EU-narratieven in tijden van crisis

Is Europa de plot kwijt?

Vroeger ging het Europese verhaal over een homogene, broederlijke gemeenschap die was gebaseerd op gelijkvormigheid. Tegenwoordig ziet het continent zichzelf als ‘eenheid in verscheidenheid’. Die verscheidenheid zou het begin van een nieuw Europees verhaal moeten zijn.

Wat is precies the narrative, het narratief, van Europa? Zelfs de meest uiteenlopende ideeën daarover komen vaak toch uit op vergelijkbare conclusies: volgens sommige mensen bestaat er geen Europees narratief, volgens anderen zijn er juist te veel narratieven en om die reden, juist door die verscheidenheid, hebben ze geen gezamenlijke betekenis, solidariteit of identiteit. Sinds het begin van de huidige eurocrisis wordt het publieke debat gedomineerd door de mensen die nu zeggen dat een fundamenteel gebrek aan solidariteit, dat in tijden van economische groei altijd goed onder de oppervlakte blijft, naar boven is komen drijven, net als een van die financiële bubbels die ons alle ellende hebben gebracht (zij het niet alleen ons, Europeanen). Europa mislukt omdat de vele Europa-narratieven geen deel uitmaken van een en hetzelfde verhaal. Maar toch, ondanks de hoeveelheid energie die is besteed aan het onderzoeken van de Europese identiteit blijven de belangrijkste vragen open.

Is diversiteit iets dat Europa ‘moet aanpakken’, in de zin van bedaren, verlichten, tolereren? Zijn de zogenaamd homogeniserende krachten van de globalisering per se in tegenspraak met het ‘conserveren’ van bepaalde identiteiten? Zijn Europese narratieven alleen te vinden aan de geïntellectualiseerde, elite-zijde van het spectrum, en appelleren ze alleen aan het denken en niet aan het gevoel? En is dat met name zo wanneer die narratieven voortkomen uit de Europese Unie, dat technocratische project dat veel te snel veel te ver is doorgevoerd – wat veel commentatoren zeggen, daartoe aangemoedigd door de economische en politieke crisis van dit moment? Misschien zijn er een paar antwoorden en alternatieven te vinden als we kijken naar de concrete en zich ontwikkelende institutionele narratieven van Europa, en naar hoe die worden ervaren buiten Brussel.

In het publieke debat van dit moment wordt steeds gezegd dat Europa zijn ‘verhaal’ moet vinden. In bredere zin kan dat in verband worden gebracht met veranderingen in ons denken over identiteiten. In de sociale wetenschappen is er een ‘narrative turn’ geweest, een verschuiving naar een focus op betekenissen en hun afhankelijkheid van contexten, in plaats van structurele (‘feitelijke’) aspecten van het maatschappelijk leven. Met name identiteit kan worden gezien als een narratief. Dat wil zeggen dat als we eenmaal hebben geconcludeerd dat het concept identiteit essentia­listische bijklanken heeft, en dat we makkelijk vergeten dat identiteiten constructen zijn gebaseerd op zelfbegrippen die voortkomen uit culturele repertoires en beschikbare narratieven – dan is de focus verschoven naar het laatste, naar de narratieven.

Het Europa van vandaag laat goed zowel de mogelijkheden als de risico’s zien van narratieven over identiteit. Door over Europa te denken als iets dat is ingebed in bepaalde narratieven – publieke, academische, institutionele – kunnen we de verschillende ‘Europa’s’ onderscheiden die op het spel staan. Net zo goed als er verscheidene narratieven over Europa bestaan, zijn er ook verscheidene uitvoeringen en presentaties van die narratieven. Als een sleutelkenmerk van het verhaal van Europa wordt gevormd door de institutionele narratieven ervan, dan is een ander belangrijk aspect hoe die narratieven zullen worden gepresenteerd buiten Brussel en andere institutionele hoofdkwartieren.

We horen zowel de kritiek dat er te weinig als dat er te veel Europese narratieven zijn. Die schijnbare tegenstelling is misschien zo op te lossen: Europa heeft verscheidene narratieven, maar de belangrijkste vraag is wat zijn verhaal is, hoe het betekenis geeft aan die narratieven in een betekenisvolle plot. En heeft Europa toegewijde verhalenvertellers en publieke sferen voor dat verhaal? De huidige economische crisis kunnen we plaatsen in de verhaallijn van noodzakelijke verdere Europese integratie, of, zoals de media vaak hebben beweerd, van de ‘gevaren van het opgeven van nationale soevereiniteit’. Volgens veel mensen hadden Europese instituties – organisaties die oorspronkelijk werden benoemd met andere specificaties, van ‘Kolen en Staal’ tot het bredere ‘Economisch’, tot uiteindelijk met succes de term ‘Europees’ werd toegepast – in elk geval een plot. Dat was een verhaal over eeuwen van Europese oorlogen waar definitief een einde aan werd gemaakt door toegenomen samenwerking en ­wederzijdse afhankelijkheid; zowel het narratief als de economische strategie van de EU-instituties die in de loop der jaren ontstonden, is door die plot gestuurd. Het was zo’n succes dat het nieuwe generaties Europeanen niet meer zo veel zegt. Europese intellectuelen verwijzen er nog steeds wel naar, maar tegelijkertijd erkennen ze dat het misschien niet langer de lijm is die Europa bij elkaar kan ­houden. Umberto Eco zei dat de ‘oppervlakkige’ ­Europese identiteit nog wel voldeed voor de founding fathers dankzij dat gezamenlijke doel, maar dat dat nu misschien niet meer zo is: ‘Hun Europa was een reactie op oorlog en zij deelden ­middelen om vrede te ­bewerkstelligen. Nu moeten we aan de slag om een diepgaandere identiteit op te bouwen.’1

In deze tijd is Europa op zoek naar een nieuw verhaal om te vertellen, in de eerste en belangrijkste plaats aan zichzelf. Ten overvloede: we kunnen naar verschillende kanten kijken om Europese narratieven te vinden. Het blijft niet beperkt tot het ­proces van Europese integratie, en het Europa van vandaag kan niet negeren dat de institutionele context ook de context is van bredere, meer ­omvattende of culturele ideeën over Europa. Het wekt geen verwondering dat de ­eindeloze debatten over de eurocrisis die op dit moment in de media worden gevoerd vaak ­eindigen met een vage verwijzing naar een bredere, meer culturele, ­Europese identiteit – waarna meestal wordt geklaagd dat die niet bestaat. Als we kijken naar met name de Europese Unie en de Europese Raad, dan is dat beeld van een gefragmenteerd narratief niet meer zo overtuigend, aangezien er algemene overeenstemming is onder analisten over wat het dominante narratief van Europa is op het institutionele niveau.

Het belangrijkste institutionele narratief over de cultuur en identiteit van Europa op dit moment is dat van ‘eenheid in verscheidenheid’. Door de noodzaak de enorme verscheidenheid aan landen te omvatten, vooral op het niveau van cultuur, en doordat het proces van de vorming van eerst de Gemeenschap en daarna de Unie altijd voor iedereen zichtbaar was, hebben ze een ingewikkelde retoriek bedacht, die wordt samengevat in de bekende formule ‘eenheid in verscheidenheid’. Dat wordt gezien als een oplossing voor de behoefte om verschillende allianties en een veelheid van nationale of lokale culturen (dat wil zeggen, van de veel machtiger en meer gevestigde instituties) bij elkaar te brengen. We kunnen stap voor stap volgen hoe de Europese Raad en de EU tot dat narratief zijn gekomen, en zien dat dat zijn neerslag vindt in enkele essentiële teksten. De vroegste incarnatie vinden we waarschijnlijk in de statuten van de Raad van Europa uit 1949 (‘Verscheidenheid zit in het hart van de culturele rijkdom van Europa, wat ons gezamenlijk erfgoed is en de basis vormt van onze eenheid’), maar pas in de jaren negentig van de vorige eeuw ging het gelden op het niveau van de ER/EU. In het artikel over cultuur van het EU-verdrag van 1992 wordt gesteld dat de Gemeenschap ‘het bloeien van de culturen van de lidstaten’ moet bevorderen, ‘en tegelijkertijd hun nationale en regionale verscheidenheid respecteren én het gedeelde culturele erfgoed over het voetlicht brengen’ (teu, art. 151). Betekenis geven aan de diversiteit van Europa – een narratieve structuur creëren die diversiteit integreert zonder die ergens ondergeschikt aan te maken, en die ­geleidelijk niet te zien als een obstakel of als iets slechts, maar juist als een hulpmiddel en een kracht – is de institutionele strategie van Europa geweest.

Daar is veel kritiek op geweest omdat het slechts een bedenksel zou zijn en het resultaat van een compromis en niet van een visie. Het is een oplossing die veel mensen afdoen als holle retoriek, als een cosmetische ingreep die ofwel irrelevantie of een verborgen machtsagenda moet verbergen. Inderdaad zijn de technologieën die natiestaten gebruiken om een identiteit te construeren nog steeds in handen van natiestaten (onderwijs, media, maar ook sociale zorg en militaire dienst). Dus moeten zelf­verklaarde Europese instituties erg voorzichtig zijn wanneer ze proberen hun narratieven over Europese cultuur in elkaar te zetten. Te veel nadruk op eenheid of te veel gedetailleerdheid over de werkelijke inhoud van het ‘gezamenlijke culturele erfgoed’ – en ze krijgen kritiek van links tot rechts; te veel nadruk op diversiteit – en mensen zullen zeggen dat er in werkelijkheid helemaal geen verhaal te vertellen is.

Toch wordt ‘eenheid in verscheidenheid’ ook vertaald naar concrete initiatieven en concreet beleid, met name in de culturele sector. Hoewel er veel zijn, en hoewel ze erg uiteenlopen, hebben ze toch een vergelijkbare stijl: het belangrijkste is dat ze lokale directe actie stimuleren, en de titel ‘Europeaan’ toekennen aan lokale initiatiefnemers, die zich vervolgens gedragen als Europeaan, en daarmee inhoud leveren voor dat lege idee van ‘eenheid in verscheidenheid’. Wat ‘eenheid in verscheidenheid’ als narratief dus doet, is het ‘decentraliseren’ van de selectie van de narratieve elementen, en het stimuleren van een gemeenschappelijk kader. Het gevaar van zo’n ‘leeg’ narratief is dat het ofwel genegeerd kan worden, of kan worden toegepast op te veel verschillende manieren. Sommige mensen geloven daarom dat het alleen levensvatbaar kan zijn wanneer het wordt gecombineerd met sterkere narratieve structuren, zoals de vredesprojecten van na de Tweede Wereldoorlog. Hier beginnen we echter de beperkingen te zien van de concentratie op alleen maar narratieven, met het risico dat we het zicht verliezen op wie het verhaal nu eigenlijk aan het vertellen is.

Het institutionele narratief van Europa doet op dit moment misschien nogal formule-achtig aan, maar daar staat tegenover dat het niet alleen zal worden uitgevoerd door de instituties zelf maar ook door mensen die in contact staan met die instituties, met name vanwege de ­gedecentraliseerde beleidsstijl waar ik het over had. Wetenschappers en ‘publieke intellectuelen’ doen mee, maar dat doen ook lokale ontvangers van het beleid dat het narratief vertaalt naar de praktijk. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de Europese Culturele Hoofdstad (ecoc).2

De ecoc, die werd opgericht in 1985, is een van de langst levende, meest representatieve culturele initiatieven van de EU. De Europese Unie is de initiator, maar de implementatie is vooral lokaal (zoals het grootste deel van het culturele beleid van de EU). Steden wordt gevraagd een Europese dimensie te laten zien, maar wat dan precies zo’n dimensie is wordt aan hun eigen oordeel overgelaten. Als gevolg daarvan zijn de programma’s van de steden altijd zeer verschillend geweest, en juist dat laat ‘de rijkdom en diversiteit van Europese culturen en de kenmerken die zij gemeen hebben’ zien – en dat is de officiële missie van de ecoc. Dat programma denkt op een andere manier na over steden en geeft ze een andere, nieuwe plaats in een Europese ruimte en geschiedenis. De Culturele Hoofdstad van Europa gaat niet over het vieren van een essentialistische Europese cultuur – dat zou een faux pas zijn waarvan de EU juist heeft geleerd dat ze die moet vermijden. Eerder slaat dat ‘Europees’ op de steden zelf, ­waardoor het een deel wordt van hun zelf-representatie, van hun verhaal.

De titel van Culturele Hoofdstad is in de loop van de tijd een transformatieve titel geworden: wat wordt beoordeeld is de aspiratie van de kandidaatsteden om Europese Hoofdstad te worden. Omdat de EU van deze kandidaten de Europese dimensie verlangt maar die niet definieert, gaat het er juist om dat die steden hun kandidatuur weten in te vullen met betekenisvolle verhalen waardoor ze de titel kunnen winnen. En zo worden die steden dus Europees. En wanneer we naar die Europese dimensie kijken zoals die ‘lokaal’ wordt geïnterpreteerd, dan zien we dat ‘eenheid in verscheidenheid’ wel wordt aangenomen maar ook opnieuw wordt gedefinieerd. In de ecoc’s en hun programma’s wordt de interpretatie van ‘verscheidenheid’ breder, en dieper. In de praktijk wordt deze narratieve structuur daadwerkelijk toegepast, maar ze wordt niet nood­zakelijk geïnterpreteerd volgens standaard institutionele betekenissen. De dubbel­zinnigheid ervan wordt gebruikt om de bedoelingen van de EU – die vooral gaan over het combineren van nationale en regionale diversiteit binnen Europa – ver te overstijgen en gaat zelfs de kant op van een kosmopolitische alliantie. De meeste steden die de titel van Culturele Hoofdstad bezitten, hebben bijvoorbeeld een aanzienlijk aantal projecten in hun programma’s die te maken hebben met niet-Europese culturen. Het idee van cultuur zelf is geleidelijk uitgebreid, van hoge kunst in de eerste jaren naar een meer omvattend, breder, idee – en dat in een programma dat begon met Athene en Florence die hun bijdrage aan het grote Europese erfgoed vierden.

Dit zijn praktische vormen van culturele europeanisering die vaak aan analyse ontsnappen vanwege hun ‘banaliteit’. Maar er is een essentieel verschil tussen banaal europeanisme en banaal nationalisme, waarvoor de uitdrukking het eerst werd gemunt. Als banaal nationalisme gebaseerd is op het vergeten van verschillen en complexiteit, zodat zijn stereotiepe identiteit de nadruk legt op homogeniteit, dan heeft het publieke discours van het banale europeanisme een ander kader of een andere plot dat of die de nadruk legt op ‘eenheid in verscheidenheid’. Europa en de natie worden op verschillende manieren verbeeld, en banaal gemaakt: de natie legt de nadruk op homogeniteit (of legt die op), op gemeenschappelijkheid en eenvoudige, exclusieve identificatie, terwijl Europa juist kiest voor een tegengestelde oplossing die beweert te zijn gebaseerd op pluraliteit, diversiteit en veelvoudige allianties. Of dit wel of niet wordt gezien als het creëren van een maatschappij of identiteit wordt bepaald door hoe normatief we denken over hoe een culturele eenheid en identiteit eruit zouden moeten zien.

Het verhaal van Europa gaat over diversiteit, en bevat als zodanig een veelvoud aan narratieven. Europese institutionele, publieke narratieven komen steeds weer terug en zijn gemeenschappelijk, top-down zo u wilt, maar ze kunnen en moeten zelfs verschillend worden uitgevoerd en gepresenteerd door verschillende acteurs, in verschillende contexten. Wat relevant is, is zowel het feit dat het institutionele narratieve kader wordt behouden, als het feit dat het mogelijk wordt gemaakt – zoals EU-instituties in de loop van de tijd hebben ontdekt – doordat het omvangrijk is en door de verscheidenheid van stemmen en publieke sferen kan worden toegepast en gevuld met narratieve elementen. De verschuiving naar diversiteit als een bron, een hulpmiddel, hetzij geïntroduceerd als puur een retorische gimmick of juist niet, is essentieel.

Het nationale verhaal ging over het verbeelden van een homogene, broederlijke gemeenschap die was gebaseerd op gelijkvormigheid; als een categorische vorm van identificatie zou het, in het algemeen, slechts matige hoeveelheden diversiteit kunnen verdragen, omdat zowel de ideologische als de praktische vereisten van nationale democratieën afhankelijk waren van gelijkvormigheid en centralisatie. In plaats daarvan ziet Europa zichzelf als ‘eenheid in verscheidenheid’, en dat is een andere manier om een gemeenschap voor te stellen. Het is niet een kwestie van retorisch ‘inclusief’ zijn: verhalen zijn, per definitie, exclusief: ze nemen bepaalde narratieve elementen op en sluiten andere uit. Geen enkel verhaal is het verhaal van iedereen, en dat is precies de reden dat er vele zijn. Noties van ‘inclusiviteit’, die we vaak horen van intellectuelen en politici als ze het over Europa hebben, kunnen misleidend zijn, maar dat kunnen noties van uitsluiting ook. De Europese identiteit is een zwakke categorische identiteit, die worstelt met het definiëren van zowel interne overeenkomsten als externe verschillen, terwijl de omgekeerde combinaties (interne verschillen en externe overeenkomsten) bijna aantrekkelijker lijken en ook meer Europees.

Zolang Europese narratieven andere plots blijven volgen (zoals bijvoorbeeld de nationale) of blijven denken dat bestaande narratieve structuren de enig mogelijke zijn, zal het Europese verhaal wellicht niet werken. In plaats daarvan zou het Europese verhaal in staat moeten zijn om veel minder diversiteit op te offeren aan de samenhang of homogeniteit van het hele verhaal dan wat wordt verlangd door andere, op het oog ­vergelijkbare, verslagen over grootschalige collectieve identiteiten. Europa moet, niet als een deugd maar uit noodzaak, middelen vinden om een nieuw soort verhaal te vertellen over identiteit, diversiteit en solidariteit.


1 Umberto Eco: ‘It’s culture, not war, that cements European identity’, The Guardian, 26 januari 2012 (interview door Gianni Liotta). Zie ook guardian.co.uk/world/series/europa

2 Voor meer over dit onderwerp zie M. Sassatelli, ‘Becoming Europeans’, Palgrave 2009


Monica Sassatelli doceert sociologie aan Goldsmiths University in Londen. Haar boek Becoming Europeans: Cultural Identity and Cultural Policies verscheen in 2009. Bovenstaand essay maakt deel uit van ­Remapping Europe: The making of European narratives, een collectie van essays die belichten hoe narratieven zich vormen en invloed hebben op Europa. Deze publicatie zal op 6 december in De Balie worden gepresenteerd

Vertaling Rob van Erkelens