Op het moment dat het boek in de boekwinkel zou liggen, zou Dahrendorf op schokkende wijze gelijk hebben gekregen. Nu zijn de verkiezingen voor de PvdA niet bepaald glorieus geweest, maar de partij is wel weer de grootste. De andere politieke krachten, waar Dahrendorf meer van verwachtte, hebben hun pretenties blijkbaar evenmin waargemaakt. Bovendien, in 1967 verloor de PvdA 13 zetels en kwam ze eveneens op een aantal van 37.
Of optimisme nu op zijn plaats is of dat Dahrendorf definitief ongelijk heeft gekregen, dat zijn vragen die WBS-directeur Paul Kalma in het laatste deel van dit boek opwerpt. Om te beginnen relativeert hij de these van Dahrendorf dat de sociaal-democratie de afgelopen honderd jaar de dominante politieke stroming is geweest. Zeker wat Nederland betreft is die stelling zwaar overdreven.
Dat de PvdA op eigen houtje een belangrijke vernieuwende rol in de Nederlandse politiek en samenleving kan spelen, is volgens Kalma een illusie. Zonder de inbreng van D66 en GroenLinks is dat in zijn ogen niet mogelijk. Een succesvolle hervormingspartij kan volgens Kalma niet anders dan een progressieve volkspartij zijn. Of de PvdA op zo'n nieuwe politieke formatie een beslissend stempel kan drukken, hangt af van de wijze waarop zij in staat is de twee 'gezichten’ van de sociaal-democratie met elkaar te verzoenen.
Kalma onderscheidt namelijk twee tradities in de geschiedenis van SDAP en PvdA. In de eerste plaats de strijd om de materiele lotsverbetering en de sociale emancipatie. Op dit terrein is de sociaal-democratie, ook in Nederland, ronduit succesvol geweest en heeft ze een belangrijk stempel gedrukt op onze huidige samenleving. Het kapitalisme is door de sociaal-democratie in sociaal opzicht aan banden gelegd, maar de opmars van de kapitalistische cultuur lijkt nog altijd onstuitbaar. Dat wat Kalma 'het tweede gezicht van de sociaal-democratie’ noemt, het verzet tegen de materialistische cultuur, was dan ook veel minder succesvol. Ook in de eigen gelederen bleek de 'verburgerlijking’ onweerstaanbaar voort te schrijden. Toch vormde het verzet hiertegen een belangrijke constante in de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie, al was dit niet in iedere periode even duidelijk.
NIETTEMIN IS ER in de geschiedenis van de Nederlandse sociaal- democratie een aantal tijdvakken aan te wijzen waarin het karakter en de positie van deze politieke stroming duidelijk verschilden van die in andere perioden. De eerste periode, die begon met de oprichting van de SDAP en eindigde met het congres van 1919, wordt op een prachtige wijze beschreven door Jos Perry. Deze geeft een zeer helder beeld van de verwikkelingen rond de oprichting van de partij, het moeizame eerste begin, complexe conflicten zoals de partijstrijd tussen 1900 en 1910, en hij besteedt tevens aandacht aan zaken als de propaganda en de ontwikkeling van de socialistische gemeentepolitiek. In de eerste vijfentwintig jaar van haar bestaan ontwikkelde de SDAP zich van een klein clubje propagandisten tot een moderne politieke partij die bijna een kwart van het electoraat aan zich wist te binden.
De partij werd echter gekenmerkt door een paradox: ze streefde naar een totale maatschappelijke omwenteling maar wilde tegelijkertijd voor haar aanhang zo veel mogelijk verbeteringen realiseren, hetgeen niet anders kon dan door een deel te worden van het politieke bestel dat ze bestreed. In 1919 verkeerde de SDAP in een merkwaardige positie: met de invoering van het algemeen kiesrecht en de achturige werkdag waren de belangrijkste eisen gerealiseerd, maar door de zogenaamde 'vergissing’ van Troelstra stond de partij volkomen geisoleerd in de Nederlandse politiek.
In het tijdvak 1919-1946, dat op vrij dorre wijze wordt beschreven door Peter Jan Knegtmans, probeerde de SDAP dit isolement te doorbreken. Electoraal bleef de partij echter steken op zo'n 23 procent, waardoor ze afhankelijk bleef van coalitievorming. Door bij herhaling te wijzen op de revolutionaire aandriften van de SDAP slaagden de overige partijen erin de sociaal-democraten buiten de regering te houden. In werkelijkheid viel het met die revolutiedrang wel mee en werd de partij gedomineerd door brave bestuurders die in de gemeentepolitiek hun sporen hadden verdiend.
Op lokaal niveau maakte de SDAP in steeds meer gemeenten deel uit van het gemeentebestuur. Ook de ideologie van de partij werd in de loop van de jaren dertig aangepast. Hierbij speelde naast de afschuwelijke economische crisis vooral de opkomst van het fascisme een belangrijke rol, een aspect waaraan Knegtmans nauwelijks aandacht besteedt. In 1939 mocht de SDAP eindelijk twee ministers leveren, maar het isolement werd pas echt doorbroken tijdens de Duitse bezetting. In de gijzelaarskampen en in het verzet - waarbij Knegtmans vreemd genoeg het opmerkelijke optreden van de meest markante sociaal-democratische verzetsstrijder, J. H. Scheps, niet noemt - werd de basis gelegd voor de 'Doorbraak’ die na de oorlog in de Nederlandse politiek moest plaatsvinden.
DOEKO BOSSCHER beschrijft de eerste vijfentwintig jaar van de Partij van de Arbeid, de belichaming van die verhoopte Doorbraak. Dat er van het uitwissen der levensbeschouwelijke scheidslijnen voorlopig niet veel terecht kwam, is inmiddels genoegzaam bekend. De PvdA was in feite niet veel meer dan een voortzetting van de SDAP met andere middelen. Drees, bij de achterban meer geeerd dan populair, was degene die in staat was de socialistische theorie en de naoorlogse werkelijkheid op een zelfbewuste wijze met elkaar te verbinden. Door zijn gematigde maar niet minder resolute optreden heeft hij de sociaal-democratie, zoals de gereformeerde historicus Puchinger eens heeft geformuleerd, 'genationaliseerd’.
Na de val van het laatste kabinet-Drees in 1958 werd het wederom tijd voor een inhoudelijke herorientatie. Er was veel bereikt, maar wat nu? Op spannende wijze schildert Bosscher de pogingen van de PvdA om de electorale teruggang in de jaren zestig om te buigen. Dieptepunt en begin van de weg omhoog was het annus horribilis 1966, met de Nacht van Schmelzer en de opkomst van Nieuw Links. De stormloop die de 'jongeren’ van Nieuw Links inzetten op de enigszins uitgebluste partijbureaucratie had minder te maken met inhoudelijke bezwaren dan met de behoefte aan 'iets totaal anders’, een culturele revolutie in zakformaat.
FRANS BECKER, die de laatste kwart eeuw bij de kop pakte, schildert een vlot en overtuigend beeld van de ontwikkelingen in de jaren zeventig en tachtig. Centraal in deze periode staat uiteraard het kabinet-Den Uyl. En dat heeft minder te maken met wat er door die regering is bereikt dan met de frustratie dat de invloed van de PvdA daarna enorm is verminderd. Op traditioneel sociaal-democratische beleidsterreinen als de inkomenspolitiek, ontwikkelingssamenwerking en stadsvernieuwing was de ploeg van Den Uyl zeker succesvol. Van de veel verder gaande aspiraties en pretenties uit Keerpunt 1972, het regeerakkoord dat PvdA, D66 en PPR voor de verkiezingen hadden gesloten, werd echter weinig waargemaakt. Vandaar de enorme teleurstelling dat er na 1977 van die plannen niet alleen niets terecht kwam, maar dat de sociaal-democratie ook op de andere terreinen het initiatief verloor.
De vraag of er voor de Nederlandse sociaal-democratie nog hoop is, behoefde door de auteurs van dit boek niet beantwoord te worden, al doet Kalma een interessante poging. Beckers schets van de 'vernieuwing’, waar de partij al weer acht jaar mee worstelt, stemt weinig hoopvol. Wat uit dit boek echter zonder meer duidelijk wordt, is dat de sociaal-democratie een doodgewone politieke partij is. Dat wil zeggen dat ze alleen iets kan bereiken als het maatschappelijk getij gunstig is. In het begin van deze eeuw, in de jaren veertig en vijftig, en rond 1970 was dat het geval. Op dit moment is er weinig dat wijst op een progressieve vloedgolf.